日蘭辭典+

50 resultaten voor ‘rijk’
日蘭辭典 (trefwoord)
kanemochi金持
(金持ち) zn. rijkaard m. ¶ 金持の rijk.
zai
zn. rijkdom m.; goederen o.mv. ¶ 財を積む rijk worden.
demoでも
bw. zelfs; vw. en toch; evenwel; zelfs indien; zoowel......als; hoezeer ook. ¶ 子供でも分かる zelfs een kind begrijpt dat. ¶ でも僕に話して呉れゝば宜しかったのに en toch wou ik dat je het me verteld had. 馬鹿でもなく利口でもない hij is noch dom noch knap. ¶ 人はいくら金持ちでも hoe rijk men ook zij.
futoru太る
i.w. (1) [肥る] dik worden. (2) [成長する] flink groeien. (3) [豐になる] rijk worden. ¶ 肥った dik. ¶ あの家の身代は近來大分太った die familie is in den laatsten tijd zeer vermogend geworden.
kokka國家
(国家) zn. staat m.; rijk o.; natie v. ¶ 國家經濟 staathuishoudkunde; politieke economie. ¶ 國家系論策 staatkunde; staatsmanswijsheid. ¶ 國家の爲に死ぬ voor het vaderland sterven. ¶ 國家nationaal; staats-. ¶ 國家の事業 staatsbedrijven; gouvernementsbedrijven. ¶ 國家主義 nationalisme.
fuchin浮沈
zn. wisselvalligheid v.; rad van fortuin; grootheid en val. ¶ 浮沈する leven leiden vol wisselvalligheid; nu eens rijk dan eens arm zijn.
bōkoku亡國

(亡国) zn. vervallen rijk o.; ondergang van het rijk; nationaal verval o; nationale ondergang m.

kōso皇祖

zn. keizerlijke voorvader m.; de stichter des rijks.

kōyū公有

bn. nationaal; rijks-; openbaar. ¶ 公有地 gemeentegrond.

kusai臭い

bn. (1) [臭ある] stinkend. ¶ 臭い rijken naar; de lucht hebben van; lijken op; besmet zijn met. (2) [怪しい] verdacht. ¶ 酒臭い naar drank stinken. ¶ 臭い物に蓋をする in den doofpot doen. ¶ 學者臭い pedant; schoolmeesterachtig.

kyōkoku强國

(強国) zn. machtig rijk o.; groote mogendheid v.

zen

zn. geheel o.; totaal o.; bn. geheel; totaal; compleet. ¶ 全會員 alle leden. ¶ 全三尺 ten volle drie voet. ¶ 全財產 alle bezittingen. ¶ 全帝國 het geheele rijk.

yutaka

(豊) zn. overvloed m. ¶ 豐な overvloedig; rijk. ¶ 豐に暮す in goeden doen zijn; weelderig leven leiden.

