日蘭辭典+

96 resultaten voor ‘nemen’
日蘭辭典 (trefwoord)
amanzuru甘んずる
i.w. genoegen nemen met; zich tevreden stellen met.
an-anri no暗々裏の
(暗々裏・暗々裡) bn. stilzwijgend; stil; indirect. ¶ 暗々裏に承諾する stilzwijgende toestemming geven. ¶ 暗々裏に彼に辭職すべく諷した hij kreeg een wenk om zijn ontslag te nemen.
atama
zn. (1) [頭] hoofd o.; kop m. (2) [頭腦] hersens m. (3) [頭初] begin o. (4) [首領] hoofd o.; aanvoerder m. ¶ 頭の天邊から足の爪迄 van top teen. ¶ 頭をはねる commissie nemen op loon, dat men uitbetaalt. ¶ 頭を痛める zich het hoofd breken; zich ongerust maken. ¶ 頭を刈って貰ふ zijn haar laten knippen. ¶ 頭を上げる het hoofd buigen. ¶ 頭がある verstandig. ¶ 頭なき onverstandig; dom; zinneloos.
ji-suru持する
t.w. houden; handhaven; in acht nemen. ¶ 固く持する pal staan. ¶ 五戒を持する de vijf geboden in acht nemen.
ji-suru辭する
i.w. (1) [辭任] ontslag nemen. t.w. (2) [辭退] weigeren; i.w. zich verschoonen. i.w. (3) [暇乞] afscheid nemen.
akirameru諦る
(諦める) i.w. berusten in; genoegen nemen met; zich neerleggen bij; (放棄) hoop opgeven; hoop laten varen.
yaritori遣取
(遣り取り) zn. geven en nemen; ruilen o. ¶ 書面の遣取 briefwisseling; correspondentie.
sochi措置
zn. maatregelen m.mv.; regeling v.; stappen m.mv. ¶ 措置を取る maatregelen nemen; stappen doen; regeling treffen.
ukeru受ける
t.w. (1) [受納] ontvangen; nemen. (2) [受止める] pakken; tegenhouden. (3) [檢査] ondergaan; ervaren. (4) [蒙る] krijgen; lijden. (5) [許可等] krijgen; verkrijgen. ¶ 命を受ける bevel krijgen. ¶ 檢査を受ける onderzocht worden. ¶ 受ける gestraft worden. ¶ 俸給を受ける tractement ontvangen. ¶ 治療を受けてゐる onder geneeskundige behandeling.
keikaku計畫
(計画) zn. (1) [計畫] plan o.; programma o.; onderneming v. (2) [考へ] overweging v. ¶ 計畫中 in overweging. ¶ 計畫する in overweging nemen; plan maken; ondernemen; entameeren.
azukaru預かる
t.w. in bewaring nemen; zorg op zich nemen van; zorg dragen voor.
gomen御免
zn. (uw) vergunning v.; (uw) vergiffenis v.; (uw) verlof o. ¶ 御免なさい vergeef mij; neem me niet kwalijk. ¶ 一寸御免下さい wil mij een oogenblik excuseeren. ¶ これで御免を蒙ります ik moet nu eens afscheid gaan nemen. ¶ そんなもう御免だ zulke praatjes wensch ik niet te hooren; verschoon mij van zulke praatjes.
ketsubetsu訣別
(決別) zn. afscheid o. ¶ 訣別する afscheid nemen; vaarwel zeggen.
kokorozashi
zn. (1) [意向] wil m.; meening v. (2) [意圖] bedoeling v. (3) [目的] doel o. (4) [親切] welwillendheid v.; vriendelijkheid v. (5) [贈物] geschenk o. ¶ 志を達する zijn doel bereiken; zijn wensch vervuld zien. ¶ 志を抱く een doel hebben. ¶ お志だけ澤山です ik neem gaarne den wil voor de daad.
renbei聯袂
(連袂) bw. allen tezamen; als een man; eensgezind. ¶ 連袂辭職する “en bloc” ontslag nemen.
kyūsoku休息
zn. rust v. ¶ 休息する rust nemen.
kyūyō休養
zn. rust v.; recreatie v.; ontspanning v. ¶ 休養する rust nemen; uitrusten; op zijn verhaal komen; zich herstellen. ¶ 休養recreatiezaal; ontspannings-lokaal.
hōfuku報復

zn. vergelding v.; weerwraak v.; represaille v. ¶ 報復する vergelden; wraak nemen; zich wreken. ¶ 報復税率 invoerrecht bij wijze van represaille. ¶ 報復手段 represaillemaatregel.

