RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <nemen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ゆったりする yuttarisuru doen alsof m'n thuis is; het zich gemakkelijk maken; z'n gemak (ervan) nemen
一服する ippukusuru (1) een kop thee drinken; nemen; [inform.] een bakkie doen; (2) eentje roken; een trekje nemen; doen; (3) kort onderbreken; adempauze nemen; een korte pauze inlassen; wat rust nemen; even rusten; [i.h.b.] een rookpauze; theepauze; koffiepauze inlassen; (4) [株式の買いが] kalm verlopen
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;とらんぷ;まーじゃんで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [ばってりーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
与する kumisuru (1) iemands partij kiezen; trekken; nemen; partij kiezen voor; de kant kiezen van; gemene zaak maken met; aan iemands kant gaan staan; zich aansluiten bij; zich scharen aan de zijde van; het eens zijn met; bijvallen; [Belg.N.] bijtreden; (2) deelnemen aan; meedoen met; meewerken aan; betrokken zijn bij; (3) bijstaan; helpen; steunen; steun verlenen
処分する shobunsuru (1) wegdoen; van de hand doen; afhandelen; beschikken; afdoen; maatregelen treffen; nemen; opruimen; afwikkelen; liquideren; (2) afrekenen met; onder handen nemen; straffen; een appeltje schillen met; (3) ruimen; afmaken; uit zijn lijden helpen; een spuitje geven
取り外す torihazusu (1) wegnemen; afnemen; afhalen; verwijderen; weghalen; losmaken; (2) ontmantelen; demonteren; uit elkaar halen; nemen; onttakelen; [てんとを] opbreken; [車両を] ontkoppelen
取り tori (1) nemen; inning; (2) nemer; inner; (3) [variététheater] laatste act; laatste performer; [i.h.b.] topattractie; (4) programma-afsluiter; slotfilm; (5) [eufonisch voorvoegsel]
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
取外し torihazushi (1) wegneming; afneming; het afhalen; verwijdering; het weghalen; losmaking; (2) ontmanteling; het demonteren; het uit elkaar halen; nemen; onttakeling; [てんとの] het opbreken; [車両の] ontkoppeling
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek;ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
呑む nomu (1) [fig.] slikken; nemen; pikken; accepteren; aanvaarden; [i.c.m. ontkenning] pruimen; incasseren; [fig.] verduwen; [inform.;fig.] vreten; (2) overweldigen; overdonderen; inpakken; [fig.;sportt.] inblikken; [fig.] inmaken; [fig.;sportt.] afdrogen; (3) bedwingen; onderdrukken; [m.b.t. tranen] inslikken; inhouden; smoren; (4) verborgen houden; verhelen; achterhouden
奉る tatematsuru (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; (7) […~] [hum. hulpwerkwoord]; (8) laten aanbieden; doen geven; (9) sturen; afvaardigen; zenden
実験する jikkensuru experimenteren; proefnemingen doen; proeven doen; nemen; een experiment doen; uitvoeren; proefondervindelijk testen
延 en (a) meer ruimte in beslag (doen) nemen; (zich) verspreiden; (zich) uitbreiden; (b) meer tijd in beslag (doen) nemen; (doen) uitlopen; uitstellen; (c) binnenbrengen
忍ぶ shinobu (1) verdragen; dulden; uitstaan; nemen; pikken; slikken; tolereren; (2) zich verbergen; zich verstoppen; zich verschuilen; zich gedekt houden; [人目を] ontkomen aan; zich onttrekken aan; ontduiken; (3) zich heimelijk; geniepig gedragen
手に取る tenitoru nemen; ter hand nemen; in handen nemen; aangrijpen
手を引く tewohiku (1) bij de hand leiden; nemen; (2) de hand aftrekken van; z'n handen aftrekken van; zich niet meer bemoeien met; zich afwenden van; betrekkingen afsnijden met; breken met; niet meer te maken willen hebben met; afhaken; zich terugtrekken uit; wegtrekken uit; terugkrabbelen; achteruitkrabbelen; de aftocht blazen
抱き締める dakishimeru tegen zich aandrukken; aan de borst; aan het hart drukken; omhelzen; omarmen; pakken; omstrengelen; in de armen sluiten; nemen; tegen zich klemmen; omklemmen
抱く daku (1) omarmen; omhelzen; omstrengelen; omvatten; in zijn armen houden; in de armen sluiten; aan het hart; zijn borst drukken; tegen zich aandrukken; aanhouden; tegen zijn borst klemmen; [m.b.t. vogels] broeden; [i.c.m. 卵を] bebroeden; (2) koesteren; [fig.] omhelzen; [fig.] omarmen; (3) [euf.] omhelzen; omgang; gemeenschap hebben; vrijen; kroelen; nemen; pakken
