RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gang>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
アイル airu (1) zijbeuk; beuk; (2) gang; gangpad; loop; looppad; doorgang; doorloop
ギャング gyangu (1) gangster; (2) gang; bende
コース koosu (1) route; reisweg; vaarweg; koers; (2) koers; beleid; politiek; policy; (3) volgorde; rangorde; orde; rangschikking; (4) [sportt.] baan; piste; (5) cursus; studiecursus; leergang; (6) gang; onderdeel van een maaltijd; onderdeel van een menu; (7) [maatwoord voor banen;pistes]
テンポ tenpo (1) tempo; vaart; tijdmaat; gang; snelheid; tred; pace; (2) [muz.] tempo
ペース peesu (1) tempo; gang; tred; pace; snelheid; (2) Romeinse voet; pes
一味 ichimi (1) bende; gang; kliek; coterie; troep; stelletje; zootje; (2) één smaak; (3) [Chin.geneesk.] één geneesmiddel; (4) [boeddh.] ekarasa [= gelijkheid van Boeddha's leer]
一品 ippin (1) [hand.] één artikel; product; één stuk koopwaar; handelswaar; (2) [cul.] één gerecht; schotel; gang; (3) het fijnste; lekkerste; beste; het neusje van de zalm
上京 joukyou gang; komst; overkomst; reis; afreis naar Tokio; trek; vertrek naar de hoofdstad
仲間;中間 nakama (1) maat; partner; metgezel; genoot; makker; kameraad; gezel; compeer; compagnon; collega; deelgenoot; vriend; medestander; [inform.] kornuit; [fig.] gildebroeder; [fig.] medespeler; (2) gezelschap; compagnonschap; confrérie; groep; coterie; incrowd; bende; kring; club; consorten; stelletje; gang; [fig.] gilde; [inform.] kliek; (3) soortgenoot; slag
工程 koutei arbeidsproces; werkproces; procédé; proces; gang; verloop van het werk
廊 rou (1) passage; doorgang; gang; corridor; doorloop; (a) passage; corridor
廊下 rouka gang; corridor; gangetje; doorgang; doorloop; traverse
成行き nariyuki (1) loop; gang; verloop; beloop; ontwikkelingen; (2) [beurst.] markt
推移 suii (1) het verstrijken (van de tijd); tijdsverloop; verloop; loop; ontwikkeling; gang; beloop; (2) overgang; verandering; verschuiving; kentering; transitie
族 yakara (1) geslacht; clan; familie; [Barg.;volkst.] troep; (2) kliek; clique; coterie; partij; bende; gang; [pej.] zootje; stelletje
暴力団 bouryokudan gang; bende; boevenbende; gangsterbende; gewelddadige organisatie; groep; [i.h.b.] misdaadsyndicaat
歩き aruki (1) het gaan; lopen; gang; [~で] te voet; (2) loopjongen; bezorger
歩き振り arukiburi manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
歩き方 arukikata manier van lopen; gang; pas; loop; stap; tred; schrede
歩み ayumi (1) het wandelen; het gaan; gang; (2) tempo; tred; pace; ritme; (3) ontwikkelingsgang; loop; verloop; [i.h.b.] geschiedenis; [Belg.N.] historiek
歩行 hokou het wandelen; wandel; het gaan; gang; gaans; het lopen; loop
歩調 hochou pas; gang; tred; maat; wandeltempo; tempo
歩 ho (1) stap; pas; schrede; [lit.t.] schred; tred; trede; (2) gang; loop; wandel; [i.h.b.] vooruitgang; stap vooruit; vordering; (3) infanterie; voetvolk [afkorting van hohei 歩兵]; (4) [kwantor om het aantal stappen;passen;schreden enz. te tellen]
洋行 youkou (1) tocht; overtocht; gang; reis naar het Westen; (2) [in China] door buitenlanders gerunde winkel; zaak
流れ nagare (1) stroom; verloop; vloed; gang; sliert; (2) stroming; school; afstamming; afkomst; (3) afterpartygangers; (4) zwerftocht; omzwerving; dwaaltocht; peregrinatie; (5) afgelasting; annulering; (6) verbeuring; verbeurdverklaring; verval; (7) helling; schuining
