日蘭辭典+

36 resultaten voor ‘uitkomen’
日蘭辭典 (trefwoord)
ataru當る
(当たる・当る) i.w. (1) [接觸] aanraken; schaven (擦過). (2) [該當] overeenstemmen met; overeenkomen met. (3) [衝突] treffen; botsen; raken. (4) [的中] treffen. (想像等が) goed voorspellen; goed raden. (5) [當籤] winnen. (6) [成功] slagen. (7) [引受ける] ter hand nemen; aanvatten. (8) [探る] polsen. (9) [相當] slaan op; toepasselijk zijn op. (10) [中毒] vergiftigd zijn; ziek worden door. (11) [出會] ontmoeten. (12) [量る] meten. (13) [金額が] bedragen; komen op. (14) [日が當る] beschijnen; bestralen. (15) [火にあたる] zich warmen. (16) [方角] liggen in de buurt van. ¶ 一磅は約拾圓に當る een pond is ongeveer gelijk aan tien yen. ¶ 彈丸は當らなかった het schot raakte niet; het schot miste. ¶ 占が當る de voorspelling komt uit. ¶ 罸が當った het lot heeft gewonnen. ¶ 其の小説は當らなかった die roman had geen succes; het boek sloeg niet in. ¶ 事に當る hij neemt de zaak ter hand; hij bemoeit zich er mede. ¶ 先方の意向を當って見た ik heb hem eens gepolst. ¶ 各所で相場を當って見た方がよい het zou goed zijn op verschillende plaatsen naar den prijs te informeeren. ¶ 此の規則は右の場合に當る deze bepaling is in dit geval toepasselijk. ¶ 海老に中毒〔に當〕った de kreeft is mij slecht bekomen. ¶ 深さを當って見ると三尺あった de diepte bleek drie voet te bedragen. ¶ 此の窓に夕日があたる dit raam heeft de namiddagzon. ¶ 火に御あたりなさい warm u bij het vuur. ¶ 大阪は東京の西にあたる Osaka ligt westelijk van Tokio. ¶ 今や戦時に當り nu, dat het oorlog is. ¶ 局に當る者 autoriteiten, welke het aangaat; de betrokken autoriteiten. ¶ 何だか當てゝ御覧なさい raad eens wat het is.
au合ふ
(合う) i.w. (1) [適合] passen. (2) [一致] het eens zijn; eensgezind zijn. (3) [符號] overeenstemmen; uitkomen; beantwoorden aan. (俗) kloppen. (4) [氣候食物が] goed bekomen; goed zijn voor. (5) [調律] harmonieeren; goed samenklinken. (6) [正當] juist zijn; goed loopen (時計が). ¶ 上衣が合はない de jas past niet. ¶ 意見が合ふ van dezelfde opinie zijn. ¶ 勘定が合はない de rekening klopt niet. ¶ 人相書に合って居る stemt overeen met het signalement; beantwoordt aan de beschrijving. ¶ 御口に合ひますか is het naar uw smaak? ¶ 蝦が性に合はない kreeft bekomt mij niet goed; ik kan niet tegen kreeft. ¶ 此のピアノは調子が合はない deze piano is ontstemd. ¶ 間に合ふ op tijd zijn.
awayokubaあはよくば
(あわよくあ) bw. als het zoo uit komt; als er gelegenheid is.
toki
zn. (1) [時間] tijd m.; uur o. (2) [瞬間] oogenblik m. (3) [期] tijd m.; gelegenheid v. (4) [場合] geval o. (5) [時代] periode v.; tijdperk. (6) [季節] seizoen o. (7) [期限] termijn m.(8) [文法の] tijd m. ¶ 十の op tienjarigen leeftijd. ¶ に應じて al naar het uitkomt. ¶ に合ふ gelegenheid afwachten. ¶ を待つ tijd besteden. ¶ を誤らずに來る stipt op tijd komen. ¶ 外れの ontijdig; ongelegen. ¶ の toenmalig; van dien tijd. ¶ に toen; als; wanneer. ¶ 丁度よいに juist bij tijds. ¶ 私が子供のに toen ik nog een kindwas; in mijn jeugd. ¶ には in geval van; gesteld, dat ...... ¶ としては soms; van tijd tottijd.
