日蘭辭典+

34 resultaten voor ‘ontslag’
日蘭辭典 (trefwoord)
an-anri no暗々裏の
(暗々裏・暗々裡) bn. stilzwijgend; stil; indirect. ¶ 暗々裏に承諾する stilzwijgende toestemming geven. ¶ 暗々裏に彼に辭職すべく諷した hij kreeg een wenk om zijn ontslag te nemen.
ji-suru辭する
i.w. (1) [辭任] ontslag nemen. t.w. (2) [辭退] weigeren; i.w. zich verschoonen. i.w. (3) [暇乞] afscheid nemen.
jiketsu自決
zn. eigen beslissing v.; ontslag (辭職) o. ¶ 自決する zelf beslissen; ontslag nemen.
renbei聯袂
(連袂) bw. allen tezamen; als een man; eensgezind. ¶ 連袂辭職する “en bloc” ontslag nemen.
kaiko解雇

zn. ontslag o. ¶ 解雇を求める ontslag vragen. ¶ 解雇する ontslag geven; ontslaan.

sōtai早退

zn. vroege ontslagaanvraag v.

gaikotsu骸骨

zn. skelet o.; geraamte o. ¶ 骸骨を乞ふ ontslag vragen. ¶ 骸骨を賜ふ ontslag verkrijgen.

kou乞ふ、請ふ

(乞う、請う) t.w. vragen; verzoeken; bidden. ¶ を請ふ gast uitnoodigen. ¶ を請ふ ontslag vragen wegens hoogen leeftijd. ¶ 施を乞ふ bedelen. ¶ 人に物を乞ふ van iemand iets vragen. ¶ 助命を乞ふ om genade vragen. ¶ 貴答を乞ふ verzoeke beleefd om antwoord.

kozotte擧つて

(挙って) bw. allen tezamen; allemaal. ¶ 擧つて辭職した allen namen hun ontslag.

kubi

zn. nek m.; hals m.; hoofd (頭) o. ¶ 德利の首 hals van een flesch. ¶ 手首 pols. ¶ 足首 enkel. ¶ 首を振る het hoofd schudden. ¶ 首を切る onthoofden. ¶ 首になる ontslagen worden. ¶ 首にする ontslaan.

kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

yushi諭旨

zn. officieele waarschuwing v.; advies om ontslag te nemen; (俗) boterbriefje o. ¶ 諭旨退學される aanzegging krijgen om van school af te gaan.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <ontslag>
お払い箱 oharaibako (1) ontslag; afdanking; (2) wegwerping; dumping
お暇 oitoma (1) afscheid; vertrek; vaarwel; terugkeer naar huis; thuiskeer; (2) ontslag; ontslagneming; ontslagname; resignatie; exit; uittreding; uitdiensttreding; ontheffing
men (1) ontslag; (2) vrijstelling; verlof; (3) vrijstelling van belasting; ontheffing; (a) ontloping; ontkoming; (b) vrijstelling; (c) vergunning; (d) ontslag
免じる menjiru (1) ontslaan (uit); ontheffen (van); ontlasten (van); ontslag; ontheffing verlenen; demissie geven; decharge verlenen; dechargeren; removeren; (2) vrijstellen (van); kwijtschelden; kwiteren; excuseren; dispenseren; vrijstelling; kwijtschelding; dispensatie verlenen
免除 menjo [jur.] vrijstelling; ontheffing; kwijtschelding; decharge; ontslag; dispensatie; ontlasting; exoneratie; immuniteit; vrijdom; exemptie
引退 intai (1) het zich terugtrekken uit het actieve; openbare leven; het met pensioen gaan; het ontslag nemen; ontslag; (2) het zich terugtrekken uit de wereld; afzondering; het zich afzonderen; teruggetrokken levensstijl; kluizenaarsbestaan
放免 hōmen (1) vrijlating; loslating; ontslag; [jur.] invrijheidstelling; (2) vrijstelling; dispensatie; ontslag; ontheffing; (3) [Jap.gesch.] ± schoutsknecht
itoma (1) vrije tijd; (2) vrijaf; vakantie; verlof; (3) ontslag; uitdiensttreding; ontheffing; (4) afscheid; vertrek; vaarwel; (5) scheiding; (6) kier; opening; (7) rouwretraite
暇;隙;閑 hima (1) vrijaf; vrij; vrije tijd; vrije uren; (2) tijd (om iets te doen); gelegenheid; kans; (3) vakantie; [i.h.b.] verlof; (4) verbreking; [i.h.b.] ontslag; [i.h.b.] scheiding; (5) slappe tijd; slapte [in handel]; komkommertijd [in nieuws]; (6) vrij; ~ waarin niet gearbeid wordt; arbeidsloos; (7) [m.b.t. handel] slap; slapjes; slepend; stil; [van markt] traag
罷免 himen ontslag; ontheffing; ontzetting; afzetting (uit een ambt); amotie
解除 kaijo (1) ontbinding; annulering; opzegging; [m.b.t. contract] vernietiging; herroeping; intrekking; (2) ontheffing; ontslag; opheffing; relevatie
解雇 kaiko ontslag; afvloeiing; afdanking; afstoting
辞令 jirei (1) formulering; uitdrukkingswijze; [i.h.b.] cliché; gemeenplaats; (2) stijlfiguur; uitdrukking; (3) benoemingsbrief of ontslagbrief; kennisgeving van benoeming; ontslag
辞任 jinin ontslag; aftreding; ontslagneming; ontslagname; het opstappen; resignatie; uittreding; bedanking; [w.g.] afscheid; [arch.] demissie
辞職 jishoku ontslag; aftreden; aftreding; uittreding; demissie; ontslagneming; resignatie; ambtsverlating
辞職願 jishokunegai ontslag; ontslagbrief; ontslagaanvraag; [Belg.N.] opzeg
辞表 jihyō ontslagbrief; ontslag; ontslagneming; aftreding; bedanking
退職 taishoku werkverlating; ambtsverlating; ontslag; [i.h.b.] pensionering; het met pensioen gaan
退陣 taijin (1) terugtocht; aftocht; terugtrekking; het opbreken (van een kamp); decampement; (2) aftreden; aftreding; ontslag; uittreding
釈放 shakuhō vrijlating; loslating; ontslag; [jur.] invrijheidstelling
首切り kubikiri (1) onthoofding; onthalzing; (2) beul; onthalzer; (3) ontslag; afdanking; de zak; de bons; (4) kort slagzwaard; beulszwaard
首;頸 kubi (1) hals; nek; (2) hoofd; (3) kraag; (4) hals van een fles; (5) ontslag
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.62 sec. jiten.nl: 12 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'ontslag'). 
2005-2026