taiho逮捕

zn. arrestatie v.; gevangenneming v. ¶ 逮捕する arresteeren; gevangen nemen; (俗) pakken. ¶ 逮捕狀 bevel tot inhechtenisneming.

koshikakeru腰掛ける
kōshū講習

zn. studie v.; les v. ¶ 講習する les nemen; studeeren. ¶ 講習會 cursus; klasse.

koyō傭庸

zn. dienst m.; werk o. ¶ 傭庸する in dienst nemen. ¶ 傭庸人 employé; werknemer. ¶ 傭庸主 werkgever; broodheer.

kudaru下る、降る

i.w. (1) [おりる] afdalen; afstijgen; afstappen (下降); vallen; neerkomen. (2) [命令が] afkomen. (3) [劣る] achterstaan bij; minder zijn dan. (4) [下痢] diarrhee hebben; loslijvig zijn. (5) [降參] zich overgeven; toegeven. (6) [引退] zich terugtrekken; ontslag nemen. (7) [都から田舍に行く] naar buiten gaan; het land op gaan. ¶ 天より下る uit den hemel nederdalen. ¶ 馬背より下る van het paard stijgen. ¶ 命令が下つた het bevel is afgekomen.

kumitoru汲取る

t.w. (1) [水など] putten; scheppen. i.w. (2) [推量] veronderstelling maken. (3) [酌量] in de gevoelens verplaatsen; omstandigheden in aanmerking nemen. ¶ 私の心を汲取つて吳れる人はない er is niemand, die zich in mijn gevoelens verplaatsen kan. ¶ 文意を汲取る tusschen de regels lezen.

kumiwakeru汲分ける

t.w. in aanmerking nemen; overwegen; i.w. rekening houden met. ¶ 汲みわける見よ.

kumu汲む、酌む

t.w. (1) [水等] putten; scheppen. (2) [酌量する] in aanmerking nemen. i.w. (3) [會飮する] samen drinken.

zenshaku前借

zn. voorschot o. ¶ 前借する voorschot nemen.

zantoku suru贊匿する

(賛匿する) i.w. de wijk nemen; zich verschuilen.

yushi諭旨

zn. officieele waarschuwing v.; advies om ontslag te nemen; (俗) boterbriefje o. ¶ 諭旨退學される aanzegging krijgen om van school af te gaan.

zn. aanwezigheid v.; bezit o. ¶ 有とする in bezit nemen. ¶ ……¶ の有に歸する in handen vallen van. ¶ 無より有は生ぜず “iets” kan niet uit “niets” voortkomen.

yuami suru湯浴する

i.w. een bad nemen.

yō-suru要する

t.w. vereischen; noodig hebben; eischen. ¶ 時間を要する tijd nemen.

yōhei傭聘

zn. dienst m. ¶ 傭聘する in dienst nemen.

yobō豫防

(予防) zn. voorkoming v.; voorbehoeding v.; voorzorg v. ¶ 豫防の preventief. ¶ 豫防する voorkomen; beletten; voorzorg nemen tegen; zorgen dat niet; tegengaan. ¶ 豫防注射 prophylactische inspuiting; inenting tegen. ¶ 豫防法 voorzorgsmaatregel; voorbehoedmiddel. ¶ 豫防劑 voorbehoedmiddel; prophylactisch middel.

yobi豫備

(予備) zn. (1) [準備] voorbereiding v.; toebereidselen o.mv. (2) [豫備] reserve v. ¶ 豫備室 extra kamer; kamer, die nog vrij is. ¶ 豫備錨 waardeloos anker; reserve-anker. ¶ 豫備判事 vervangend rechter. ¶ 豫備將校 reserveofficier. ¶ 豫備に持つてゐる in gereedheid houden; in reserve houden. ¶ 豫備軍 reservetroepen. ¶ 豫備金 reservefonds. ¶ 豫備交涉 voorloopige besprekingen. ¶ 豫備校 voorbereidende school. ¶ 豫備手段 voorzorgen; voorbereidende maatregelen. ¶ 豫備する in reserve houden; voorbereid zijn; voorzorgen nemen.

