RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <treffen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ぶつかる butsukaru (1) botsen (tegen; op); lopen (tegen); aanstoten; aanlopen (tegen); aanrijden; bonzen (tegen ~ aan); [golven enz.] beuken tegen; slaan (tegen); vallen tegen; knallen tegen; opknallen tegen; collideren; treffen; rammen; neerkomen op; aankomen tegen; (2) stoten op; stuiten op; tegen het lijf lopen; aantreffen; tegenkomen; komen op; vinden; ontmoeten; (3) vallen op; samenvallen; samenkomen; (4) trotseren; het hoofd bieden; tegemoet treden; onder ogen zien; (5) in aanvaring komen met; in botsing komen met; in conflict komen met; indruisen tegen; slaags raken met
ほろりとさせる hororitosaseru (1) ontroeren; roeren; raken; aangrijpen; op het gemoed werken; treffen; (2) aandoenlijk; ontroerend; roerend; treffend; touchant; aangrijpend
バトル batoru (1) slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; (2) Battle
ミーティング miitingu meeting; vergadering; bijeenkomst; samenkomst; ontmoeting; treffen
一戦 issen (1) [mil.] een slag; veldslag; strijd; gevecht; treffen; krachtmeting; (2) [sportt.] een wedstrijd; match; game; partij; ontmoeting; kamp
事変 jihen (1) voorval; drama; incident; (2) omslag; wende; omwenteling; ommekeer; (3) opschudding; beroering; oproer; rellen; onlusten; opstootjes; troebelen; [veroud.] beroerten; (4) schermutseling; treffen; [veroud.] schutgevaart; schutgevaarte
会う au ontmoeten; zien; treffen; [突然~] aantreffen; stoten op; tegen het lijf lopen
会戦 kaisen slag; strijd; gevecht; treffen; vijandelijke ontmoeting; rencontre; vijandelijkheden; schermutseling
偶然見付ける guuzenmitsukeru bij toeval ontdekken; aantreffen; stoten op; stuiten op; treffen; tegen het lijf lopen; aanlopen tegen; bij toeval vinden; toevallig ontmoeten; tegenkomen; toevallig tegenaan lopen
冒す okasu (1) trotseren; tarten; uitdagen; het hoofd bieden; braveren; [危険を] lopen; riskeren; wagen; op het spel zetten; in de waagschaal stellen; (2) [geneesk.] aantasten; schaden; treffen; (3) schenden; ontheiligen; profaneren; ontwijden; desacraliseren; violeren; afbreuk doen aan; lasteren; [veroud.;lit.t.] schennen; (4) [姓を] aannemen; voeren; dragen; [i.h.b.] claimen; usurperen; zich aanmatigen; zich uitgeven voor
出くわす dekuwasu stoten op; tegen het lijf lopen; toevallig ontmoeten; tegenkomen; treffen; aantreffen; iems. pad kruisen
出合い;出会い;出逢い;出遭い deai (1) toevallige ontmoeting; treffen; kennismaking; (2) eerste ontmoeting; (3) rendez-vous; (geheim) afspraakje; (4) koopovereenkomst; akkoord; (5) samenvloeiing; confluentie
動かす ugokasu (1) in beweging brengen; doen bewegen; bewegen; aandrijven; drijven; (2) verplaatsen; verzetten; de positie van iets veranderen; elders; anders zetten; (3) doen schommelen; schommelen; schudden; (4) rijden; [een voertuig] besturen; [een machine;toestel] doen functioneren; bedienen; laten draaien; laten werken; aan de gang brengen; aan de praat brengen; (5) [een leger;troepen;mankracht] mobiliseren; inzetbaar maken; voor actie klaarmaken; (6) veranderen; wijzigen; [binnen een bedrijf personeel] herschikken; (7) ontkennen; (8) [心を] roeren; ontroeren; treffen; in beroering brengen; in het gemoed treffen; aangrijpen; aanpakken; tot het gemoed spreken; invloed hebben op; aandoen; beïnvloeden; prikkelen
参集 sanshuu samenkomst; bijeenkomst; vergadering; treffen; verzameling; [fig.] samenstroming; samenscholing
及ぶ oyobu (1) reiken; bereiken; leiden tot; voeren; zich uitstrekken; belopen; oplopen tot; bedragen; (2) treffen; overkomen; betrekking hebben op; raken; aangaan; betreffen; gelden; (3) opwegen tegen; opgewassen zijn tegen; kunnen tippen aan; van hetzelfde kaliber zijn als; niet onderdoen voor; het halen bij; (4) in staat zijn tot; berekend zijn voor; beantwoorden aan
