日蘭辭典+

21 resultaten voor ‘zichzelf’
日蘭辭典 (trefwoord)
tandoku單獨
(単独) zn. onafhankelijkheid v. ¶ 單獨onafhankelijk; op zichzelf staand. ¶ 單獨で alleen; afzonderlijk; onafhankelijke; (俗) op eigen houtje. ¶ 單獨媾和 afzonderlijke vrede. ¶ 單獨海損 averij particulier.
itasu致す
t.w. (1) [行ふ] doen; verrichten. (2) [招來] te weeg brengen; veroorzaken. (3) [輸送] vervoeren; transporteeren. ¶ どう致しまして niet te danken. ¶ 失禮いたしました neem mij niet kwalijk. ¶ 致す een dienst bewijzen; zijn best doen voor. ¶ 致す zijn leven opofferen. ¶ は自ら禍を致したのだ hij heeft het aan zichzelf te wijten; het is zijn eigen schuld. ¶ 富を致す rijkdom vergaren.
hazukashime辱め
zn. (1) [恥辱] schande v. (2) [侮辱] beleediging v. ¶ 自ら辱めを招く schande over zichzelf brengen. ¶ 辱めを忍ぶ beleediging dulden.
kotoba言葉

zn. (1) [言語] taal v.; woorden o.mv. (2) [語] woord o.; term v. (3) [地方語] dialect v. (4) [話] spraak v.; uitlating v.; opmerking v. (5) [言方] spreekwijze v.; uitdrukking v. ¶ 言葉通り woordelijk; letterlijk. ¶ 無益の言葉を費す woorden verspillen. ¶ 言葉を違へる zijn woord breken. ¶ 言葉を換へて云へば met andere woorden; m.a.w. ¶ 言葉を掛ける het woord richten; zich wenden. ¶ 言葉爭ひ woordenwisseling; redetwist. ¶ 言葉返し vinnig antwoord. ¶ 言葉書 uiteenzetting; epistel. ¶ 言葉敵 iemand om teegen te praten; aanspraak. ¶ 言質 eerewoord. ¶ 言質を與へる zijn woord verpanden. ¶ 言葉尻 verspreking. ¶ 言葉尻を取る iemand betrappen doordat hij zich verspreekt; iemand in zijn eigen woorden vangen. ¶ 言葉違へ inconsequentie; woordbreuk. ¶ 言葉違へをする zichzelf tegenspreken; inconsequent zijn; zich niet houden aan zijn woord; zijn woord breken. ¶ 言葉咎 critiek. ¶ 言葉添へをする een goed woordje doen. ¶ 言葉遣ひ uitdrukking; spreekwijze. ¶ 言葉多きは問少し holle vaten klinken het hardst; veel geschreeuw, weinig wol.

zengo前後

zn. (1) [順序] volgorde v.; rangschikking v.; bw. voor en achter; voor en na. (2) [殆ど] om en bij; ongeveer; meer of minder; zoo wat. ¶ 前後不覺にて bewustzijn verliezen. ¶ 前後撞著する met zichzelf in tegenspraak komen; inkonsekwent zijn. ¶ 前後を忘れて怒る buiten zichzelf zijn van woede. ¶ 前後の關係(¶ 文の) zinsverband. ¶ 十時前後 om een uur of tien; omstreeks tien uur.

yūyō悠容

zn. kalmte v. ¶ 悠容たる kalm; rustig; zeker van zichzelf; zelfbewust.

ware

vnw. zelf; ik. ¶ 我を忘れる zich vergeten; het hoofd kwijt zijn; opgaan in. ¶ 我から好んで geheel vrijwillig. ¶ 我に復る weer bijkomen; tot bezinning komen. ¶ 我を忘れて喜ぶ buiten zichzelf zijn van vreugde. ¶ 我知らずに onwillekeurig; onbewust.

unubore自惚

zn. inbeelding v.; zelf-ingenomenheid v.; verwaandheid v. ¶ 自惚強い ingebeeld; met zichzelf ingenomen; ijdel; pedant. ¶ 自惚れる zich veel verbeelden; ingebeeld zijn; verwaand zijn.

tsujitsuma辻褄

zn. samenhang m.; consequentie v.; logisch verband o. ¶ 辻褄の合はぬ inconsequent; onlogisch; met zichzelf in tegenspraak; onsamenhangend.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zichzelf>
一身 isshin zichzelf; z'n eigen persoon
onore (1) zichzelf; zich; (2) ik; ikzelf; zelf [bescheiden tegenhanger van ware 我]; (3) [min.] jij; [min.;veroud.] gij; (4) zelf; in z'n eentje; in eigen persoon; vanzelf; uit zichzelf; (5) hela [heftige toeroep]; (6) komaan [kreet waarmee men zichzelf aanspoort]
ono (1) zelf; zich; zichzelf; (2) ik; (3) [min.] jij; gij; je; ge
御主 onoshi (1) jij; je; (2) zichzelf
我;吾 ware (1) ik; (2) je; jij; [veroud.] ge; gij; (3) zelf; zichzelf
unu (1) [min.] jij; (2) zich; zichzelf; (3) [= uitroep van verontwaardiging] tss; wel allemachtig!; jemig nog toe!
自ら mizukara (1) het zelf; de eigen persoon; (2) persoonlijk; zelf; in eigen persoon; zichzelf; eigen; bij zichzelf; op zijn eigen
自体 jitai (1) eigen lichaam; zichzelf; (2) zelf; (3) op zichzelf; in se; eigenlijk; in wezen
自分 jibun (1) zelf; zichzelf; zijn eigen persoon(lijkheid); [attr.] eigen; [attr.] persoonlijk; (2) [form.] ik; ikzelf; [attr.] mijn [(♂) persoonlijk voornaamwoord van de eerste persoon mannelijk enkelvoud]
ji (a) ik; mezelf; (b) eigen; zelf; zichzelf; (c) vanzelf; uit zichzelf; (d) vanaf
mi (1) lichaam; lijf; lijfje; karkas; donder; [volkst.] flikker; [volkst.] sodeflikker; [vulg.] sodemieter; [Barg.] gebbe; [veroud.] ziel; (2) filet; visfilet; visvlees; vlees; vis [bot- of graatloos stuk vlees of vis]; (3) de eigen persoon; het zelf; zichzelf; (4) iemands positie; iemands plaats; iemands situatie; rang; stand; (5) lichaam van een mes; lemmet; lemmer; kling; blad [van bijl;zaag]; (6) pot [i.t.t. deksel]; houder; vat
面々 menme zich; zichzelf
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.3 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'zichzelf'). 
2005-2026