
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (titelwoord)
kou・戀ふ
(恋ふ) t.w. liefhebben.
日蘭辭典 (trefwoord)
kan-i・寒威
zn. koude v.
daikan・大寒
zn. hevige koude v.
bōkan・防寒
zn. bescherming tegen de koude.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <kou>
亘 kō omspannen
交 kō (1) omgang; betrekking; contact; (2) overgang; wisseling; (a) omgang; betrekking; contact; (b) elkaar kruisen; samenkomen; (c) gemengd raken; mengen; (d) wisselen; ruilen; uitwisselen; (e) leveren; (f) onderling; bij beurten
亨 kō rimpelloos verlopen; goed vorderen
侯 kō (1) [Jap.gesch.;verzameln.] edellieden; edelen; lords; (2) markies; markgraaf; (a) feodale heer; leenheer; leenvorst; daimio; (b) markies
候 kō (1) tijd van het jaar; jaargetij; jaargetijde; weer; weersgesteldheid gedurende een bepaalde tijd van het jaar; (2) [Chin.gesch.] pentade; periode van vijf dagen; (a) informeren naar iemands toestand; onderzoek; verkenning van de gesteldheid; (b) wachten; (c) verschijning; veruitwendiging; manifestatie; teken; (d) weersverschijnsel; weersomstandigheden; (e) jaargetijde; seizoen
光 kō (a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
公 kō (1) prins; (2) hertog
冷え hie kou; koude; lage temperatuur
効 kō (a) uitwerking; effect; (b) imiteren; nadoen
厚 kō (a) dik; (b) hartelijk; joviaal; (c) brutaal; onbeschaamd; (d) verrijken
口† kō (1) [maatwoord voor personen;m.n. beroepsgenoten]; (2) [maatwoord voor zwaarden;degens;scheermessen;schoffels]; (3) [maatwoord voor potten;kruiken;kannen;kommen;ketels]; (4) [maatwoord voor (tempel)klokken]; (5) [maatwoord voor blaasbalgen]; (6) [maatwoord voor geweermonden]; (7) [maatwoord voor zadels;mondstukken;bitten]
向 kō (a) zich wenden; een kant opgaan; (b) intentie; streven; (c) volgen; (d) richting
坑;阬 kō (1) mijn; groeve; (2) mijngang; mijnschacht
好 kō (1) schoonheidskenmerk; lakṣaṇa; [boeddh.] secundair fysiek kenmerk van Boeddha; (2) goed; gunstig; (a) houden van; verkiezen; (b) knap; (c) uitstekend; prima; (d) goed; gunstig; (e) vriendschap; (f) meug; voorkeur
孝 kō (1) kinderlijke gehoorzaamheid; piëteit jegens z'n ouders; ouderliefde; (a) goed zijn voor z'n ouders
宏 kō (a) wijd; grootschalig; (b) ruimhartig
寒さ samusa kou; koude
寒冷 kanrei (1) koude; kou; koudheid; kilte; kilheid; ijzigheid; (2) koud; kil; ijzig; (3) cryo-; koude-
寒気 kanki koud weer; koude; kou
寒気 samuke (1) koude rilling; kouwelijk; kleumerig gevoel; huiverigheid; (2) koude; kou
工 kō (1) technische school; (2) -arbeider; (a) vervaardigen; produceren; (b) vervaardiger; handwerksman; ambachtsman; (c) productie-industrie; industriële technologie
巧 kō (1) behendige techniek; (a) behendig; vaardig; (b) techniek; vaardigheid; (c) geveinsd
巷 kō straat; [fig.] dorpsstraat; het publiek
広 kō (a) ruim; uitgestrekt; (b) uitspreiden; verruimen
康 kō (a) veilig en wel; rustig; (b) gezond
弘 kō (a) uitgestrekt; groot; (b) verdraagzaamheid; (c) (zich) verbreiden
後 kō (1) achterkant; achterste gedeelte; (2) na; later; achteraf; (3) achterblijven
恋う kou liefhebben; beminnen; houden van; [Belg.N.] graag zien; [veroud.;lit.t.] minnen
扛 kō (a) optillen; opheffen
抗 kō (1) anti-; contra-; (a) wedijveren; zich verzetten tegen; (b) vrijwaren; weerstaan
攻 kō (a) aanvallen; (b) zich eigen maken; diepgaand begrijpen; (c) slijpen
斯う kou zo; op deze wijze
晃 kō klaar; schijnen; schitteren
校 kō (1) school; (2) correctie van drukproeven
殺気 sakki (1) moordlust; bloeddorst; (2) koude; kou; kilte; (3) [arch.Jap.] stikstof
江 kō (1) grote rivier; stroom; (2) Blauwe Rivier; Jangtsekiang; (3) Biwameer; (a) grote rivier; [i.h.b.] Blauwe Rivier; (b) provincie Ōmi
洸 kō (a) diep en uitgestrekt; (b) afwezig; verstrooid
浩 kō (a) overstromen; extensief zijn; (b) zeer; volop
港 kō haven
溝 kō (1) honderd noniljoen [= 1 met 56 nullen erachter]; (a) gracht; kanaal; [anat.] plooi
猴 kō aap