nannara何んなら
(何なら) bw. als het zoo uitkomt; naar bevind van zaken; zoo noodig; desgewenscht.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uitkomen>
ばれる bareru (1) aan het licht komen; uitkomen; ontdekt; bekend worden; door de mand vallen; betrapt worden; (2) [hengelsp.] van de haak ontglippen; ontsnappen; (3) [約束事が] verbroken worden; afspringen; mislukken; (4) [話が] vulgair worden; op de platte toer gaan
バレる bareru uitkomen; ontdekt; bekend worden; aan het licht komen
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;トランプ;マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
兆す kizasu (1) ophanden zijn; zich aandienen; zich aankondigen; tekenen; verschijnselen vertonen; te verwachten zijn; te gebeuren staan; (2) uitbotten; uitspruiten; uitlopen; ontkiemen; uitkomen; uitschieten; (3) [fig.] ontstaan; ontspruiten; opkomen; kiemen; ontluiken
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
判明する hanmeisuru blijken (te zijn); aan het licht komen; duidelijk worden; zich openbaren; bekend worden; uitkomen
割れる;破れる wareru (1) breken; splijten; scheuren; knappen; (2) uiteenvallen; uiteengaan; zich splitsen; scheiden; (3) aan het licht komen; zich openbaren; uitkomen; (4) deelbaar zijn
咲く saku bloeien; bloesemen; in bloei; bloesem gaan staan; uitlopen; uitkomen
孵る kaeru [雛が] uitkomen; uit het ei komen; [卵が] openbreken
孵化する fukasuru (1) uit het ei komen; uitkomen; (2) broeden op; uitbroeden; bebroeden
実現する jitsugensuru (1) realiseren; verwezenlijken; verwerkelijken; actualiseren; waarmaken; bewerkstelligen; [m.b.t. dromen] vervullen; in vervulling doen gaan; (2) in vervulling gaan; verwezenlijkt worden; werkelijkheid worden; uitkomen; bewaarheid worden
当たる ataru (1) raken; treffen; slaan; botsen tegen; stoten op; [gew.] hitten; itten; (2) [的に〜] raak zijn; doel treffen; aankomen; (3) [光;雨;風が〜] reiken; inwerken; vallen in; invallen; (4) pijn doen aan; deren; schrijnen; [果物は] gekneusd raken; bruine plekken krijgen; (5) [宝くじで〜] prijs hebben; in de prijzen vallen; [ー等に〜] winnen; (6) [予測が〜] uitkomen; kloppen; (7) [批判が〜] terecht zijn; opgaan; (8) [芝居は〜] een succes zijn; (9) [果物が〜] goed vrucht dragen; (10) [フグに〜] vergiftigd raken; (11) [敵に〜] het opnemen tegen; ertegenaan gaan; bevechten; (12) [日曜日に〜] vallen op; overeenkomen met; [百円に〜] overeenstemmen met; corresponderen met; [東に〜] liggen; (13) [難局に〜] aanpakken; bij de hoorns vatten; pakken; (14) uithalen naar; tegen; zich afreageren op; (15) [辞書;出典に〜] raadplegen; naslaan; [本人に〜] aftoetsen; (16) [課題が〜] toegewezen; toebedeeld krijgen; belast worden met; op z'n bord krijgen; opdraaien voor; aan bod komen; aan de beurt komen; (17) [任に〜] zich bezighouden met; waarnemen; op zich nemen; (18) [honkb.] vaak hits of homeruns scoren; (19) [mahjong] promoveren; (20) [胡麻を〜] fijnmalen; fijnstampen; vijzelen; (21) [ひげを〜] scheren; (22) [魚が〜] in het aas bijten; aanbijten
成就する jōjusuru (1) werkelijkheid worden; verwezenlijkt worden; uitkomen; slagen; (2) tot een goed einde brengen; tot stand brengen; vervullen; verwezenlijken; realiseren; volbrengen; voltooien; volvoeren; uitvoeren; ten uitvoer brengen; voor elkaar krijgen; [目的を] bereiken
打ち出す uchidasu (1) [太鼓;鐘を] beginnen te slaan; (2) [鉄砲;大砲を] beginnen te vuren; het vuur openen; afvuren; afschieten; (3) [金属を] metaal drijven; uitkloppen; uithameren; ciseleren; bosseleren; in reliëf maken; (4) [ton.;sumō] de opvoering; wedstrijd uittrommelen; met tromgeroffel het einde bekendmaken; naar buiten trommelen; (5) [策を] uit de hoek komen met; uiteenzetten; uitwerken; uitvaardigen; lanceren; (6) [comp.] afdrukken; printen; uitprinten; uitdraaien; een print-out; uitdraai maken; (7) duidelijk uiten; kenbaar maken; vermelden; (8) [kaartsp.] uitkomen; uitspelen; als eerste een kaart in het spel brengen
