RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <passen>
パスする pasusuru (1) passeren; (2) slagen (voor); (3) [sportt.] passeren; passen; een pass geven; toespelen; aanspelen; doorspelen; (4) [o.a. kaartsp.] passen
似う soguu passen; harmoniëren; staan; matchen; overeenkomen; overeenstemmen; kloppen; stroken; gepast zijn; passend zijn
似合う niau passen; betamen; voegen; sieren; [着物が] (goed) staan; (goed) zitten; (goed) kleden; [場合に] geschikt zijn; passend zijn; voegzaam zijn
合う au (1) passen; gepast zijn; passend zijn; geschikt zijn; zitten; (2) goed staan; passen; betamen; behoren; voegen; sieren; (3) overeenstemmen; overeenkomen; stroken; matchen; beantwoorden aan; in overeenstemming zijn; harmoniëren; samengaan; samenvallen; coïncideren; (4) kloppen; juist zijn; correct zijn; [帳尻が] sluiten; gelijk uitkomen; (5) [時計が] gelijklopen; (6) renderen; lonend zijn; de moeite lonen
填まる;嵌まる hamaru (1) geraken in; (verzeild) raken in; vallen in; terechtkomen in; belanden in; (2) passen; geschikt; gepast; geknipt zijn voor; [条件に] voldoen aan; (3) klem raken; lopen; varen in; vast komen te zitten in; vastraken in; blijven steken in; (4) verliefd; smoorverliefd; dolverliefd zijn op; smoor; gek; dol zijn op; helemaal weg zijn van; stapel zijn op; (5) trappen in; beetgenomen worden; [計略に] in de val lopen; (6) gek; verzot; dol; verkikkerd; wild; tuk zijn op; weg zijn van; helemaal bezeten zijn van; zich zwaar interesseren voor; een ~freak zijn; helemaal into ~ zijn; geheel vervuld zijn van; warm lopen voor; enthousiast zijn over; verslaafd zijn aan
妥当する datōsuru passen; op zijn plaats zijn; steek houden; terecht zijn; gepast zijn; aangewezen zijn; juist zijn; billijk zijn; gerechtvaardigd zijn; adequaat zijn; toepasselijk zijn; passend zijn; geëigend zijn; geschikt zijn; gegrond zijn; steekhoudend zijn; valabel zijn; [veroud.] valide zijn
当て嵌まる atehamaru passen; geschikt; gepast; passend zijn; van toepassing zijn op; zich lenen; gelden; slaan op
当 tō (1) terechtheid; redelijkheid; billijkheid; gepastheid; wat juist; rechtvaardig; billijk is; (2) [boeddh.] anāgata; toekomst; (3) dit; deze; ons; huidig; onderhavig; in kwestie; gegeven; zich voordoend; genoemd; waarover; over wie we het hebben; waar het om gaat; dat aan de orde is; (a) vervuld worden; passen; (b) voldoen aan; beantwoorden aan; (c) op zich nemen; zich belasten met; (d) op de situatie afgaan; (e) toewijzen; (f) huidig; voor het ogenblik; (g) die; deze; (h) zoals het hoort; (i) verkozen zijn
応 ō (a) antwoord; respons; (b) instemming; (c) reactie; respons; (d) passen; overeenstemmen
投ずる tōzuru (1) [敵軍に] zich overgeven; capituleren; zwichten; (2) [時流に] meegaan; meedoen; te baat nemen; gebruik maken van; aangrijpen; inspelen op; benutten; (3) [意気相~] passen; overeenkomen; overeenstemmen; op één lijn zitten; klikken; (4) [旅宿に] logeren; verblijven; doorbrengen; z'n intrek nemen; (5) [直球を] werpen; gooien; smijten; keilen; (6) [白票を] uitbrengen; deponeren; [獄に] ingooien; inwerpen; (7) [身を] zich werpen op; zich storten in; zich inzetten voor; zich wijden aan; [Belg.N.] zich smijten; (8) [影;光を] tot ver vooruit werpen; (9) [資金を] verstrekken; investeren; besteden; beleggen; steken in; (10) [薬餌を] toedienen
有り付く aritsuku (1) krijgen; verkrijgen; te pakken krijgen; vinden; komen aan; in de wacht slepen; (2) gewennen; gewoon worden; (3) kalmeren; bedaren; (4) zich settelen; zich vestigen; (5) intrekken; gaan inwonen; inhuwen; (6) passen; z'n draai vinden; (7) in een bep. stand; milieu geboren worden; (8) aan de kost komen; de kost verdienen; (9) houvast bieden; doen settelen; (10) doen settelen; aan een vaste betrekking helpen; een geregeld; gezapig; burgerlijk leven doen leiden
相応する sōōsuru (1) passen; betamen; behoren; geschikt zijn (voor); staan; voegen; (2) overeenkomen met; corresponderen met; beantwoorden aan
試着する shichakusuru aanpassen; passen; proberen
適す tekisu geschikt zijn; in aanmerking komen; gepast zijn; passend zijn; [form.] voegzaam zijn; aangewezen zijn; toepasselijk zijn; adequaat zijn; toereikend zijn; geëigend zijn; geknipt zijn; passen; liggen