yatou雇ふ

t.w. in dienst nemen; huren; engageeren; gebruiken.

yasumu休む

i.w. (1) [休息] rusten. t.w. (2) [中止] ophouden; stoppen; pauzeeren. i.w. (3) [缺席] afwezig zijn. (4) [就寢] naar bed gaan; gaan slapen. ¶ 一日休む een dag vacantie nemen. ¶ 仕事を休む rusten van den arbeid. ¶ お休みなさい wel te rusten!; slaap lekker! ¶ 休め rust! ¶ 休む間もない geen tijd om te rusten.

yasumeru休める

i.w. (1) [休息] rust geven. t.w. (2) [安心] geruststellen. i.w. (3) [休止] pauzeeren; rust houden. ¶ 骨を休める rusten van den arbeid. ¶ 體を休める rust nemen.

yadoru宿る

i.w. logeeren; verblijven; vertoeven. ¶ 旅館に宿る zijn intrek nemen in een hotel. ¶ 草葉に露が宿る er ligt dauw op het gras. ¶ 女に子が宿る zij is zwanger.

watasu渡す

t.w. (1) [彼岸へ] overzetten. (2) [架する] overbruggen. (3) [送付する] overdragen; overhandigen; leveren. (4) [請負はす] contracteeren; i.w. werk aannemen. ¶ 次へ渡す doorgeven. ¶ 物品を渡す goederen leveren. ¶ 橋を渡す brug slaan. ¶ 河を渡す over de rivier zetten. ¶ 金を渡す geld overhandigen. ¶ 尺度を渡して見る de maat nemen.

waruku惡く

(悪く) bw. slecht; verkeerd. ¶ 惡く言ふ kwaad spreken van. ¶ 惡く取る kwalijk nemen; euvel duiden. ¶ 惡くなる bederven; erger worden. ¶ 惡くする bederven. ¶ 惡く甘い te zoet; erg zoet. ¶ 病氣が益々惡くなる de ziekte wordt hoe langer hoe erger.

wanryoku腕力

zn. physieke kracht v.; spierkracht v. ¶ 腕力に訴へる zijn toevlucht nemen tot geweld. ¶ 腕力を用ひる geweld gebruiken. ¶ 腕力の制裁を加へる eigen rechter zijn. ¶ 腕力政治 recht aan den sterkste.

waki

zn. (1) [胸] zijde van de borst. (2) [側] kant m. bw. (3) [他所] elders. ¶ 脇に行く op zijde gaan. ¶ 脇の zijdelingsch; ander; van ter zijde; van den anderen kant. ¶ 脇に(そばに) naast; ter zijde van; op zijde; (腋下に) onder den arm; in de zijde. ¶ 脇に寄る op zij gaan. ¶ 脇へ座る naast iemand gaan zitten. ¶ 脇に抱へる onder den arm dragen. ¶ 人を脇へ連れて行く iemand ter zijde nemen. ¶ 話を脇へそらす het gesprek op een ander onderwerp brengen. ¶ 流を脇へ向ける stroom afleiden. ¶ 脇の目で見る als omstander aanzien; van ter zijde zien.

wakareru別れる

i.w. zich afscheiden; scheiden; heengaan; uiteengaan; afscheid nemen; zich splitsen (岐出); uit elkaar vallen (分散). ¶ 分れて afzonderlijk. ¶ 仲好く別れる als goede vrienden scheiden. ¶ 東京市は十五區に分れてゐる Tokyo is verdeeld in vijftien wijken.

wakare

zn. (1) [分離] scheiding v. (2) [離別] afscheid o. (3) [分出] tak m. (4) [分岐] vertakking v.; arm m. (5) [區分] verdeeling v. ¶ 別れを告げる vaarwel zeggen; afscheid nemen. ¶ 別れの盃 afscheidsdronk. ¶ 別路 splitsing; zijweg. ¶ 此處で別路です hier loopen onze wegen uiteen; hier scheiden wij.

wagamono我物

zn. eigendom m.; bezit o. ¶ 我物顏の bazig. ¶ 我物にする in bezit nemen; zich toeëigenen; (俗) in de wacht slepen. ¶ 我物顏をする den baas spelen; bazen.

uwamae上前

zn. (1) [衣服の] bovenrok m. (2) [金の] squeeze v.; commissie v. ¶ 上前を刎ねる squeeze nemen; commissie nemen.