皿 sara (1) bord; schotel; schaal; bordje; schoteltje; schaaltje; [Belg.N.] ondertas; [verzameln.] tafelgerei; [verzameln.] tafelgerief; (2) gerecht; schotel; portie; gang; maaltijd; (3) [boeddh.] metalen bord; bekken; (4) schaal van een weegschaal; (5) [膝の] knieschijf; (6) [頭の] hersenpan; (7) sara [= 108e van de 214 Kāngxī-radicalen]; (8) [maatwoord voor schotels;gangen;porties]
行き帰り ikikaeri (1) het heen en teruggaan; het gaan en komen; gang; tocht; reis van en naar; (2) retourbiljet; retour; retourtje
行き帰り yukikaeri (1) het heen en teruggaan; het gaan en komen; gang; tocht; reis van en naar; (2) retourbiljet; retour; retourtje
行き;往き;行;往 yuki (1) vertrek; afvaart; afreis; heenreis; heenrit; heenvlucht; heenweg; (2) reis; tocht; trek; trip; koers; vaart; gang; loop; beloop; het stevenen; het tijgen; het zich begeven; het heengaan; (3) heenreisbiljet; kaartje enkele reis; enkeltje; (4) met bestemming ~; naar ~
行 kou (1) het gaan; gang; tocht; reis; toer; (2) [Chin.gesch.] winkelwijk; handelswijk (in Suí; Táng-China); (3) [Chin.gesch.] ambachtsgilde; gilde; gild (in Táng-China); (4) [Chin.gesch.] xíng; ballade [= klassiek Chinees episch dichtstuk]; (a) gaan; (b) reis; toeren; (c) uitvoeren; daad; handeling; (d) winkel; handel; [i.h.b.] bank
調子 choushi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
足下 ashimoto (1) [meton.] voet; plek waar iem. staat; loopt; wat voor de voeten ligt; (2) onderbeen; (3) iems. onmiddellijke omgeving; iems. toestand; iems. situatie; (4) manier van lopen; gang; tred; (5) kwetsbare punt; zwakke plek; (6) vaste voet; basis; steun; (7) onderbouw van een huis; grondslag; (8) recent; nabij; (9) [ton.] schoeisel; voetbekleding; (10) [ton.] voetlicht; (11) [landb.] graan dat bij het dorsen voor de voeten valt; (12) [Jap.bouwk.] decoratieve dakpan onderaan aan weerszijden van de onigawara 鬼瓦
足並み ashinami (1) pas; gang; stap; tred; maat; wandeltempo; (2) eendracht; eensgezindheid; eenstemmigheid; gelijkgestemdheid
足付き ashitsuki (1) tred; manier van lopen; gang; pas; (2) meubel op poten; (3) kosten; geld; centen
足取り ashidori (1) manier van lopen; gang; pas; tred; (2) [sumō-jargon] beengreep [het onderuithalen of uit de ring stoten van de tegenstander na vastgrijpen van diens been]; (3) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (4) traject; proces; vorderingen; evolutie; ontwikkeling; (5) [econ.] trend; tendens; koersbeweging; activiteit; conjunctuur; stemming; markt; (6) [econ.] koersgrafiek; chart; (7) [shamisen-muz.] tempoverandering in het midden van een stuk
足 ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊;蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨;雲;風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
通路 tsuuro passage; doorgang; weg; pad; verbindingsgang; gang; corridor; doorloop; loop; looppad; [i.h.b.] gangpad; [bouwkunst] beuk
速力 sokuryoku snelheid; vaart; gang
速度 sokudo snelheid; vaart; gang; tempo
運転 unten (1) [自動車の] het besturen; besturing; het autorijden; het rijden; (2) [機械の] het bedienen; bediening; het doen draaien; het draaiende houden; het laten werken; werking; bedrijf; beweging; gang
道;路;途;径 michi (1) weg; baan; route; straat; (2) reis; reisroute; koers; tocht; (3) zeden; juist gedrag; ware pad; pad der deugd; plicht; gerechtigheid; (4) leer; juiste weg [van het boeddhistische geloof enz.]; (5) methode; middel; stap; uitweg; manier; kunst; (6) onderwerp; materie; terrein; branche; vakgebied; (7) loop; gang; proces
首尾 shubi (1) begin en einde; aanhef en slot; (2) ontwikkeling; gang; verloop; [i.h.b.] uitkomst; resultaat; (3) gelegenheid; (4) [Jap. letterk.] zestien-; twaalfdelig kettingvers