日蘭辭典+

34 resultaten voor ‘schuld’
日蘭辭典 (trefwoord)
tsumi
zn. (1) [罪惡] zonde v. (2) [犯罪] vergrijp o.; misdrijf o.; misdaad v. (3) [咎め] schuld v.; blaam v. (4) [過失] fout v.; misstap m. misdraging v.; overtreding v.; wangedrag o. (5) [] straf v. ¶ 服する schuld bekennen. ¶ より救ふ redden van de zonde. ¶ 犯す misdrijf begaan. ¶ を負はす beschuldigen. ¶ を免れる straf ontloopen. ¶ 贖ふ schuld boeten. ¶ ある schuldig; zondig; misdadig. ¶ なき onschuldig. ¶ する straffen.
abiru浴びる
i.w. zich overgieten; baden; mandiën mandi (馬來語). ¶ 大浪を浴びる een zeetje over krijgen. ¶ 砲火を浴びる in het vuur zijn; onder vuur zijn. ¶ 罪を浴びる de schuld krijgen;
abiseru浴びせる
t.w. begieten; bestrooien; besprenkelen; baden. ¶ 過失を人に浴びせる de schuld op iemand werpen.
aganau贖ふ
(贖う購う) t.w. boeten; boete doen voor; loskoopen; vrijkoopen. ¶ 罪を贖う zijn schuld boeten. ¶ 因人を贖う een gevangene loskoopen. ¶ 損害を贖う schade vergoeden.
nai無い
(ない) i.w. niet zijn; niet hebben. ¶ 無いも同樣 bijna niets; zoo goed als niets. ¶ 借金がない geen schulden hebben. ¶ もない niets hebben. ¶ ないよりもまし beter dan niets. ¶ 辭引なしで讀める kunnen lezen zonder woordenboek.
itasu致す
t.w. (1) [行ふ] doen; verrichten. (2) [招來] te weeg brengen; veroorzaken. (3) [輸送] vervoeren; transporteeren. ¶ どう致しまして niet te danken. ¶ 失禮いたしました neem mij niet kwalijk. ¶ 致す een dienst bewijzen; zijn best doen voor. ¶ 致す zijn leven opofferen. ¶ は自ら禍を致したのだ hij heeft het aan zichzelf te wijten; het is zijn eigen schuld. ¶ 富を致す rijkdom vergaren.
darakeだらけ
bw. vol met; bevuild door; bedekt met. ¶ だらけ bezweet. ¶ 鼠だらけの家 huis vol muizen. ¶ 間違だらけ boek vol fouten. ¶ だらけ bloedbevlekt. ¶ 借金だらけ over de ooren in de schuld.
zaiseki罪跡
zaishō罪證

(罪証) zn. bewijs van schuld.

yūzai有罪

zn. schuld v. ¶ 有罪の schuldig. ¶ 有罪人 schuldige.

yatteruやつてる

i.w. erin slagen; (俗) het 'm leveren; het 'm lappen. ¶ やつと借金せずにやつてます ik lap het 'm maar nauwelijks om geen schulden te maken.

warui惡い

(悪い) bn. (1) [惡い] slecht; verkeerd. (2) [非道な] zondig. (3) [不法な] onwettig. (4) [邪惡な] boos; boosaardig. (5) [いたづらな] baldadig; ondeugend. (6) [不吉な] kwaad; onheilspellend. (7) [不運な] ongelukkig; (8) [有害な] schadelijk. (9) [不健全な] ongezond. (10) [醜惡な] leelijk. (11) [粗末な] grof; inferieur. (12) [腐敗せる] rot. ¶ 口が惡い schelden; kwaad spreken. ¶ 更に惡い nog erger. ¶ 最も惡い allerergst. ¶ 耳が惡い hardhoorig. ¶ 胸が惡い zich niet lekker voelen; misselijk zijn. ¶ 香が惡い stinken. ¶ 體に惡い ongezond. ¶ 惡い事 zonde; verkeerdheid; misdaad; wangedrag. ¶ 價も安いが品も惡い goedkoop en slecht. ¶ 君の方が惡い jij hebt ongelijk; het is jouw schuld. ¶ 私が惡かつた het is mijn schuld; ik heb ongelijk.

