RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <fortuin>
世帯 setai (1) eigendom; vermogen; fortuin; bezit; (2) huishouding; (3) huishouden; gezin; (4) levensonderhoud; het zich behelpen; (5) gezinsvader; gezinsmoeder; (6) [scheepv.] kombuis; [veroud.] kabuis; kookplaats; scheepskeuken; (7) [maatwoord voor gezinnen;huishoudens]
仕合せ shiawase geluk; gelukkig toeval; fortuin; gunstige loop van omstandigheden
千金 senkin (1) duizend goudstukken; duizend ryō; (2) groot geldbedrag; fortuin
吉 kichi (1) geluk; bof; voorspoed; fortuin; mazzel; (a) gelukkig; voorspoedig; fortuinlijk
富 tomi rijkdom(men); weelde; fortuin
幸福 kōfuku (1) geluk; gelukzaligheid; welzijn; zegen; (2) fortuin; voorspoed; mazzel; geluk; (3) gelukkig; gelukzalig; zalig; gezegend; (4) fortuinlijk; door geluk begunstigd; voorspoedig
幸運 kōun (1) geluk; voorspoed; fortuin; fortuinlijkheid; mazzel; (2) gelukkig; voorspoedig; fortuinlijk; (3) gelukkig; gelukkigerwijs; bij geluk; door een gelukkige loop van de gebeurtenissen; op voorspoedige wijze; fortuinlijkerwijs; bij mazzel; goddank
数 sū (1) tal; getal; aantal; (2) lot; noodlot; fortuin; gang (van zaken); (3) enkele; een aantal; een paar; verscheidene; enige; verschillende; meerdere; ettelijke; diverse
産 san (1) het baren; het bevallen; bevalling; baring; partus; verlossing; geboorte; [fig.] kraambed; (2) bakermat; geboorteplaats; origine; afkomst; afstamming; [fig.] wieg; (3) product; [m.b.t. personen] een geboren …; [fig.;m.b.t. personen] zoon; dochter van …; ingeborene van …; (4) fortuin; vermogen; rijkdom; bezit; middelen; (5) made in …; vervaardigd in …; afkomstig uit …; uit …; van … afkomst; van …; … van geboorte; geboortig van; uit; … van origine; van … bodem; (a) baren; een kind ter wereld brengen; (b) voortbrengen; product; (c) vermogen; bezit
福 fuku geluk; fortuin; voorspoed
耳朶 mimitabu (1) oorlel; oorlap; (2) geluk; voorspoed; fortuin; mazzel
財産 zaisan eigendom; bezitting; bezit; goed; fortuin; vermogen; rijkdom
財貨 zaika geld en goed; rijkdom; fortuin; vermogen
財 zai (1) bezit; vermogen; fortuin; rijkdom; (2) [econ.] goed; goederen; activa; (a) kostbaarheid; schat; (b) geld; vermogen
身代 shindai (1) vermogen; rijkdom; fortuin; bezit; eigendom; (2) leefomstandigheden; levensomstandigheden; levensonderhoud; bestaan; kostwinning; kost
運 un (1) lot; toeval; (2) geluk; voorspoed; fortuin; (3) kans; gelegenheid
運勢 unsei fortuin; lot; geluk; lotsbeschikking; toekomst
運命 unmei lot; bestemming; noodlot; fatum; fortuin; lotsbeschikking; levenslot