uramuうらむ

i.w. (1) [怨む] wrok koesteren; vijandig gezind zijn; t.w. kwalijk nemen; haten. (2) [憾む] betreuren; i.w. spijt hebben. ¶ 無情を怨む zich ergeren over iemand’s hardvochtigheid. ¶ 機を失したるを恨む ik heb het land, dat ik de gelegenheid voorbij heb laten gaan.

undō運動

zn. (1) [運轉] beweging v. (2) [身體の] lichaamsoefening v.; sport v. (3) [散步] wandeling v. ¶ 運動に出掛ける een beetje beweging gaan nemen; een eindje omstappen. ¶ 運動する in beweging zijn; beweging nemen; zich bewegen; bewegen; (奔走) zich moeite geven voor. ¶ 投票を得る爲區內を運動する een district bewerken om stemmen te krijgen. ¶ 運動服 sportcostuum; trui. ¶ 運動場 sportterrein. ¶ 運動家 athleet. ¶ 運動會 sportvereeniging (協會); gymnastiek-uitvoering (學校等の). ¶ 運動量 vaart; snelheid; beweegkracht. ¶ 運動性 bewegelijkheid. ¶ 運動者 agitator; verkiezingsagent (選擧の); propagandist. ¶ 運動神經 bewegingszenuw.

umai旨い

bn. (1) [美味な] lekker; smakelijk. (2) [上手な] knap; bekwaam. (3) [成功] uitstekend; tw. mooi zoo!; goed zoo!; bravo! bn. (4) [利得] voordeelig. ¶ 旨い物 lekkernij. ¶ 旨い趣向 gelukkig idee. ¶ 話をするのが旨い goed kunnen vertellen. ¶ うまく行けば als het goed gaat; als het meeloopt. ¶ 旨い汁を吸ふ het leeuwenaandeel nemen.

uketoru受取る

t.w. in ontvangst nemen; ontvangen; aannemen. ¶ 右金額正に受取申候也 bovenstaand bedrag in goede orde ontvangen. ¶ 本當とは受取れぬ ik kan niet aannemen, dat het waar is.

uketsuke受附

zn. informatiebureau; bureau van den portier. ¶ 受附掛 portier; concierge. ¶ 受附ける in ontvangst nemen. ¶ 願書は三日以後は受附けず verzoeken na den derden ontvangen worden zonder meer ter zijde gelegd; verzoeken uiterlijk in te dienen den derden van deze maand.

ukeau請合ふ

t.w. (1) [引受ける] op zich nemen. i.w. (2) [保證] borgstaan voor; instaan voor; t.w. waarborgen; garandeeren. ¶ 正直なる事を請合ふ instaan voor de eerlijkheid. ¶ 三年間もつ事は請合ひます wij garandeeren dit voor drie jaar; wij geven drie jaar garantie. ¶ 請合つて本當です het is heusch waar.

tsumikomi積込

(積み込み) zn. lading v.; verscheping v. ¶ 積込値段 prijs, geleverd franco boord. ¶ 積込む laden; inladen; aan boord nemen.

tsuma

zn. vrouw v.; echtgenoote v. ¶ 妻を取る getrouwd zijn. ¶ 妻を迎へる trouwen; een vrouw nemen.

tsuku就く

t.w. (1) [就任] nemen; aanvaarden; i.w. (2) [著席] gaan zitten. (3) [師に] les nemen van; studeeren onder. ¶ 席に就く plaats nemen. ¶ 官途に就く in gouvernementsdienst gaan; ambtenaar worden. ¶ 寢に就く naar bed gaan. ¶ 僧職に就く priester worden.

tsukekaeru附換へる

(付け替える) t.w. vernieuwen; vervangen. ¶ ペンを附換へる andere pen nemen.

tsukau使ふ

(使う) t.w. (1) [使用] gebruiken; aanwenden. (2) [雇使] in dienst nemen. (3) [消費] verteren; verbruiken. ¶ 鋏を使ふ schaar gebruiken. ¶ 石運びに使ふ steenen laten sjouwen. ¶ 人を酷く使ふ menschen afbeulen. ¶ 金を……¶ に使ふ geld uitgeven voor; geld besteden aan. ¶ 蘭語を使ふ in ’t Hollandsch zeggen; Hollandsch praten.

tsugeguchi吿口

(告げ口) zn. klikspaan m. & v. ¶ 吿口する klikken; verklappen. ¶ 吿げる mededeelen; berichten; bekendmaken; kennisgeven; vertellen. ¶ 別れを吿げる afscheid nemen; voorgenomen vertrek aankondigen.

