日蘭辭典+

21 resultaten voor ‘roeren’
日蘭辭典 (trefwoord)
mazekaesu雜返す
(混ぜ返す, 雑ぜ返す) t.w. (1) [かき混ぜる] roeren. (2) [嘲弄] verlegen maken; spotten. ¶ を雜返す iemand hoonend in de rede vallen.
ugokasu動かす

t.w. (1) [動かす] bewegen; in beweging brengen. (2) [移す] verplaatsen. (3) [搖り動かす] schommelen; schudden. (4) [運轉] aan den gang brengen. (5) [變更] veranderen; wijzigen. (6) [感動] roeren; treffen. ¶ 兵を動かす troepen mobiliseeren. ¶ 天下を動かす de wereld in beroering brengen. ¶ 決心を動かす besluit aan het wankelen brengen. ¶ 心の底まで動かす tot in het diepst van de ziel roeren.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <roeren>
ほろりとさせる hororitosaseru (1) ontroeren; roeren; raken; aangrijpen; op het gemoed werken; treffen; (2) aandoenlijk; ontroerend; roerend; treffend; touchant; aangrijpend
交ぜる;雑ぜる mazeru (1) vermengen; mengen; dooreenmengen; samenmengen; door elkaar werken; roeren; omroeren; doorroeren; larderen met; doorspekken met; (2) opnemen in; betrekken in; laten meedoen met; begrijpen in
動かす ugokasu (1) in beweging brengen; doen bewegen; bewegen; aandrijven; drijven; (2) verplaatsen; verzetten; de positie van iets veranderen; elders; anders zetten; (3) doen schommelen; schommelen; schudden; (4) rijden; [een voertuig] besturen; [een machine;toestel] doen functioneren; bedienen; laten draaien; laten werken; aan de gang brengen; aan de praat brengen; (5) [een leger;troepen;mankracht] mobiliseren; inzetbaar maken; voor actie klaarmaken; (6) veranderen; wijzigen; [binnen een bedrijf personeel] herschikken; (7) ontkennen; (8) [心を] roeren; ontroeren; treffen; in beroering brengen; in het gemoed treffen; aangrijpen; aanpakken; tot het gemoed spreken; invloed hebben op; aandoen; beïnvloeden; prikkelen
叩く;敲く tataku (1) slaan; kloppen; meppen; [軽く] tikken; aantikken; [激しく] bonzen; beuken; hameren; [どんと] bonken; [手を] klappen; [ごつんと] stompen; [口を] roeren; [i.h.b.] bekloppen; [i.h.b.] aankloppen; [ピアノの鍵を] aanslaan; (2) aanvallen; attaqueren; bekritiseren; hekelen; de volle laag geven; de wind van voren geven; onder vuur nemen; ervan langs geven; (3) bestoken; aanvallen; (4) [意見を] polsen; peilen; (5) [肉を] fijnsnijden; hakken; (6) [値段を] drukken; doen zakken; naar beneden brengen; reduceren; afpingelen; beknibbelen
届く todoku (1) bereiken; aankomen; arriveren; terechtkomen; (2) bereiken; komen bij; halen; reiken tot; dragen tot; zich uitstrekken tot; raken; geraken tot; (3) overkomen; aanslaan; overslaan; gehoor vinden; raken; roeren; treffen; (4) (tot in de puntjes) zijn weg vinden tot
打ち鳴らす uchinarasu slaand geluid doen geven; slaan; roeren; aanslaan; trommelen
打つ utsu (1) slaan; een slag geven; kloppen; beuken; botsen; [タイプライターを] tikken; typen; aanslaan; (2) [een klok] luiden; [een uurwerk] slaan; (3) roeren; ontroeren; beroeren; indruk maken; raken; (4) [een nagel] indrijven; (5) besprenkelen; besproeien; bewateren; (6) een vlecht maken; vlechten; (7) [een spel] spelen; (8) [land] bebouwen; ploegen; (9) [een zwaard e.d.] smeden; (10) [een net;vangnet] werpen; [een net;vangnet] gooien; (11) [een telegram] sturen
払う;掃う harau (1) verwijderen; wegdoen; opruimen; wegnemen; wegruimen; vrijmaken; ontruimen; (uit de weg) ruimen; weghalen; wegvegen; vegen; wissen; [een telraam] terugzetten op nul; zuiveren (van); [tranen enz.] afvegen; ontdoen van; [tuinb.] dieven; [tuinb.] afsnoeien; afhelpen van; verdrijven; verjagen; [een kwaal enz.] boeten; (2) [een zwaard e.d.] zwaaien; maaien; [i.h.b. iem. de voet] lichten; [een uithaal e.d.] afslaan; (3) betalen; neertellen; neerleggen; delgen; kwijten; contenteren; [een schuld] afdoen; [een schuld] afkomen; [een schuld] honoreren; [inform.] dokken; vereffenen; over de brug komen; overkomen; [m.b.t. rekening] gladmaken; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen; (4) [eer] betuigen; [eer] bewijzen; [eerbied] betonen; zich [inspanningen] getroosten; zich [moeite] geven; (5) van de hand doen; verkopen; (6) [~に注意を] acht slaan op; aandacht besteden aan; aandacht schenken aan; letten op; opletten; bij de les blijven; achten; acht geven; oppassen
捏ね回す konemawasu (1) kneden; dooreenkneden; door elkaar mengen; roeren; [道が] modderig; slijkerig zijn; (2) [理屈を] bomen over; een boom; boompje opzetten; drukken; redekavelen; lang en breed beargumenteren