押さえる osaeru (1) onderdrukken; naar beneden drukken; (2) beheersen; bedwingen; (met overmacht) in bedwang houden; eronder houden; (3) tegenhouden; voorkomen; terughouden; (4) arresteren; gevangennemen; in hechtenis nemen; aanhouden; in zijn kraag grijpen; (5) [de oren] dichtstoppen; [met de handen de ogen] bedekken; verbergen; [met de handen het hoofd] vasthouden; [de hand voor de mond] houden; (6) [waar men recht op heeft;een deel van het loon etc.] achterhouden; terughouden; niet geven; onthouden; (7) beslag leggen op [goederen;eigendom;documenten etc.]; gerechtelijk in beslag nemen; confisqueren; (8) grijpen; pakken; nemen; in zijn klauwen krijgen; (9) een voorzichtige raming doen; een voorzichtige schatting maken; behoedzaam begroten; (10) plafonneren; niet hoger laten oplopen dan; [de prijzen] drukken; binnen een bepaalde limiet houden; onder een bepaalde limiet houden
担う ninau (1) op de schouders dragen; nemen; torsen; (2) zich belasten met; (de verantwoordelijkheid) op zich nemen (van); op zich laden; voor zijn rekening nemen
持ち出す mochidasu (1) mee naar buiten nemen; brengen; mee (uit) nemen; (2) achterhouden; verduisteren; verdonkeremanen; (3) erbij betrekken; erbij halen; ter sprake brengen; naar voren brengen; in het midden brengen; de aandacht vragen voor; aansnijden; voorleggen; beginnen te praten over; (4) voor de dag komen met; opbrengen; [fig.] ophoesten
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
採 sai nemen; selecteren
撮る toru [写真を] nemen; schieten; [Belg.N.] trekken; [映画を] opnemen; vastleggen; [しーんを] (weten te) vangen; [pregn.] kieken
甘受する kanjusuru zich laten welgevallen; zich laten aanleunen; incasseren; pikken; nemen; slikken; gewillig; lijdelijk accepteren; gelaten aanvaarden; goedschiks ondergaan; het er bij laten zitten; over z'n kant laten gaan; verdragen; tolereren; gedogen; dulden; berusten in; zich neerleggen bij; zich resigneren bij; zich schikken in; voor lief nemen; [veroud.] gehengen
登る noboru opklimmen; klimmen in; klimmen op; beklimmen; bestijgen; [階段を] opstappen; opgaan; oplopen; nemen
着席する chakusekisuru plaatsnemen; gaan zitten; zich zetten; gaan neerzitten; een stoel pakken; nemen; een zeet nemen
納まる osamaru (1) bezorgd worden; besteld worden; geleverd; afgeleverd worden; (2) gesetteld raken; rust vinden; zich thuis gaan voelen; ingewerkt raken; (3) verdragen; slikken; nemen; pikken; genoegen; vrede nemen
締める;絞める;〆める;緊める shimeru (1) (締める;絞める)[帯を] aanhalen; omdoen; omgorden; strak trekken; verstrakken; gespannen maken; aanspannen; opspannen; spannen; aanzetten; aansnoeren; vastsnoeren; [栓を] vastdraaien; aandraaien; dichtdraaien; [ねじで] aanschroeven; (2) (絞める) wurgen; kelen; doen stikken; verwurgen; smoren; verstikken; de strot dichtknijpen; de keel toeknijpen; [w.g.] stranguleren; [m.b.t. pluimvee] de nek omdraaien; [euf.] slachten; [arch.] worgen; (3) (締める;〆める) afronden; sluiten; [勘定を] afsluiten; [i.h.b.] (alles) bij elkaar optellen; rekenen; nemen; [i.h.b.] sommeren; (4) (締める;緊め) streng zijn voor; tegen; goed in bedwang hebben; kort houden; [uitdr.] de teugels aanhalen; [uitdr.] de schroeven wat aandraaien; (5) (締める) bezuinigen (op); besparen (op); besnoeien (op); zuinig; spaarzaam zijn (met); matigen; economiseren; [m.b.t. uitgaven] inperken; beperken; inkrimpen; bekrimpen; terugbrengen; [uitdr.] de buikriem; broekriem aanhalen; versoberen; [m.b.t. overheid;fig.;euf.] ombuigen; (6) (絞める;〆める) [cul.] met zout of azijn behandelen (zodat het (vis)vlees stevig wordt); [i.h.b.] pekelen; [i.h.b.] marineren; [塩で] zouten; [酢で] met azijn behandelen
解体する kaitaisuru ontmantelen; demonteren; slopen; afbreken; uit elkaar halen; nemen; onttakelen; opbreken; ontbinden; dissolveren
講ずる kouzuru (1) doceren; lesgeven; uitleggen; instrueren; onderrichten; (2) [手段;方法;対策を] uitdenken; bedenken; nemen; treffen; ondernemen; (3) [和を] vrede stichten; sluiten; (4) [詩歌を] voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [meton.] brengen
負う ou (1) op de rug nemen; tillen; dragen; torsen; (2) [責任を] zich belasten met; aanvaarden; dragen; op zich laden; nemen; zich aansprakelijk stellen; (3) [恩人に] schuldig; verplicht; verschuldigd; schuldplichtig zijn; in het krijt staan bij; (4) [傷を] oplopen
額面どおりに受け取る gakumendooriniuketoru kritiekloos accepteren; op z'n woord geloven; letterlijk opvatten; nemen
食べる taberu (1) eten; opeten; consumeren; gebruiken; nemen; nuttigen; verorberen; naar binnen werken; wegwerken; [inform.] bikken; [inform.] binnenslaan; [i.h.b.] zich voeden met; [uitdr.] de inwendige mens versterken; (2) de kost verdienen; aan de kost komen; in zijn onderhoud voorzien; leven (van)
飲む nomu (1) drinken; innemen; nemen; nuttigen; gebruiken; tot zich nemen; [een pilletje enz.] slikken; [van soep enz.] eten; [i.h.b.] zwelgen; [drank] naar binnen werken; [in Ind.] minoemen; [uitdr.] de keel dopen; [uitdr.] de keel smeren; [uitdr.] de beker lichten; (2) [een sigaretje enz.] roken; [de adem enz.] inhouden; (3) [fig.] verzwelgen; opslokken; opslorpen