
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
hōfu・豐富
itasu・致す
t.w. (1) [行ふ] doen; verrichten. (2) [招來] te weeg brengen; veroorzaken. (3) [輸送] vervoeren; transporteeren. ¶ どう致しまして niet te danken. ¶ 失禮いたしました neem mij niet kwalijk. ¶ 力を致す een dienst bewijzen; zijn best doen voor. ¶ 命を致す zijn leven opofferen. ¶ 彼は自ら禍を致したのだ hij heeft het aan zichzelf te wijten; het is zijn eigen schuld. ¶ 富を致す rijkdom vergaren.
yūtai no・有體の
(有体の) bn. materieel; stoffelijk. ¶ 有體物 stoffelijk lichaam. ¶ 有體化する belichaamd worden; materialiseeren. ¶ 有體財產 stoffelijke goederen; materieele rijkdom.
SUPPLEMENT (trefwoord)
ifuku・威福
zn. Macht en rijkdom. Meer specifiek het aanwenden daarvan en middels de dwang van macht, overreding door autoriteit of de verlokking van fortuin, mensen laten gehoorzamen. ¶ 威福をほしいままにする ifuku wo hoshiimama ni suru (uitdr.) naar wens middels dwang of het aanwenden van rijkdom mensen laten gehoorzamen. ¶ …というものですから、家令が職権を悪用して威福を欲しいままにし、私腹を肥やすことに 注意なさらねばなりません。 ...to yū mono desu kara, karei ga shokken wo akuyōshite ifuku wo hoshiimama ni shi, shifuku wo koyasu koto ni chūi nasaraneba narimasen. Wegens het [vooraf] genoemde, dient men er attent op te zijn dat de rentmeester zichzelf zou [kunnen] verrijken door misbruik van zijn autoriteit en naar wens zijn macht en rijkdom aan te wenden (om zijn wil gedaan te krijgen).
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <rijkdom>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
宝;財;貨 takara (1) schat; [veroud.;lit.t.] trezoor; (2) schatten; rijkdom; overvloed; [i.h.b.] geld; [i.h.b.] centen; [i.h.b.;inform.] poen; [i.h.b.;inform.] pegulanten; (3) [fig.] schat; [fig.] sieraad; [fig.] juweel; deugd; iets onvervangbaars; kostbaarheid; kleinood; kostbaar stuk; voorwerp van waarde
富裕 fuyuu (1) rijkdom; overvloed; weelde; opulentie; (2) rijk; vermogend; kapitaalkrachtig; opulent; welgesteld; vermogend; gefortuneerd; bemiddeld; gegoed; [Belg.N.] begoed; goed bij kas; in goeden doen; (3) Fùyù
産 san (1) het baren; het bevallen; bevalling; baring; partus; verlossing; geboorte; [fig.] kraambed; (2) bakermat; geboorteplaats; origine; afkomst; afstamming; [fig.] wieg; (3) product; [m.b.t. personen] een geboren …; [fig.;m.b.t. personen] zoon; dochter van …; ingeborene van …; (4) fortuin; vermogen; rijkdom; bezit; middelen; (5) made in …; vervaardigd in …; afkomstig uit …; uit …; van … afkomst; van …; … van geboorte; geboortig van; uit; … van origine; van … bodem; (a) baren; een kind ter wereld brengen; (b) voortbrengen; product; (c) vermogen; bezit
裕福 yuufuku (1) overvloed; rijkdom; weelde; welvaart; (2) rijk; vermogend; welvoorzien; bemiddeld; welgesteld; welstandig; gezeten; gegoed; in bonis; à son aise; [Belg.N.] begoed; [Belg.N.] welstellend
豊富 houfu rijkdom; weelde; weelderigheid; overvloed; schat; weligheid; veelheid; opulentie; uberteit; copia; [〜に] te kust en te keur
豪華 gouka (1) weelde; luxe; rijkdom; overdaad; prachtlievendheid; pracht; luister; glans; praal; (2) weelderig; luxueus; overvloedig; overdadig; rijk; prachtig; prachtlievend; luisterrijk; glansrijk
財産 zaisan eigendom; bezitting; bezit; goed; fortuin; vermogen; rijkdom
財貨 zaika geld en goed; rijkdom; fortuin; vermogen
財 zai (1) bezit; vermogen; fortuin; rijkdom; (2) [econ.] goed; goederen; activa; (a) kostbaarheid; schat; (b) geld; vermogen
身代 shindai (1) vermogen; rijkdom; fortuin; bezit; eigendom; (2) leefomstandigheden; levensomstandigheden; levensonderhoud; bestaan; kostwinning; kost
Tijd: 1.67 sec. jiten.nl: 8 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'rijkdom').
2005-2026