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
掻き回す kakimawasu (1) omroeren; roeren; oproeren; [卵を] klutsen; kloppen; [火を] rakelen; [gew.] reukelen; oppoken; opporren; (2) omwoelen; doorwoelen; doorwroeten; overhoophalen; door elkaar halen; omhalen; omverhalen; binnenste buiten keren; in de war maken; rommelen; scharrelen
攪拌する kakuhansuru [cul.] roeren; doorroeren; omroeren; mixen; mengen; [卵を] klutsen; kloppen; opkloppen; stijf slaan
支払う shiharau betalen; neertellen; neerleggen; voldoen; vereffenen; contenteren; [m.b.t. rekening] gladmaken; [m.b.t. rekening] afrekenen; [inform.] dokken; [inform.] offeren; [fig.;scherts.;inform.] afschuiven; [i.h.b.] afbetalen; [i.h.b.;inform.] afdokken; [m.b.t. een wissel] rembourseren; [m.b.t. een schuld] terugbetalen; [m.b.t. een schuld;obligaties] aflossen; [m.b.t. een schuld] honoreren; [m.b.t. een schuld] delgen; [m.b.t. een schuld] kwijten; [m.b.t. een schuld] afdoen; [m.b.t. een schuld] afkomen; [m.b.t. rente] vergoeden; [m.b.t. loon] uitbetalen; uitkeren; [fig.] uittellen; [m.b.t. kosten] dragen; bekostigen; [uitdr.] voor zijn rekening nemen; [uitdr.] over de brug komen; [uitdr.] zijn beurs; portemonnee trekken; [fig.] overkomen; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen
混ぜる;まぜる mazeru (1) vermengen; mengen; dooreenmengen; samenmengen; roeren; mixen; [ペンキを] aanmaken; omroeren; doorroeren; door elkaar werken; mêleren; larderen met; doorspekken met; [i.h.b.] aanlengen met; (2) opnemen in; betrekken in; laten meedoen met; begrijpen in
混ぜ合せる mazeawaseru dooreenmengen; dooreenroeren; samenmengen; samenroeren; door elkaar mengen; roeren; werken; vermengen; aanmengen; mêleren; poespassen; [gew.] muieren
訴える uttaeru (1) [jur.] iem. voor de rechter dagen; iem. voor de rechtbank slepen; een proces; geding tegen iem. aanspannen; een zaak tegen iem. aanhangig maken; een zaak aan de rechter voorleggen; een zaak in de handen van justitie geven; er een zaak van maken; een procedure tegen iem. aanspannen; iem. een proces aandoen; tegen iem. een proces beginnen; iem. voor het gerecht brengen; dagen; iem. in rechte vervolgen; aanspreken; in rechte optreden tegen; gerechtelijke stappen ondernemen; naar de rechter gaan; stappen; gaan procederen; litigeren; zich partij stellen; een eis; (rechts)vervolging; (rechts)vordering instellen tegen; ageren tegen; (2) [jur.] een klacht; aanklacht indienen tegen; aanklagen; beschuldigen; een beschuldiging uitspreken; reclameren; zich beklagen over; zijn beklag doen; indienen over; [ook m.b.t. pijn] klagen over; een zaak aankaarten; ter tafel brengen; te berde brengen bij; onder de aandacht brengen van; (3) een beroep doen op; een appel doen aan; appelleren aan; bepleiten; eisen; vragen; verzoeken; oproepen tot; (4) zijn toevlucht nemen tot; overgaan tot; inroepen; aanwenden; een beroep doen op; (5) werken op; aangrijpen; appelleren aan; roeren; treffen; een gevoelige snaar raken
鳴らす narasu (1) laten klinken; (laten) luiden; laten horen; laten weerklinken; [m.b.t. trompet;fluitje e.d.] blazen op; bespelen; spelen op; toeteren op; laten schallen; laten galmen; doen schetteren; kletteren met; [m.n. een sirene] doen loeien; [de trompet;klaroen enz.] steken; [m.n. de trommel] roeren; slaan; [m.b.t. bel] rinkelen met; doen rinkelen; doen tingelen; doen klingelen; [m.b.t. klok] kleppen; doen beieren; [m.b.t. glazen] klinken met; [m.n. vingers] laten kraken; [m.n. zweep] laten knallen; [met z'n vingers] knippen; [in de handen;met een zweep enz.] klappen; [met de lippen] smakken; [met de tong enz.] klakken; [de oren] doen tuiten; [m.b.t. blaren enz.] doen ruisen; doen suizen; (2) zich beroemd maken; zich bekend maken; naam maken; (3) uiten; uitspreken; uiting geven aan; ventileren; luchten
鼓す kosu (1) [muz.] roffelen; [gew.] roefelen; slaan (op); roeren; (2) [勇気を] verzamelen; bij elkaar rapen; scheppen; vatten; zich vermannen
鼓する kosuru (1) [muz.] roffelen; [gew.] roefelen; slaan (op); roeren; (2) [勇気を] verzamelen; bij elkaar rapen; scheppen; vatten; zich vermannen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.3 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'roeren'). 
2005-2026