甲 kō (1) [dierk.] pantser; [蟹の] schaal; [亀の] schild; (2) [手の] rug; bovenkant; (3) [astrol.] eerste van de tien hemelse stammen; (4) eerste klasse; eerste rang; (5) eerste veronderstelde persoon of zaak; A; (6) wapenrusting; helm; (7) gebogen vlak van een citer; luit; (8) [Jap.muz.] hoge register; hoge toon; [i.h.b.] octaaf hogere toon; (a) pantser; schaal; schild; harnas; (b) [astrol.] eerste van de tien hemelse stammen; (c) begin; eerste; (d) provincie Kai
硬 kō (a) steenhard; (b) hard; stug; onbuigzaam
紅 kō (1) karmozijnrood; karmozijn; karmijnrood; karmijn; vuurrood; (a) karmozijn; karmijn; vuurrood; (b) rouge; (c) werk; arbeid
綱 kō (1) touw; koord; kabel; tros; (2) basis; grondslag; grondbeginsel; programma; (3) [Jap.gesch.] pachter van de staatsinkomsten; tollenaar; (4) [biol.] klasse; (a) basis; grondbeginsel; hoofdlijnen; (b) hoofdafdeling; klasse
考 kō (a) denken; studie; (b) onderzoeken; nagaan; (c) overleden vader
興 kō tot bloei komen; brengen
航 kō scheepvaart; luchtvaart
行 kō (1) het gaan; gang; tocht; reis; toer; (2) [Chin.gesch.] winkelwijk; handelswijk (in Suí; Táng-China); (3) [Chin.gesch.] ambachtsgilde; gilde; gild (in Táng-China); (4) [Chin.gesch.] xíng; ballade [= klassiek Chinees episch dichtstuk]; (a) gaan; (b) reis; toeren; (c) uitvoeren; daad; handeling; (d) winkel; handel; [i.h.b.] bank
請う kou vragen; aanvragen; [援助を] aankloppen om
講 kō (1) [onderw.] hoorcollege; college; les; lezing; leerrede; (2) [boeddh.] boeddhistische bijeenkomst; catechetische bijeenkomst; (3) [boeddh.] boeddhistische dienst; liturgie; (4) [boeddh.;shintoïstische] congregatie; vereniging; (5) [fin.] coöperatieve kredietvereniging; lokale vereniging voor onderlinge hulp en bijstand; (a) uitleggen; preken ; (b) lezing; onderricht; college; (c) leren; studeren; (d) tot een schikking komen; beslechten; bijleggen; (e) [boeddh.] catechetische bijeenkomst; (f) godsdienstige vergadering; bijeenkomst; gemeente; (g) [fin.] spaar- en kredietvereniging
貢 kō (1) tribuut; schatting; (a) tribuut betalen; offeren; (b) aanbevelen; voordragen
逅 kō toevallig ontmoeten; tegen het lijf lopen
鋼 kō staal
閘 kō sluisdeur; sasdeur; sluistoegang
降 kō (1) overgave; (a) uit een hoger gelegen punt naar beneden komen; vallen; (b) uit de lucht vallen; (c) in rang verlagen; (d) zich overgeven; (e) sindsdien
項 kō (1) item; artikel; punt; [jur.] lid; rubriek; (2) [wisk.] term; element; (3) [anat.] achterkant van de nek; nucha; (a) nek; (b) item; punt; (c) [wisk.] term
風邪 kaze verkoudheid; kou; [Belg.N.;spreekt.] valling; [gew.] verkouwenis
香 kō (1) geur; parfum; aroma; (2) reukhout; reukstof; geurstof; reukwerk; [i.h.b.] wierook; (3) [theeceremonie] wierook voor het reinigingsritueel; (4) [rel.] offerwierook; offerstokje; (5) kunst van het wierookbranden; (6) wierook-herkenningsspel; (7) kruidnagel-kleur; vaalrood [= de kleur █]; (8) in kruidnagelpigment geverfde stof; (9) [m.b.t. kimono-drapering] kruidnagel-kleurschakering; (10) [hofdamesjargon] miso; (11) kruid; specerij; kruiderij; (a) aangename geur; aroma; parfum; (b) reukwerk; parfumerie; wierook
高 kō (1) hoog; hoog- [kō 高 moet in het Nederlands in sommige gevallen vertaald worden door een combinatie van een adjectief "hoog" of "hoge" met een erop volgend substantief. Bv. kōka 高価 "hoge prijs";kōrei 高齢 "hoge leeftijd";kōkyū 高級 "hoge rang;hoge klasse." In andere gevallen moet kō 高 vertaald worden als "hoog-," zijnde het eerste deel van een samenstelling. Bv. kōatsu 高圧 "hoogspanning".]; (2) uw; uwedele zijn; uwedele haar [Binnen deze betekenis heeft het prefix kō 高 bijna de semantische waarde van een zeer eerbiedig bezittelijk voornaamwoord (keigo 敬語;honorifieke taal). Bv. kōhyō 高評 "uw kritiek."]; (3) de laatste drie jaar van de middelbare school; hogere middelbare school [Dit suffix is een afkorting van kōtōgakkō 高等学校. Bv. danshikō 男子高 "hogere middelbare school voor jongens."]
鴻 kō (1) [dierk.] rietgans; taigarietgans; (2) [dierk.] ooievaar
鵠 kō (1) [dierk.] zwaan; (2) roos van een doelwit
Tijd: 1.57 sec. jiten.nl: 7 treffers, warandict: 62 treffers (zoekopdracht: 'kou').
2005-2026
