日蘭辭典+

20 resultaten voor ‘bedekken’
日蘭辭典 (trefwoord)
oi
(覆い) zn. bedekking v.; overtrek (蒲團などの) o.; ¶ 何かで覆をしなさい bedek het ergens mee; leg er iets overheen.
uwaoi上覆

zn. bedekking v. ¶ 上覆する dekken; bedekken; toedekken.

uwabari上張

zn. bekleeding v. ¶ 上張をする bekleeden; bedekken.

tsutsumu包む

t.w. (1) [くるむ] inpakken; wikkelen in. (2) [覆ふ] bedekken. (3) [圍む] omringen; omgeven. (4) [隱す] verbergen; verheimelijken; bemantelen. ¶ 紙で包む in papier pakken; met papier omwikkelen. ¶ 喉を包む een doek om den hals doen. ¶ 包まず zonder iets te verbergen; openhartig. ¶ 包まず白狀する volledige bekentenis afleggen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <bedekken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
カバーする kabaasuru (1) vergoeden; compenseren; goedmaken; vereffenen; verrekenen; (2) bewaken; beschermen; [sportt.] dekken; (3) afdekken; bedekken; bekleden; (4) rugdekking geven; ondersteunen; helpen
kan (1) kroon; (2) uitmuntendst; meest uitgelezen; subliemst; (3) [sportt.] [maatwoord voor verworven titels;behaalde kampioenschappen]; (a) kroon; krans; (b) zegekrans; overwinningskroon; (c) meerderjarigheidsviering; (d) bedekken; van top voorzien; (e) aan de top staan; boven allen uitblinken; (f) bovenste component van een Chinees karakter
beki (1) [wisk.] macht; (a) bedekken; afdekken; (b) [wisk.] macht
包む tsutsumu (1) inpakken; pakken; inwikkelen; omwikkelen; wikkelen; inwinden; winden; hullen; [een papiertje enz.] omdoen; (2) hullen; omgeven; omhullen; verhullen; omsluieren; versluieren; voileren; omfloersen; (3) verhelen; verbergen; bedekken; verstoppen; (innig) verborgen houden; geheimhouden; wegstoppen; aan het zicht onttrekken; (4) (een geldsom; fooi; condoleantiegift enz.) onder couvert aanbieden; overhandigen
塗り潰す nuritsubusu (1) bedekken; overschilderen; oververven; aanstrijken; aansmeren; (2) verdoezelen
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen;oren;mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd;plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; (6) versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
引く hiku (1) trekken (aan); halen; [een hendel;de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn;een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden; (16) achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (17) zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (18) afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に〜] vasthaken; [十字架に〜] slaan; [審議に〜] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に〜] op het vuur zetten; (4) [けーぶるを〜] leggen; [橋を〜] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を〜] in brand steken; [さらだにどれっしんぐを〜] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [しょーるを〜] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ぼたんを〜] dichtdoen; vastmaken; [錠を〜] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を〜] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を〜] telegraferen; (10) wegen; het gewicht vaststellen; (11) vermenigvuldigen; (12) [望みを〜] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを〜] richten; [思いを〜] verliefd worden op; [人に…の疑いを〜] aankijken op; (13) [税を〜] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を〜] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) [機械を〜] aanzetten; [目覚し時計を〜] zetten; [みしんを〜] met; op de machine naaien; [あいろんを〜] strijken; [れこーど;CDを〜] opzetten; afdraaien; [時計のねじを〜] opwinden; (15) [暇;金を〜] besteden aan; (16) [賞金を〜] uitloven; (17) [診療に〜] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) [雌牛を雄牛に〜] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) [心に〜] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
敷く shiku (1) [敷物を] spreiden; uitspreiden; leggen; uitleggen; uitstrekken; neerleggen; [蒲団を] maken; (2) [石を] plaveien; bestraten; bevloeren; bedekken; beleggen; [砂利を] begrinden; begrinten; (3) [座布団を] gaan zitten op; plaatsnemen op; (4) [鉄道を] aanleggen; [陣を] opslaan; optrekken; (5) uitvaardigen; promulgeren; afkondigen; over heel het gebied doen gelden
着せる kiseru (1) aankleden; kleren aantrekken; bedekken; (2) bekleden; bedekken met; (3) aanstrijken met verf; (4) fineren; (5) de schuld afschuiven op; iets toeschrijven aan; ten laste leggen; betichten; aanwrijven; aantijgen
被覆する hifukusuru (1) bedekken; bekleden; overtrekken; coaten; mantelen; omhullen; [i.h.b.] isoleren; (2) [wisk.] overdekken
hi (1) [drukt passiviteit uit;of het ondergaan van een actie]; (a) bedekken; afdekken; (b) aantrekken; opzetten; hoofdbedekking; (c) incasseren; verduren; ondergaan; (d) ge… worden
覆い被さる ooikabusaru hangen over; bedekken
覆い被せる ooikabuseru bedekken; toedekken
覆い隠す ooikakusu verbergen; wegstoppen; verstoppen; achterhouden; schuilhouden; geheimhouden; verhelen; verhullen; verheimelijken; toedekken; bedekken; wegmoffelen; verdoezelen
覆う;被う;蔽う;蓋う;掩う oou (1) bedekken; afdekken; spreiden over; uitspreiden over; omhangen; bekleden; draperen; (2) verbergen; verstoppen; wegstoppen; maskeren; [m.b.t. oren) dichtstoppen; (3) beschermen; beschutten; behoeden; afschermen; (4) afschermen; afweren; overschaduwen; beschaduwen; schaduwen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.72 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'bedekken'). 
2005-2026