SUPPLEMENT (trefwoord)
jidori自撮り
(zn,suru-ww) Afgeleid van 自分撮り jibundori. Selfie; zelfie; zelfportret. ¶ 自撮りする jidorisuru een selfie nemen [maken]. ¶ 可愛い自撮りありがと(*^^*) Kawaii jidori arigato (*^^*) Bedankt voor je schattige zelfie (*^^*) ¶ 自撮りしてみた Jidorishite mita Ik heb een zelfie geprobeerd; poging tot een zelfie. (twitter)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <nemen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ゆったりする yuttarisuru doen alsof m'n thuis is; het zich gemakkelijk maken; z'n gemak (ervan) nemen
一服する ippukusuru (1) een kop thee drinken; nemen; [inform.] een bakkie doen; (2) eentje roken; een trekje nemen; doen; (3) kort onderbreken; adempauze nemen; een korte pauze inlassen; wat rust nemen; even rusten; [i.h.b.] een rookpauze; theepauze; koffiepauze inlassen; (4) [株式の買いが] kalm verlopen
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;とらんぷ;まーじゃんで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [ばってりーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
与する kumisuru (1) iemands partij kiezen; trekken; nemen; partij kiezen voor; de kant kiezen van; gemene zaak maken met; aan iemands kant gaan staan; zich aansluiten bij; zich scharen aan de zijde van; het eens zijn met; bijvallen; [Belg.N.] bijtreden; (2) deelnemen aan; meedoen met; meewerken aan; betrokken zijn bij; (3) bijstaan; helpen; steunen; steun verlenen
処分する shobunsuru (1) wegdoen; van de hand doen; afhandelen; beschikken; afdoen; maatregelen treffen; nemen; opruimen; afwikkelen; liquideren; (2) afrekenen met; onder handen nemen; straffen; een appeltje schillen met; (3) ruimen; afmaken; uit zijn lijden helpen; een spuitje geven
取り外す torihazusu (1) wegnemen; afnemen; afhalen; verwijderen; weghalen; losmaken; (2) ontmantelen; demonteren; uit elkaar halen; nemen; onttakelen; [てんとを] opbreken; [車両を] ontkoppelen
取り tori (1) nemen; inning; (2) nemer; inner; (3) [variététheater] laatste act; laatste performer; [i.h.b.] topattractie; (4) programma-afsluiter; slotfilm; (5) [eufonisch voorvoegsel]
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
取外し torihazushi (1) wegneming; afneming; het afhalen; verwijdering; het weghalen; losmaking; (2) ontmanteling; het demonteren; het uit elkaar halen; nemen; onttakeling; [てんとの] het opbreken; [車両の] ontkoppeling
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek;ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
呑む nomu (1) [fig.] slikken; nemen; pikken; accepteren; aanvaarden; [i.c.m. ontkenning] pruimen; incasseren; [fig.] verduwen; [inform.;fig.] vreten; (2) overweldigen; overdonderen; inpakken; [fig.;sportt.] inblikken; [fig.] inmaken; [fig.;sportt.] afdrogen; (3) bedwingen; onderdrukken; [m.b.t. tranen] inslikken; inhouden; smoren; (4) verborgen houden; verhelen; achterhouden
奉る tatematsuru (1) [hum.] aanbieden; schenken; offreren; offeren; presenteren; verschaffen; [w.g.] reiken; (2) [scherts.] geven; opgeven; (3) pro forma benoemen; eershalve aanstellen; (4) [hon.] nuttigen; gebruiken; eten; drinken; nemen; innemen; (5) [hon.] aantrekken; omdoen; (6) [hon.] instappen; instijgen; (7) […~] [hum. hulpwerkwoord]; (8) laten aanbieden; doen geven; (9) sturen; afvaardigen; zenden
実験する jikkensuru experimenteren; proefnemingen doen; proeven doen; nemen; een experiment doen; uitvoeren; proefondervindelijk testen