tsukuru作る

t.w. (1) [製作] maken; vervaardigen. (2) [構成] vormen. (3) [建設] bouwen. (4) [耕作] bebouwen; bewerken. (5) [培養] verbouwen; telen. ¶ 木で造る van hout maken. ¶ 酒を造る arak stoken; sake brouwen. ¶ 野菜を作る groenten kweeken. ¶ 財產を作る fortuin maken; rijk worden. ¶ 顏を作る toilet maken; zich werven en poeieren. ¶ 列を作る een rij vormen; in ’t gelid gaan staan. ¶ 家庭を作る huishouden opzetten. ¶ 罪を作る zonde begaan.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <rijk>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
こくのある kokunoaru [~酒] vol; rijk; gecorseerd; krachtig; lijvig; pittig; rond op de tong; [~料理] stevig; flink
たっぷり tappuri (1) rijkelijk; royaal; overvloedig; mild; ruim; ruimschoots (voldoende); flink; scheutig; dik; volop; plenty; welvoorzien (van); vol ~; een heleboel ~; meer dan genoeg; in overvloed; zat; keur (van ~); rijk; te kust en te keur; (2) ruim zittend; wijd; voldoende ruim [door shita した gevolgd]; (3) ruim [een uur enz.]; een goed ~; een dik ~; minstens ~
ふんだん fundan rijk; mild; overvloedig; copieus; welig; goed gedoteerd; gespekt; welvoorzien; welgevuld; goed gevuld; gelardeerd; ruim bedeeld
ふんだんな fundanna rijk; mild; overvloedig; copieus; welig; goed gedoteerd; gespekt; welvoorzien; welgevuld; goed gevuld; gelardeerd; ruim bedeeld
ステート suteeto (1) staat; natie; rijk; (2) deelstaat; (3) toestand; staat; (4) stand; rang
リッチ ritchi (1) rijk; welgesteld; bemiddeld; (2) Ricci; Rich
世界 sekai (1) wereld; (2) wereld(je); kringen; rijk; domein; scene; (3) [boeddh.] wereld
yo (1) mensenleven; leven; levensduur; levenstijd; generatie; (2) tijdperk; tijd; era; [i.h.b.] heerschappij; regering; (3) familiehoofdschap; patriarchaat; (4) [boeddh.] leven; bestaan; existentie; (5) [boeddh.] lekenbestaan; lekenwereld; seculiere; profane wereld; (6) samenleving; maatschappij; leven; wereld; (7) maatschappelijke positie; stand; (8) tijdsgeest; tijdstroom; trend; (9) levensonderhoud; kost; (10) periode; tijd; gelegenheid; moment; (11) land; rijk; (12) relatie; liaison; liefdesbetrekking
充実した juujitsushita vol; vervuld; rijk; welgevuld; substantieel
国土 kokudo (1) grondgebied; gebied; territorium; territoir; domein; terrein; land; rijk; (2) grond; aarde; (3) geboortestreek; geboorteplaats; geboortegrond; heimat
国家 kokka staat; rijk; natie; land
kuni (1) land; territorium; (2) rijk; keizerrijk; koninkrijk; republiek; (3) staat; natie; overheid; (4) staatsburgerschap; nationaliteit; (5) provincie; gewest; (6) vaderland; moederland; heimat; land van oorsprong
koku (1) land; rijk; natie; staat; (2) provincie; gewest; (3) geboorteplaats; geboortedorp; plaats waar iemand geboren is; plaats waar iemand geboren en getogen is
天下 tenka (1) wereld; ondermaanse; (2) hele; ganse land; geheel het land; rijk; (3) bewind; regering; heerschappij
天下の tenkano (1) van de wereld; ter wereld; (2) van hele; ganse land; van geheel het land; rijk; (3) wereldberoemd; wereldvermaard; overbekend; welbekend; algemeen bekend
富裕 fuyuu (1) rijkdom; overvloed; weelde; opulentie; (2) rijk; vermogend; kapitaalkrachtig; opulent; welgesteld; vermogend; gefortuneerd; bemiddeld; gegoed; [Belg.N.] begoed; goed bij kas; in goeden doen; (3) Fùyù
帝国 teikoku keizerrijk; rijk; imperium; [w.g.] keizerdom
温い nukui (1) [meteo.] warm; mild; zacht; (2) suf; dwaas; dom; (3) rijk; bemiddeld; gegoed
潤いのある uruoinoaru (1) vochtig; (2) financieel comfortabel; (3) rijk; interessant; vol
濃い koi (1) (van een kleur) donker; (van een kleur) niet licht; (van een kleur); diep; (2) (van koffie; thee; etc.) sterk; (van koffie; thee; etc.) scherp; prikkelend; (3) (van soep) dik; (van soep) rijk; (4) (van mist) dicht; (5) (van baard) zwaar; (van baard) dichtbegroeid; (6) (van een relatie; vriendschap; etc.) intiem; (van een relatie,; vriendschap; etc.) vertrouwelijk; (van een relatie; vriendschap; etc.); persoonlijk; (van een relatie; vriendschap; etc.) innig; (van een; relatie; vriendschap; etc.) nauw; (van een relatie; vriendschap; etc.); nabij
kai (1) omsloten ruimte; gebied; terrein; veld; domein; zone; sector; rijk; (2) vereniging; gezelschap; gemeenschap; kring; wereld; (3) grens; scheiding; (4) [boeddh.] dhātu; (5) liniëring; lijn [op papier]; (6) hulplijn; hulpstreep; (7) [biol.] Rijk; regnum; (8) [geol.] groep [lithostratigrafische eenheid]; (a) scheiding; afbakening; grens; (b) ruimte; sfeer; groep; gemeenschap
異郷 ikyou (1) buitenland; vreemde; (2) dodenrijk; hiernamaals; rijk; wereld van de geesten
肥沃 hiyoku vruchtbaar; fertiel; groeizaam; rijk; vet; vei; productief; [w.g.] prolifiek
藹々 aiai (1) dichtbegroeid; (2) overvloedig; rijk; vruchtbaar; (3) kalm; rustig; mild; zacht
裕福 yuufuku (1) overvloed; rijkdom; weelde; welvaart; (2) rijk; vermogend; welvoorzien; bemiddeld; welgesteld; welstandig; gezeten; gegoed; in bonis; à son aise; [Belg.N.] begoed; [Belg.N.] welstellend
裕福な yuufukuna rijk; vermogend; welvoorzien; bemiddeld; welgesteld; welstandig; gezeten; gegoed; [Belg.N.] begoed; [Belg.N.] welstellend
豊か;饒か;裕か yutaka (1) rijk; welgesteld; (2) overvloedig; abondant; bij de vleet; (3) ruim; onbekrompen; (4) -rijk; vervuld van
豊かな;饒かな;裕かな yutakana (1) rijk; welgesteld; (2) overvloedig; abondant; (3) ruim; onbekrompen
豊富な houfuna rijk; weelderig; overvloedig; rijkelijk; copieus; abondant; ruim; plenty; welig; opulent
豊饒 houjou (1) vruchtbaarheid; productiviteit; fertiliteit; overvloed; weligheid; (2) vruchtbaar; productief; fertiel; overvloedig; rijk; vruchtdragend; welig
hou (a) vruchtbaar; overvloedig; (b) rijk; (c) vol ontwikkeld; weelderig; (d) de provincies Buzen of Bungo; (e) Toyotomi
豪華 gouka (1) weelde; luxe; rijkdom; overdaad; prachtlievendheid; pracht; luister; glans; praal; (2) weelderig; luxueus; overvloedig; overdadig; rijk; prachtig; prachtlievend; luisterrijk; glansrijk
豪華な goukana weelderig; luxueus; overvloedig; overdadig; rijk; prachtig; prachtlievend; luisterrijk; glansrijk
邦家 houka land; staat; rijk
金持ちの kanemochino rijk; vermogend; welvoorzien; welgesteld; bemiddeld; gefortuneerd; gegoed; welvarend; opulent; in bonis; welstandig; [Belg.N.] welstellend; [Belg.N.] begoed
鎖国 sakoku [Jap.gesch.] nationaal isolement; afsluiting van het land; rijk; weigering van een staat om contact met andere landen te onderhouden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.65 sec. jiten.nl: 14 treffers, warandict: 36 treffers (zoekopdracht: 'rijk'). 
2005-2026