抜け出る nukederu (1) uitkomen; wegkomen uit; loskomen van; losraken van; uitraken; losbreken; uitbreken; zich redden uit; (2) naar buiten glippen; ontglippen; ontkomen aan; ontsnappen uit; zich onttrekken aan; ertussenuit knijpen; wegsluipen; wegglippen; (3) uitsteken; opsteken; uittorenen; (4) uitmunten; uitblinken; uitstijgen
撮れる toreru [m.b.t. het gefotografeerde] erop staan; [(niet) goed] gelukt zijn; [(niet) goed] uitkomen
haru (1) lente; voorjaar; [gew.] uitkomen; [gew.] uitkom; (2) nieuwjaar; (3) [fig.] lente; jeugd; lentetijd; (4) kalverliefde; prille seksuele gevoelens; (5) seksualiteit; geslachtsliefde; zinnelijkheid; seks; [fig.] Venus; (6) [eigenn.] Frühlingssonate [werk van Beethoven]; (7) [eigenn.] Primavera [doek van Botticelli]
浮き上がる ukiagaru (1) drijvend naar boven gaan; opdrijven; naar boven drijven; (2) van z'n basis losgaan; loslaten; losraken; zich van de grond verheffen; loskomen; (3) zich afscheiden; zich afscheuren; (4) zich ontworstelen; zich losbreken; (5) uitkomen; afsteken; zich aftekenen
浮き立つ ukitatsu (1) verheugd zijn; opgebeurd; opgemonterd; opgevrolijkt zijn; (2) uitkomen; afsteken; zich aftekenen; (3) in beroering zijn
涌く;湧く waku (1) opspuiten; gutsen; gulpen; (2) te voorschijn komen; uitkomen; schieten; [m.b.t. loten] uitslaan; uitlopen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; (3) opwellen; ontstaan; rijzen
生える haeru (1) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; [arch.] opwassen; opkomen; ontstaan; [w.g.] ontgroeien; uitschieten; uitlopen; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [i.h.b.] begroeien; [i.h.b.] overgroeien; [i.h.b.] bedekken; (2) groeien; wassen; [van kiezen] doorkomen; [van tanden;baard enz.] krijgen
生じる shōjiru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
生ずる shōzuru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
知られる shirareru bekend worden; raken; uitkomen; aan het licht komen
知れる shireru bekend worden; raken; kenbaar worden; ter kennis komen; uitkomen; uitlekken; aan het licht komen; blijken; duidelijk worden
笑う;咲う;嗤う warau (1) lachen; (2) ontluiken; uitbotten; uitkomen; bloeien; (3) uitlachen; ridiculiseren; (4) verslappen
笑む emu (1) glimlachen; glunderen; (2) [つぼみが] uitlopen; uitbotten; uitspruiten; ontluiken; bloeien; uitkomen; opengaan; losgaan; (3) [綿が] openbarsten
萌える moeru ontspruiten; spruiten; ontluiken; uitlopen; uitkomen; uitbotten; opschieten; ontkiemen; knoppen; in bloei; 't blad komen
見付かる;見つかる mitsukaru (1) gevonden worden; betrapt worden; ontdekt worden; uitkomen; terechtkomen; terechtgebracht worden; blijken; aan het licht komen; tot de ontdekking komen dat; te weten komen dat; (2) (kunnen) vinden; aantreffen
解ける tokeru (1) losraken; losgaan; loskomen; loslaten; [i.h.b.] tornen; (2) wijken; slinken; verdwijnen; overgaan; opgehelderd raken; uit de wereld raken; (3) opgeheven raken; ontheven raken; komen te vervallen; [束縛が] vallen; bevrijd raken van; (4) zich ontspannen; [警戒が] verslappen; (5) opgelost raken; [数学の問題が] uitkomen; (6) [雪;氷が] smelten; versmelten; dooien; ontdooien
足が出る ashigaderu (1) in de rode cijfers komen; verlies lijden; een tekort boeken; niet kostendekkend zijn; de begroting overschrijden; (2) [隠し事が] uitkomen; aan het licht komen; uitlekken; ontdekt worden
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.84 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 31 treffers (zoekopdracht: 'uitkomen'). 
2005-2026