
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
toki・時
zn. (1) [時間] tijd m.; uur o. (2) [瞬間] oogenblik m. (3) [時期] tijd m.; gelegenheid v. (4) [場合] geval o. (5) [時代] periode v.; tijdperk. (6) [季節] seizoen o. (7) [期限] termijn m.(8) [文法の] tijd m. ¶ 十の時 op tienjarigen leeftijd. ¶ 時に應じて al naar het uitkomt. ¶ 時に合ふ gelegenheid afwachten. ¶ 時を待つ tijd besteden. ¶ 時を誤らずに來る stipt op tijd komen. ¶ 時外れの ontijdig; ongelegen. ¶ 時の toenmalig; van dien tijd. ¶ 時に toen; als; wanneer. ¶ 丁度よい時に juist bij tijds. ¶ 私が子供の時に toen ik nog een kindwas; in mijn jeugd. ¶ 時には in geval van; gesteld, dat ...... ¶ 時としては soms; van tijd tottijd.
SUPPLEMENT (trefwoord)
zensō・禅僧
(禪僧) zn. Zen priester; Zen monnik ¶ 茶が日本に伝わったのは奈良時代である。禅僧によって抹茶が伝えられるは、鎌倉時代に入ってからであった。 Cha ga Nihon ni tsutawatta no wa Nara jidai de aru. Zensō ni yotte matcha ga tsutaerareru wa, Kamakura jidai ni haitta kara de atta. Het was in de Nara periode dat thee in Japan werd geïntroduceerd. De introductie van de groene (poeder) thee door een Zen priester vond plaats in de Kamakura periode. (BCWK) ¶ 室町時代の学問の担い手は主に禅僧や公家である。 Muromachi jidai no gakumon no ninaite wa omo ni zensō ya kuge de aru. In de Muromachi periode was geleerdheid min of meer beperkt tot Zen monniken en de hof aristocratie. (BCWK)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <periode>
その頃 sonokoro destijds; in die dagen; tijd; periode; op zekere dag; op dat ogenblik; moment; toen; dan; toentertijd; toenmaals
エポック epokku (1) tijdvak; tijdperk; periode; epoque; (2) keerpunt; mijlpaal; epoche
サイクル saikuru (1) cyclus; periode; omlooptijd; tijdkring; keten; (2) [elektr.] trilling; (3) fiets; rijwiel
シーズン shīzun seizoen; periode; tijd; [i.h.b.] hoogseizoen; [i.h.b.] drukke tijd; [i.h.b.] geschikte tijd
一定期間 itteikikan bepaalde tijd; termijn; periode
世 yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
刻み kizami (1) het snijden; hakken; kerven; slijpen; (2) kerf; insnijding; inkeping; keep; snede; (3) kerftabak; gekorven tabak; (4) [kabuki] ritmisch geklepper met klaphoutjes; (5) moment; periode; (6) klasse; rang; (7) interval; eenheid; segment
周期 shūki periode; cyclus
周波 shūha (1) [elektr.] cyclus; periode; (2) [elektr.] frequentie; periodetal; periodiciteit; trillingsgetal
年代 nendai (1) ouderdom; datering; datum [in de geschiedenis enz.]; jaartal; (2) periode; tijdvak; era; jaren [zeventig;tachtig enz.]; tijden; tijdperk; tijd; (3) generatie; jaargang
年間 nenkan (1) jaar; jaarkring; (2) [Meiji-;Shōwa- enz.] periode; jaren; tijd; era; tijdperk
戦時 senji oorlogstijd; periode; tijd van oorlog
時代 jidai (1) de tijden; tijd; (2) tijdperk; periode; eeuw; tijdvak; era; epoque; (3) oude tijden; (4) [maatwoord voor tijdperken;periodes]
時分 jibun (1) periode; tijd; (2) juist moment; geschikt ogenblik; opportuniteit; gelegenheid; kans
時期 jiki (1) tijd; periode; seizoen; (2) tijd; timing; moment
時;秋 toki (1) tijd; [arch.] stond; (2) tijd; periode; [i.h.b.] seizoen; (3) [in die] tijden; [in die] dagen; toenmalig; (4) allesbeslissend moment; kritiek punt; scharniermoment [spelling: toki 秋]; (5) kans; gunstige gelegenheid; gelegen tijd; (6) [spraakk.] tijd; tempus; (7) geval; keer; gelegenheid; moment; ogenblik; (8) toen; wanneer
月経 gekkei menstruatie; ongesteldheid; maandstonden; maandbloeding; maandvloed; regels; periode; menses; [geneesk.] menorroe; [euf.] emmetje; m’etje; [inform.;euf.] het goed; [veroud.] maandzuivering; [veroud.] maandelijkse zuivering; [volkst.] opoe; [gew.] bullen; [gew.] maanden; [vulg.] rommel; [vulg.] de rooie loop
期間 kikan periode; duur; termijn; tijdvak; tijdsverloop
期限 kigen periode; tijdslimiet; uiterste datum; deadline; uiterste termijn
期 ki (1) periode; (2) anticipatie; verwachting; (3) tijdperk; tijdvak; (4) tijdstip
生理 seiri (1) levensfuncties; (2) menstruatie; ongesteldheid; maandstonden; regels; periode
紀 ki (1) Ki; (a) regel; bepaling; (b) registreren; (c) jaar; tijdperk; (d) kroniek; (e) [geol.] periode; geologisch tijdperk; (f) Nihonshoki; (g) provincie Kii
過程 katei proces; periode; verloop; koers
長時間 chōjikan lange tijd; periode; vele uren
間 kan (1) periode; tijdspanne; gedurende ~; in ~; (2) tussen ~ en ~; van ~ tot ~
C shī (1) c; C [= derde letter van het alfabet]; (2) C; de derde rang; graad; klasse [= derde term in een indeling;rangorde]; (3) [nat.] de thermometerschaal van Celsius; C; (4) [chem.] koolstof; carbonium; C; (5) Romeins cijfer honderd; C; (6) [muz.] do; C; (7) [muz.] vierkwartsmaat; c; (8) centi-; c; (9) [elektr.] cyclus; periode; (10) [nat.] coulomb; ampèreseconde; C; (11) copyrightteken ©; (12) lichtsnelheid in vacuüm; 𝑐; (13) influenza C; griepvirus type C; (14) [taalk.] complement; bepaling; C; (15) [inform.] seks
Tijd: 1.28 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 26 treffers (zoekopdracht: 'periode').
2005-2026