tsumihoroboshi罪滅し

(罪滅ぼし) zn. boetedoening v. ¶ 罪滅しをする zijn schuld boeten; boete doen voor zijn zonden.

tsumitoga罪科

zn. schuld v.; misdrijf o. ¶ 罪科のない onschuldig.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schuld>
代金 daikin prijs; kosten; tarief; geld; betaling; vergoeding; schuld; kooppenningen
借り kari (1) schuld; verplichting; lening; iets dat geleend is; verschuldigd bedrag; rekening; (2) debetzijde; debetkolom; (3) verschuldigdheid; schuldplichtigheid
借金 shakkin (1) geldlening; lening; (2) schuld; geldelijke verplichting
債務 saimu schuld; (geldelijke) verplichting; passiva
sai (1) schuld; verplichting; debet; (a) schuld; verplichting; debet; (b) vordering; schuldvordering; (c) schuldbrief; obligatie
失点 shitten (1) verloren punten; (2) fout; vergissing; abuis; blunder; misser; lapsus; schuld
所為 sei (1) gevolg; consequentie; resultaat; uitvloeisel; voortvloeisel; effect; (2) schuld; verantwoordelijkheid (voor iets slechts); (3) door; wegens; vanwege; tengevolge van; te wijten aan; toe te schrijven aan; toe te kennen aan; veroorzaakt door; doordat; [arch.] doordien [in de constructie no sei de のせいで]
手落ち teochi onvolkomenheid; tekortkoming; misstap; gebrek; fout; abuis; vergissing; lapsus; schuld; nalatigheid; onoplettendheid; slordigheid
掛け kake (1) marge (tussen in- en verkoopsprijs); (2) kredietverkoop; termijnverkoop; (3) kredietkoop; koop op afbetaling; termijnkoop; tijdkoop; (4) te innen rekening; vordering; uitstaande schuld; boekschuld; (5) te betalen rekening; schuld; (6) [Jap.cul.] sobasoep; (7) [Jap.cul.] udon-soep; (8) uchikake [= kledingstuk met sleep;gedragen over de bruidskimono en obi]; (9) deken; dekbed; bovenbed; sprei; beddensprei; bedsprei; (10) [sumō-jargon] beenworp; (11) [女帯の] sluiting; (12) sluitbandje; (13) woordspeling; (14) [fil.] pari; (15) […~] -rekje; -kapstok; -hanger; (16) […~] [duidt aan dat men halverwege een handeling zit]; (17) […~] [duidt aan dat een handeling direct staat te gebeuren]; (18) […~] [duidt een gelijktijdige nevenactiviteit aan]; (19) [maatwoord voor een hoeveelheid last voor een persoon]; (20) [maatwoord voor langwerpige voorwerpen]; (21) [maatwoord voor een als nieuwjaarsdecoratie opgehangen koppel zeebrasems]; (22) [maatwoord voor stropdassen;slabbetjes;schorten e.d.]; (23) [maatwoord voor kraagbeschermers]; (24) [maatwoord voor stijgbeugels]; (25) [maatwoord voor percentages]
料金 ryōkin prijs; kosten; schuld; tarief; tol; geld; rekening; leges
有罪 yūzai schuldigheid; schuld; culpabiliteit; het schuldig-zijn
ka (1) [boeddh.] vraagstuk; (2) [onderw.] vak; onderdeel; les; (3) [onderw.] afdeling; departement; onderzoekseenheid; sectie; vakgroep; [mil.] component; (4) item; punt; (5) [biol.] familie; (6) [jur.] onderdeel; punt van een aanklacht; onderdeel van een tenlastelegging; beschuldiging; (7) [Chin.gesch.] examenvak voor ambtenaren; examenstof; (8) [Barg.] strafblad; strafregister; eerdere veroordeling; (9) gat; hol; kuil; (a) onderverdeling; rang; soort; (b) [biol.] familie; (c) strafbaar feit; fout; schuld; (d) [theat.] het acteren
