
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
sogai・疎外
zn. vermijding v. ¶ 疎外する op een afstand houden.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vermijden>
はぐらかす hagurakasu (1) ontwijken; vermijden; mijden; uit de weg gaan; zich afmaken van; zich ergens uitpraten; (2) te slim af zijn; ontglippen; ontkomen aan
免れる manugareru (1) ontsnappen aan; ontkomen aan; bespaard blijven van; ontlopen; (2) vermijden; uit de weg gaan; ontwijken
回避する kaihisuru vermijden; mijden; ontwijken; schuwen; ontduiken; zich onttrekken aan; uit de weg gaan; omzeilen; eluderen
嫌う kirau niet houden van; haten; verfoeien; niet fijn vinden; schuwen; vermijden; verafschuwen; detesteren; abhorreren
忌避する kihisuru (1) ontwijken; vermijden; mijden; ontlopen; omzeilen; zich onttrekken aan; uit de weg gaan; schuwen; (2) [jur.] wraken; diskwalificeren; bezwaar aantekenen tegen
憚る habakaru (1) [外聞を] beducht zijn voor; duchten; schromen; ontzien; vrezen; schuwen; bang zijn te; terugschrikken; vermijden; mijden; zich generen; terughoudend zijn; aarzelen; scrupules hebben; (2) moeizaam vorderen; (3) gewichtig doen; grootdoen; zich nadrukkelijk doen gelden; invloed; macht uitoefenen; de baas spelen; (4) woekeren; om zich heen grijpen; zich verbreiden
躱す kawasu (1) [身を] opzij springen; wegduiken; (2) [質問を] ontwijken; ontduiken; uit de weg gaan; zich afmaken van; omzeilen; vermijden; mijden; proberen te ontkomen (aan); proberen te ontsnappen (aan); (3) [攻撃を] afkeren; afweren
逃げる nigeru (1) vluchten; weglopen; wegvluchten; wegvliegen; wegrennen; ervandoor gaan; op de loop gaan; op de vlucht slaan; wegwezen; het op een lopen zetten; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [fig.] deserteren; [fig.] afbrassen; [lit.t.] vlieden; [uitdr.] de benen nemen; [uitdr.] benen maken; [uitdr.] zich uit de voeten maken; [uitdr.] 'm smeren; [uitdr.] 'm piepen; [uitdr.] het hazenpad kiezen; [uitdr.] zijn hielen laten zien; [uitdr.] de hielen lichten; [uitdr.] de plaat poetsen; [uitdr.;inform.] de kuierlatten nemen; [uitdr.;volkst.] van de wiek gaan; [uitdr.;volkst.] riedel nemen; (2) ontsnappen; ontkomen; wegkomen; ontglippen; ontvluchten; uitraken; (3) ontlopen; uit de weg gaan; ontwijken; zich onttrekken aan; [uitdr.] de ruimte kiezen; [lit.t.] ontvlieden; ervan afkomen; vermijden
遠ざける tōzakeru (1) verwijderd houden; uit de buurt houden; weghouden; afstand nemen; op een afstand houden; van zich af houden; zich niet inlaten met; van zich vervreemden; uit de weg gaan; mijden; vermijden; ontwijken; schuwen; (2) op afstand zetten; afschudden
避ける sakeru (1) vermijden; mijden; ontwijken; uit de weg gaan; schuwen; (2) zich onttrekken aan; omzeilen; zich onthouden van; afzien van; achterwege laten; nalaten; (3) uit de buurt blijven (van); wegblijven (van); met een boog erom heenlopen
防ぐ;禦ぐ;拒ぐ fusegu (1) afweren; weren; afhouden; weghouden; buitensluiten; buitenlaten; afwenden; afschutten; afschermen; pareren; (2) (zich) verdedigen tegen; (zich) verweren tegen; (zich) beschermen tegen; (zich) beschutten tegen; (3) vermijden; voorkomen
Tijd: 1.35 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 11 treffers (zoekopdracht: 'vermijden').
2005-2026