命中する meichuusuru raak zijn; in de roos zitten; treffen; aankomen; inslaan
寄り yori (1) bijeenkomst; vergadering; samenkomst; treffen; verzameling; opkomst; (2) [m.b.t. puist;huiduitslag enz.] het zich op één plek voordoen; (3) [sumō-jargon] techniek waarbij men de tegenstander wegduwt terwijl men diens band vasthoudt; (4) (uit) ~ richting; neigend tot ~
寄り合い yoriai (1) bijeenkomst; vergadering; samenkomst; meeting; treffen; kransje; groep; (2) [Kamakura-periode] raadsvergadering; raad; assemblee [= hoogste besluitvormingsorgaan]; (3) [Jap.late middeleeuwen] gemeentevergadering; volksvergadering; (4) [Edo-periode] ambteloze baanderheer; (5) associatiewoord in een kettingvers
対戦 taisen (1) confrontatie; treffen; het ten strijde trekken tegen; het oorlog; krijg; strijd voeren tegen; het strijden tegen; (2) [sportt.] het spelen tegen; het wedijveren met
対戦する taisensuru (1) het opnemen tegen; ten strijde trekken tegen; strijden tegen; treffen; oorlog; krijg; strijd voeren tegen; (2) [sportt.] spelen tegen; wedijveren met; een wedstrijd aangaan met
対決 taiketsu confrontatie; treffen; krachtmeting
対面 taimen ontmoeting; treffen; confrontatie
射る iru (1) [矢を] afschieten; schieten; (2) [鳥を] neerschieten; schieten; (3) [的を] schieten op; treffen; raken
届く todoku (1) bereiken; aankomen; arriveren; terechtkomen; (2) bereiken; komen bij; halen; reiken tot; dragen tot; zich uitstrekken tot; raken; geraken tot; (3) overkomen; aanslaan; overslaan; gehoor vinden; raken; roeren; treffen; (4) (tot in de puntjes) zijn weg vinden tot
当たる ataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に〜] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光;雨;風が〜] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで〜] prijs hebben; in de prijzen vallen; [ー等に〜] winnen; (6) [予測が〜] uitkomen; kloppen; (7) [批判が〜] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は〜] een succes zijn; (9) [果物が〜] goed vrucht dragen; (10) [ふぐに〜] vergiftigd raken; (11) [敵に〜] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) [日曜日に〜] vallen op; overeenkomen met; [百円に〜] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に〜] liggen; (13) [難局に〜] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) [辞書;出典に〜] raadplegen; naslaan; [本人に〜] aftoetsen; (16) [課題が〜] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) [任に〜] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) [mahjong] promoveren; (20) [胡麻を〜] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) [ひげを〜] scheren; (22) [魚が〜] in het aas bijten; aanbijten
当てる ateru (1) [がーぜを] aanbrengen; [体温計を] aanleggen; zetten; leggen; opleggen; houden aan; tegen; plaatsen; drukken; (2) treffen; slaan tegen; inslaan in; raken; (3) raden; gokken op; oplossen; (4) winnen; succes behalen; boeken; het maken; z'n slag slaan; (5) blootstellen; in contact brengen met; onderwerpen aan; (6) gaan zitten op; plaatsnemen op; (7) [生徒に] het woord geven aan; de beurt geven; om antwoord vragen
戦い;闘い;戦;闘 tatakai (1) strijd; gevecht; vechtpartij; kamp; oorlog; treffen; worsteling; bestrijding; (2) slag; veldslag; (3) competitie; wedstrijd; match; partij; [i.h.b.] duel
戦 ikusa (1) oorlog; slag; strijd; treffen; gevecht; gevechtsactie; actie; gevechtshandeling; vijandelijkheid; [arch.] krijg; (2) soldaat; krijgsman; krijger; [verzameln.] leger; troepen; (3) het boogschieten; boogschieterij
手配する tehaisuru (1) een regeling treffen; maatregelen nemen; treffen; voorzieningen treffen; stappen ondernemen; doen; voorzorgen nemen; voorbereidingen treffen; schikkingen treffen; toebereidselen maken; zich voorbereiden; (2) opsporen; op de gezochtenlijst zetten