tsumi (1) wandaad; vergrijp; misdrijf; delict; [i.h.a.] misdaad; crime; [Lat.] crimen; (2) zonde; (3) schuld; verantwoordelijkheid; (4) sanctie; straf; strafmaatregel; veroordeling; (5) verschrikkelijk; wreed; afschuwelijk; schandalig; onheus; gemeen
負い目 oime (1) verschuldigdheid; schuldplichtigheid; verplichting; schuldgevoel; (2) schuld; geldelijke verplichting
負債 fusai schuld; geldelijke verplichting; passiva; [会社の] lasten
責任 sekinin (1) verantwoordelijkheid; verantwoording; responsabiliteit; schuld; verplichting; plicht; (2) aansprakelijkheid; responsabiliteit; rekenplichtigheid; comptabiliteit; toerekenbaarheid; toerekeningsvatbaarheid
買い掛け金 kaikakekin te betalen rekening; schuld
ashi (1) [anat.] been; poot; [inform.] stelt; [烏賊;蛸の] arm; tentakel; (2) [anat.] voet; (3) mannelijk geslachtsdeel; derde been; (4) [fig.] poot; onderstel; stut; [山の] voet; [旗の] vlucht; (5) [wisk.] voet; voetpunt; (6) onderste gedeelte van een Chinees karakter; (7) ashikanamono [= metalen ringen aan een zwaardschede ter bevestiging van rijgsnoeren]; (8) stap; tred; schrede; pas; gang; loop; tempo; (9) [paardensport] [馬の] gang; snelheid; (10) [scheepv.] vaart; snelheid; (11) [scheepv.] levend werk [= deel van een schip dat zich in het water bevindt]; diepgang; (12) [scheepv.] stabiliteit; stijfheid; (13) [客の] bezoek; aanloop; opkomst; klandizie; (14) [犯人の] gangen; spoor; [i.h.b.] vluchtroute; (15) aanwijzing; spoor; aanknopingspunt; (16) [雨;雲;風の] drift; gesteldheid; (17) vervoer; transport; vervoermiddel; transportmiddel; [meton.] gelegenheid; (18) transportkosten; vervoerkosten; vervoerprijs; reiskosten; (19) geld; geldmiddelen; middelen; (20) [武士の] dotatie; apanage; toelage; (21) rente; interest; intrest; (22) verlies; derving; tekort; gebrek; [i.h.b.] schuld; (23) [beurst.] koers; marktbeweging; trend; tendens; (24) [食べ物の] houdbaarheid; (25) [餅の] kleverigheid; plakkerigheid; (26) [酒の] kwaliteit; karakter; (27) [網目の] maaswijdte; (28) [柿葺きで] overstek [= afstand waarmee de ene dakspaan over de andere uitsteekt]; (29) poppenspeler die het voetenwerk van een marionet bedient; (30) prostituee; liefje; (31) circa …; ongeveer …
hi (1) vergissing; dwaling; abuis; fout; schuld; [form.] feil; verkeerdheid; gebrek; onvolkomenheid; (2) nadeel; ongunstige situatie; (3) niet-; on-; non-; in-; il-; im-; ir-; -vrij
預かり金 azukarikin (1) in bewaring gegeven geld; depositogeld; deposito; waarborgsom; borgsom; borg; borgstelling; (2) schuld; lening
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.05 sec. jiten.nl: 14 treffers, warandict: 20 treffers (zoekopdracht: 'schuld'). 
2005-2026