
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
hana・鼻
zn. neus m.; slurf (象の) v.; snuit (豚などの) m.; snot (洟) o. ¶ 洟を垂らす een loopende neus hebben; een snotneus hebben. ¶ 鼻をかむ den neus snuiten. ¶ 鼻を鳴らす snuiven; snotteren. ¶ とんがり鼻 spitse neus; puntneus. ¶ 獅子鼻 stompe neus; platte neus; mopsneus. ¶ 鼻先で vlak voor zijn neus. ¶ 鼻元思案 niet verder zien, dan zijn neus lang is. ¶ 鼻をつんとする den neus ophalen voor. ¶ 鼻が利く een goeden neushebben. ¶ 話が鼻にかゝる hij spreekt door den neus. ¶ 鼻に掛ける trotsch zijn op, zich beroemen op. ¶ 鼻で笑ふ ironisch lachen; sarcastisch lachen. ¶ 鼻をあかす iemand beschaamd maken. ¶ 鼻につく zich ergeren aan.
kujiru・くぢる
i.w. pulken. ¶ 鼻をくぢる in zijn neus pulken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <neus>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ノーズ noozu neus
水切り mizukiri (1) [m.b.t. groente] het laten uitdruipen; afdruipen; (2) het steentjes langs het water scheren; het keilen; het kiskassen; het kassen; het kitsen; het pleien; het slifferen; het stipstappen; plisje plasje; [gew.] het botjes vangen; [gew.] het boterhammen smeren; [gew.] het zeilderen; (3) [m.b.t. ikebana] het snoeien van een in water geschikte bloemstengel; (4) afdruiprek; druiprek; droogrek; [i.h.b.] vergiet; (5) [scheepv.] loefbijter; scheg; sneb; neus; [橋脚の] stroombreker; ruwaard
耳鼻咽喉科 jibiinkouka [geneesk.] oto-rino-laryngologie; keel-; neus- en oorheelkunde; [afk.] kno
耳鼻咽喉科医 jibiinkoukai [geneesk.] keel-; neus- en oorspecialist; keel-; neus- en oorarts; oto-rino-laryngoloog; [afk.] kno-arts
耳鼻科 jibika [geneesk.] oto-rinologie; neus- en oorheelkunde
鼻 hana neus; snuit [van een varken;beer enz.]; slurf [van een olifant]; [inform.] voorgevel; [inform.;spott.] kokkerd; [oneig.] reukorgaan; [Barg.;volkst.] ponem; [volkst.] snufferd; [volkst.] snotter; [Barg.] koker; [Barg.] flip; [volkst.] snotkoker; [fig.] reukzin
Tijd: 1.43 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 6 treffers (zoekopdracht: 'neus').
2005-2026