打ち込む uchikomu (1) drijven in; indrijven; aandrijven; slaan in; inslaan; aanslaan; heien in; inheien; hameren in; inhameren; [fig.] prenten in; [fig.] inprenten; [m.b.t. beton] storten in; [m.b.t. data] invoeren; stoppen in; intikken; intypen; (2) opgaan in; zich er geheel aan wijden; zich met hart en ziel toeleggen op; zich overgeven aan; zich geven aan; dwepen met; [m.b.t. liefde] vallen op; voor; zwaar verliefd worden op; smoor; stapel; verzot; gek; dol zijn op; weg zijn van; (3) slaand doen komen in; [sportt.] smashen in; [w.g.] inschieten; [mil.] vuren (in; op); [mil.] schieten in; [m.b.t. kogel] jagen in; [meton.] (lood) pompen in; (4) [m.b.t. kendo] (onverhoeds) aanvallen; treffen; (5) [m.b.t. go] z'n schijf binnen de formatie van de tegenspeler plaatsen; terrein van de tegenspeler invallen; (6) [honkb.] een werper uitschakelen; vele hits scoren
抉る eguru (1) uithollen; uitdiepen; uitboren; boren; uitgutsen; uitsteken; (2) [心を] aangrijpen; aanpakken; ten zeerste raken; treffen; grieven; op z'n ziel trappen; (3) aan het licht brengen; uitbrengen; onthullen; blootleggen; uitvorsen; tot op de bodem uitspitten
折衷する;折中する setchuusuru een compromis aangaan; treffen; kruisen
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
施す hodokosu (1) geven; verlenen; [恩恵を] bewijzen; [注釈を] voorzien van; [面目を] aandoen; (2) uitvoeren; doen; [手段を] aanwenden; [策を] (onder)nemen; treffen; [洗礼を] toedienen
染みる;沁みる;浸みる shimiru (1) doordringen; doortrekken; doordrenken; (2) [m.b.t. wind;kou] steken; scherp zijn; bijten; prikken; pieken; snerpen; pijn doen; (3) indruk maken op; ontroeren; treffen; pakken; aangrijpen; (4) [悪習に〜] gestijfd worden in; onder invloed komen van; (5) [身に〜] in gedachten verzinken
染む shimu (1) doordringen; doortrekken; doordrenken; (2) [m.b.t. wind;kou] steken; bijten; prikken; pijn doen; (3) indruk maken op; ontroeren; treffen; pakken; aangrijpen; (4) [悪習に] gestijfd worden in; onder invloed komen van
波及する hakyuusuru zich verbreiden; zich uitbreiden; uitdeinen; uitgolven; uitslaan; invloed hebben; uitoefenen op; treffen; weerslag hebben op; [Belg.N.] uitbreiding nemen naar
琴線 kinsen (1) kotosnaar; snaar van een Japanse harp; citer; (2) [fig.] snaar; gevoelssnaar; iems. gevoel; gemoed; (3) [~に触れる] weerklank vinden; ontroeren; aangrijpen; treffen; emotioneren; op het gevoel; gemoed werken; aan de gevoelens appelleren
着弾する chakudansuru inslaan; belanden; terechtkomen; treffen
突く;衝く;撞く tsuku (1) steken; prikken; priemen; spietsen; (2) porren; poken; stompen; aanstoten; duwen; [inform.] douwen; stoten; rammen; [m.b.t. hoornvee] nijten; een stoot; por; zet; tik; klopje geven; [m.b.t. zegel] drukken; [m.b.t. bal] tikken; [m.b.t. biljartbal] stoten; [een pluimpje;klok enz.] slaan; [i.c.m. 溜め息を] slaken; [i.c.m. 溜め息を] lozen; (3) zetten; plaatsen; planten; [krukken enz.] gebruiken; [op de knieën] vallen [m.b.t. dunne;langwerpige voorwerpen die als steun geplaatst worden]; (4) aanvallen; belagen; [de geringste redeneerfout enz.] aangrijpen; [iets in zijn achilleshiel enz.] treffen; [iem. in zijn zwak enz.] tasten; [op de kern van de zaak enz.] slaan; (5) [alle weer;de elementen enz.] trotseren; het hoofd bieden; braveren; tarten; (6) [de neus enz.] prikkelen; [m.b.t. stank enz.: in de neus] slaan; snerpen (in); [door de ziel enz.] snijden; [iem. in zijn hart enz.] raken; treffen; diep schokken
答える;応える;報える kotaeru (1) antwoorden; beantwoorden; een antwoord geven op; ten antwoord geven; repliceren; een repliek geven; (2) reageren op; reactie vertonen op; weerwerk geven; (3) oplossen; een oplossing vinden voor; eruit komen; berekenen; (4) belonen; vergelden; vergoeden; als loon geven voor; voldoening geven voor; een wederdienst bewijzen; (5) effect hebben; effect ressorteren; invloed hebben op; beïnvloeden; aangrijpen; aanpakken; treffen; een sterke indruk op het gevoel nalaten; een sterke indruk op het gestel maken; moeilijk zijn; hard zijn
