日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘wankelen’
日蘭辭典 (trefwoord)
yoroyoro蹣跚

bw. waggelend; wankelend. ¶ 蹣跚する wankelen; waggelen; strompelen.

yoromeku蹣跚

i.w. wankelen; waggelen.

yorokeruよろける

i.w. wankelen.

ugokasu動かす

t.w. (1) [動かす] bewegen; in beweging brengen. (2) [移す] verplaatsen. (3) [搖り動かす] schommelen; schudden. (4) [運轉] aan den gang brengen. (5) [變更] veranderen; wijzigen. (6) [感動] roeren; treffen. ¶ 兵を動かす troepen mobiliseeren. ¶ 天下を動かす de wereld in beroering brengen. ¶ 決心を動かす besluit aan het wankelen brengen. ¶ 心の底まで動かす tot in het diepst van de ziel roeren.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <wankelen>
がたつく gatatsuku (1) kletteren; rammelen; ratelen; klepperen; kleppen; klateren; (2) sidderen; beven; rillen; huiveren; trillen; bibberen; (3) wiebelen; wankelen; gammel zijn; krakkemikkig; krikkemikkig zijn; wankelbaar zijn
ぐらつく guratsuku (1) [机が] wankelen; wiebelen; (2) [考えが] weifelen; slingeren; schommelen
たじたじとする tajitajitosuru wankelen; waggelen; onvaste stappen zetten; onzeker lopen; met onvaste pasjes lopen
ふらつく furatsuku (1) waggelen; wankelen; (2) weifelen; aarzelen; besluiteloos zijn; (3) slenteren; drentelen
動く ugoku (1) bewegen; zich bewegen; in beweging zijn; (2) van plaats veranderen; van positie veranderen; zich verplaatsen; (3) schommelen; wiegen; heen en weer bewegen; schudden; (4) [m.b.t. machine;toestel] lopen; aan staan; werken; in werking zijn; aangeschakeld zijn; functioneren; gaan; (5) handelen; doen; actief zijn; werken; bezig zijn; onledig zijn; in de weer zijn; in het getouw zijn; (6) beïnvloed worden; een invloed ondergaan; beheerst worden; wankelen; fluctueren; schommelen; (7) ontroerd zijn; geroerd zijn; onder de indruk zijn; getroffen zijn; geraakt zijn; geëmotioneerd zijn; (8) veranderen; veranderd worden; zich wijzigen; een wijziging ondergaan; (9) overgeplaatst worden [naar een andere positie;werkplaats]; een andere standplaats krijgen
動揺する dōyōsuru (1) schokken; horten; stoten; hobbelen; denderen; [m.b.t. schip] rollen; deinen; slingeren; schommelen; heen en weer; op en neer bewegen; wiebelen; beven; stampen; schudden; oscilleren; [niet alg.] daveren; (2) schommelen; fluctueren; (3) weifelen; dubben; wankelen; [fig.] walen; aarzelen; heen en weer geslingerd worden; in dubio staan; (4) huiveren; in beroering zijn; geagiteerd; woelig; roerig zijn; geschokt zijn; onrustig; rusteloos; ongerust; verontrust zijn; ontsteld; in de war; van streek; ontdaan; van de kook; van de wijs; uit z'n doen zijn
崩れる kuzureru (1) afbrokkelen; verbrokkelen; uit elkaar vallen; vervallen; afkalven; stukbreken; doorbreken; instorten; ineenstorten; invallen; ineenvallen; inzakken; ineenzakken; in elkaar zakken; het begeven; bezwijken; het niet houden; te gronde gaan; [腫物が] doorbreken; openbreken; [核が] collaberen; (2) [人垣が] uiteengaan; uiteenvallen; zich ontbinden; [陣形が] uit het gelid gaan; in de war raken; in wanorde raken; z'n vorm verliezen; uit vorm raken; [軍隊が] uiteengeslagen worden; [姿勢;態度が] verslappen; zich ontspannen; [信頼関係が] verstoord raken; [決心が] wankelen; [自制が] z'n beheersing verliezen; [同盟のー角が] destabiliseren; fragmenteren; (3) [天気が] omslaan; verslechteren; (4) [円札が] kleingemaakt kunnen worden; in pasmunt; tegen kleingeld ingewisseld kunnen worden; (5) [beurst.] [相場が] crashen; [値が] kelderen; ineenstorten; instorten
揺らぐ yuragu (1) trillen; beven; [枝が] zwaaien; [ろうそくの火が] flakkeren; flikkeren; (2) wankelen; onvast worden
揺れる yureru (1) beven; trillen; schudden; deinen; wiegen; wiebelen; [m.b.t. zeewier] golven; schokken; horten; [m.b.t. trein] hotsen; slingeren; schommelen; zwaaien; [m.b.t. schip] rollen; [m.b.t. schip] stampen; op en neer gaan; [m.b.t. kaarslicht] flakkeren; (2) wankelen; schudden [op zijn grondvesten]; in beroering zijn; in opschudding verkeren; in rep en roer zijn; (3) aan het wankelen raken; weifelen; onzeker zijn; in dubio staan
揺れ動く yureugoku (1) heen en weer bewegen; slingeren; wiegen; wiegelen; zwalken; [気持ちが] schommelen; wankelen; heen en weer gaan; jojoën; [ろうそくの炎が] flikkeren; flakkeren; (2) steeds veranderen; fluctueren; weifelen; onzeker zijn
泳ぐ;游ぐ oyogu (1) zwemmen; (2) wankelen; waggelen; (3) [fig.] het hoofd boven water houden; de eindjes aan elkaar kunnen knopen; zich taai houden; het maken; zich een weg banen [doorheen een mensenzee]
漂う tadayou (1) drijven; zweven; dobberen; (2) ronddrijven; rondzweven; ronddobberen; ronddwalen; ronddolen; rondhangen; rondwaren; rondzwerven; rondzwalken; op drift raken; (3) [香り;雰囲気が] hangen; (4) een onzeker bestaan hebben; (5) wankelen; onstabiel zijn; (6) terugdeinzen; terugschrikken
蹌踉めく yoromeku (1) wankelen; onvast gaan; waggelen; waggelbenen; onzeker lopen; strompelen; heen-en-weerzwenken; (2) het aanleggen met; zich inlaten met; vreemd gaan met; een verhouding beginnen met
躊躇う tamerau weifelen; aarzelen; dubben; in dubio staan; talmen; dralen; treuzelen; schromen; [fig.] wankelen; [fig.] walen; [veroud.] toeven
躊躇する chūchosuru aarzelen; weifelen; dubben; [fig.] wankelen; [fig.] walen; in dubio staan; tussen water en wind zijn; [gew.] dobberen; [gew] ruggelen; [gew.] stubbelen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.53 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'wankelen'). 
2005-2026