en (a) meer ruimte in beslag (doen) nemen; (zich) verspreiden; (zich) uitbreiden; (b) meer tijd in beslag (doen) nemen; (doen) uitlopen; uitstellen; (c) binnenbrengen
忍ぶ shinobu (1) verdragen; dulden; uitstaan; nemen; pikken; slikken; tolereren; (2) zich verbergen; zich verstoppen; zich verschuilen; zich gedekt houden; [人目を] ontkomen aan; zich onttrekken aan; ontduiken; (3) zich heimelijk; geniepig gedragen
手に取る tenitoru nemen; ter hand nemen; in handen nemen; aangrijpen
手を引く tewohiku (1) bij de hand leiden; nemen; (2) de hand aftrekken van; z'n handen aftrekken van; zich niet meer bemoeien met; zich afwenden van; betrekkingen afsnijden met; breken met; niet meer te maken willen hebben met; afhaken; zich terugtrekken uit; wegtrekken uit; terugkrabbelen; achteruitkrabbelen; de aftocht blazen
抱き締める dakishimeru tegen zich aandrukken; aan de borst; aan het hart drukken; omhelzen; omarmen; pakken; omstrengelen; in de armen sluiten; nemen; tegen zich klemmen; omklemmen
抱く daku (1) omarmen; omhelzen; omstrengelen; omvatten; in zijn armen houden; in de armen sluiten; aan het hart; zijn borst drukken; tegen zich aandrukken; aanhouden; tegen zijn borst klemmen; [m.b.t. vogels] broeden; [i.c.m. 卵を] bebroeden; (2) koesteren; [fig.] omhelzen; [fig.] omarmen; (3) [euf.] omhelzen; omgang; gemeenschap hebben; vrijen; kroelen; nemen; pakken
押さえる osaeru (1) onderdrukken; naar beneden drukken; (2) beheersen; bedwingen; (met overmacht) in bedwang houden; eronder houden; (3) tegenhouden; voorkomen; terughouden; (4) arresteren; gevangennemen; in hechtenis nemen; aanhouden; in zijn kraag grijpen; (5) [de oren] dichtstoppen; [met de handen de ogen] bedekken; verbergen; [met de handen het hoofd] vasthouden; [de hand voor de mond] houden; (6) [waar men recht op heeft;een deel van het loon etc.] achterhouden; terughouden; niet geven; onthouden; (7) beslag leggen op [goederen;eigendom;documenten etc.]; gerechtelijk in beslag nemen; confisqueren; (8) grijpen; pakken; nemen; in zijn klauwen krijgen; (9) een voorzichtige raming doen; een voorzichtige schatting maken; behoedzaam begroten; (10) plafonneren; niet hoger laten oplopen dan; [de prijzen] drukken; binnen een bepaalde limiet houden; onder een bepaalde limiet houden
担う ninau (1) op de schouders dragen; nemen; torsen; (2) zich belasten met; (de verantwoordelijkheid) op zich nemen (van); op zich laden; voor zijn rekening nemen
持ち出す mochidasu (1) mee naar buiten nemen; brengen; mee (uit) nemen; (2) achterhouden; verduisteren; verdonkeremanen; (3) erbij betrekken; erbij halen; ter sprake brengen; naar voren brengen; in het midden brengen; de aandacht vragen voor; aansnijden; voorleggen; beginnen te praten over; (4) voor de dag komen met; opbrengen; [fig.] ophoesten
持つ motsu (1) (bij zich) hebben; houden; dragen; nemen; (2) bezitten; beschikken over; eigenaar zijn van; in eigendom hebben; toegerust zijn met; (3) koesteren; voelen; toedragen; (4) zich belasten met; verantwoordelijk zijn voor; (5) voor zijn rekening nemen; betalen; [de kosten] dragen; (6) meegaan; duren; bruikbaar blijven; duurzaam zijn; houdbaar zijn; aanhouden; (7) volhouden; [het niet lang meer] trekken; uithouden; (ver)dragen; verduren; velen
sai nemen; selecteren
撮る toru [写真を] nemen; schieten; [Belg.N.] trekken; [映画を] opnemen; vastleggen; [しーんを] (weten te) vangen; [pregn.] kieken