落ち合う ochiau (1) elkaar ontmoeten; treffen; elkaar rendez-vous geven; (2) samenstromen; samenvloeien; zich verenigen
行き会う;行き合う;行き逢う ikiau ontmoeten; tegenkomen; treffen; aanlopen tegen; tegen het lijf lopen; [gew.] trapperen
行き会う;行き合う;行き逢う yukiau ontmoeten; tegenkomen; treffen; aanlopen tegen; tegen het lijf lopen; [gew.] trapperen
行き当たる ikiataru (1) bereiken; raken in; terechtkomen in; uitkomen op; belanden in; treffen; aantreffen; vinden; (2) stoten op; stuiten op; lopen op; in botsing komen met; botsen tegen
見当たる miataru treffen; aantreffen; vinden; stoten op; te zien krijgen; onder ogen krijgen; bekennen; bespeuren
見掛ける mikakeru (1) aantreffen; tegenkomen; treffen; toevallig zien; opmerken; in het oog krijgen; (2) beginnen te zien; even zien; een glimp opvangen; beginnen te lezen; even lezen; (3) letten op; acht slaan op
訴える uttaeru (1) [jur.] iem. voor de rechter dagen; iem. voor de rechtbank slepen; een proces; geding tegen iem. aanspannen; een zaak tegen iem. aanhangig maken; een zaak aan de rechter voorleggen; een zaak in de handen van justitie geven; er een zaak van maken; een procedure tegen iem. aanspannen; iem. een proces aandoen; tegen iem. een proces beginnen; iem. voor het gerecht brengen; dagen; iem. in rechte vervolgen; aanspreken; in rechte optreden tegen; gerechtelijke stappen ondernemen; naar de rechter gaan; stappen; gaan procederen; litigeren; zich partij stellen; een eis; (rechts)vervolging; (rechts)vordering instellen tegen; ageren tegen; (2) [jur.] een klacht; aanklacht indienen tegen; aanklagen; beschuldigen; een beschuldiging uitspreken; reclameren; zich beklagen over; zijn beklag doen; indienen over; [ook m.b.t. pijn] klagen over; een zaak aankaarten; ter tafel brengen; te berde brengen bij; onder de aandacht brengen van; (3) een beroep doen op; een appel doen aan; appelleren aan; bepleiten; eisen; vragen; verzoeken; oproepen tot; (4) zijn toevlucht nemen tot; overgaan tot; inroepen; aanwenden; een beroep doen op; (5) werken op; aangrijpen; appelleren aan; roeren; treffen; een gevoelige snaar raken
試合;仕合 shiai (1) wedstrijd; partij; match; spel; potje; [sportt.] nummer; treffen; [i.h.b.] concours; toernooi; (2) [fig.] strijd; worsteling; gevecht; (3) [maatwoord voor wedstrijden]
講じる koujiru (1) doceren; lesgeven; onderwijzen; [meton.] geven; (2) [詩歌を] voordragen; opzeggen; declameren; [meton.] brengen; (3) [手段を] nemen; treffen; ondernemen; (4) [和を] onderhandelen; bemiddelen
講ずる kouzuru (1) doceren; lesgeven; uitleggen; instrueren; onderrichten; (2) [手段;方法;対策を] uitdenken; bedenken; nemen; treffen; ondernemen; (3) [和を] vrede stichten; sluiten; (4) [詩歌を] voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [meton.] brengen
遭遇戦 souguusen [mil.] confrontatie; treffen; schermutseling
邂逅する kaikousuru toevallig; onverwachts ontmoeten; tegen het lijf lopen; aantreffen; treffen
降り掛かる furikakaru (1) vallen op; neervallen op; neerkomen op; terechtkomen op; belanden op; neerslaan op; (2) te beurt vallen; komen over; op; treffen; wedervaren; overkomen; gebeuren; (3) bedreigen; boven het hoofd hangen; ophanden zijn
際する saisuru tegenkomen; ontmoeten; treffen; stuiten
集い tsudoi bijeenkomst; samenkomst; samenzijn; treffen; ontmoeting
集会 shuukai bijeenkomst; samenzijn; bijeenzijn; samenkomst; verzameling; vergadering; treffen; rendez-vous; [i.h.b.] meeting
響く hibiku (1) klinken; luiden; galmen; doorklinken; schallen; opklinken; (2) naklinken; nagalmen; weerklinken; weergalmen; resoneren; (3) van zich doen spreken; (4) aan iemands gevoelens appelleren; werken op [het gemoed;de zenuwen enz.]; (5) wegen op; weerslag hebben op; weerklank vinden (bij); treffen; raken; invloed hebben op