甘受する kanjusuru zich laten welgevallen; zich laten aanleunen; incasseren; pikken; nemen; slikken; gewillig; lijdelijk accepteren; gelaten aanvaarden; goedschiks ondergaan; het er bij laten zitten; over z'n kant laten gaan; verdragen; tolereren; gedogen; dulden; berusten in; zich neerleggen bij; zich resigneren bij; zich schikken in; voor lief nemen; [veroud.] gehengen
登る noboru opklimmen; klimmen in; klimmen op; beklimmen; bestijgen; [階段を] opstappen; opgaan; oplopen; nemen
着席する chakusekisuru plaatsnemen; gaan zitten; zich zetten; gaan neerzitten; een stoel pakken; nemen; een zeet ne­men
納まる osamaru (1) bezorgd worden; besteld worden; geleverd; afgeleverd worden; (2) gesetteld raken; rust vinden; zich thuis gaan voelen; ingewerkt raken; (3) verdragen; slikken; nemen; pikken; genoegen; vrede nemen
締める;絞める;〆める;緊める shimeru (1) (締める;絞める)[帯を] aanhalen; omdoen; omgorden; strak trekken; verstrakken; gespannen maken; aanspannen; opspannen; spannen; aanzetten; aansnoeren; vastsnoeren; [栓を] vastdraaien; aandraaien; dichtdraaien; [ねじで] aanschroeven; (2) (絞める) wurgen; kelen; doen stikken; verwurgen; smoren; verstikken; de strot dichtknijpen; de keel toeknijpen; [w.g.] stranguleren; [m.b.t. pluimvee] de nek omdraaien; [euf.] slachten; [arch.] worgen; (3) (締める;〆める) afronden; sluiten; [勘定を] afsluiten; [i.h.b.] (alles) bij elkaar optellen; rekenen; nemen; [i.h.b.] sommeren; (4) (締める;緊め) streng zijn voor; tegen; goed in bedwang hebben; kort houden; [uitdr.] de teugels aanhalen; [uitdr.] de schroeven wat aandraaien; (5) (締める) bezuinigen (op); besparen (op); besnoeien (op); zuinig; spaarzaam zijn (met); matigen; economiseren; [m.b.t. uitgaven] inperken; beperken; inkrimpen; bekrimpen; terugbrengen; [uitdr.] de buikriem; broekriem aanhalen; versoberen; [m.b.t. overheid;fig.;euf.] ombuigen; (6) (絞める;〆める) [cul.] met zout of azijn behandelen (zodat het (vis)vlees stevig wordt); [i.h.b.] pekelen; [i.h.b.] marineren; [塩で] zouten; [酢で] met azijn behandelen
解体する kaitaisuru ontmantelen; demonteren; slopen; afbreken; uit elkaar halen; nemen; onttakelen; opbreken; ontbinden; dissolveren
講ずる kouzuru (1) doceren; lesgeven; uitleggen; instrueren; onderrichten; (2) [手段;方法;対策を] uitdenken; bedenken; nemen; treffen; ondernemen; (3) [和を] vrede stichten; sluiten; (4) [詩歌を] voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [meton.] brengen
負う ou (1) op de rug nemen; tillen; dragen; torsen; (2) [責任を] zich belasten met; aanvaarden; dragen; op zich laden; nemen; zich aansprakelijk stellen; (3) [恩人に] schuldig; verplicht; verschuldigd; schuldplichtig zijn; in het krijt staan bij; (4) [傷を] oplopen
額面どおりに受け取る gakumendooriniuketoru kritiekloos accepteren; op z'n woord geloven; letterlijk opvatten; nemen
食べる taberu (1) eten; opeten; consumeren; gebruiken; nemen; nuttigen; verorberen; naar binnen werken; wegwerken; [inform.] bikken; [inform.] binnenslaan; [i.h.b.] zich voeden met; [uitdr.] de inwendige mens versterken; (2) de kost verdienen; aan de kost komen; in zijn onderhoud voorzien; leven (van)
飲む nomu (1) drinken; innemen; nemen; nuttigen; gebruiken; tot zich nemen; [een pilletje enz.] slikken; [van soep enz.] eten; [i.h.b.] zwelgen; [drank] naar binnen werken; [in Ind.] minoemen; [uitdr.] de keel dopen; [uitdr.] de keel smeren; [uitdr.] de beker lichten; (2) [een sigaretje enz.] roken; [de adem enz.] inhouden; (3) [fig.] verzwelgen; opslokken; opslorpen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.73 sec. jiten.nl: 60 treffers, warandict: 36 treffers (zoekopdracht: 'nemen'). 
2005-2026