RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <verliezen>
亡くす nakusu (door de dood) verliezen
倒れる taoreru (1) vallen; omvallen; onderuitgaan; omgaan; omslaan; [後ろに] achteroverslaan; neervallen; [あおむけに] achterovervallen; neertuimelen; kiepen; neergaan; neerkomen; omvergaan; neerzijgen; omtuimelen; omvertuimelen; tuimelen; omkantelen; omverkantelen; kantelen; omwippen; omduikelen; duikelen; [inform.] omkiepen; omkieperen; [inform.;scherts.] omkukelen; [建物が] omstorten; instorten; ineenstorten; tegen de vlakte gaan; [船が] kapseizen; kenteren; [稲が] gaan legeren; (2) erbij neervallen; instorten; inklappen; ineenzakken; inzakken; in elkaar zakken; in elkaar klappen; afknappen; het begeven; een instorting; inzinking krijgen; plat gaan; [病に] ziek worden; (3) [fig.] vallen; ten val komen; te gronde gaan; ten onder gaan; tenietgaan; [sportt.] verliezen; het afleggen tegen; een nederlaag lijden; in het stof; zand bijten; (5) failliet gaan; failleren; bankroet gaan; buitelen; over de kop gaan; eronderdoor gaan; op de fles; flacon gaan; springen; een sprong door de ton doen; zich ruïneren; de boeken neerleggen; [veroud.] naar Vianen gaan
喪失する sōshitsusuru verliezen; kwijtraken; verspelen; verbeuren
失う ushinau (1) verliezen; kwijtraken; (2) [機会を~] [een kans] missen; ontglippen; (3) beroofd worden van; ontdaan worden van; ontzetten worden uit
失する shissuru (1) verliezen; [機会を] missen; (2) […に~] té … zijn
失 shitsu (1) verlies; (2) vergissing; misser; (3) gebrek; tekortkoming; (4) [honkb.] veldfout; fout; (a) verliezen; kwijtraken; verdwijnen; (b) onwillekeurig lossen; (c) fout; misser; vergissing
引けを取る hikeotoru verslagen worden; overwonnen worden; het afleggen tegen; het onderspit delven; aan het kortste eind trekken; de nederlaag lijden; verliezen; onderdoen; de mindere zijn; achteropraken
損する sonsuru verliezen; verlies lijden; erbij inschieten; kwijtraken; eraan inboeten
損害 songai schade; beschadiging; [fig.] averij; verlies; [i.h.b.] verlies aan mensenlevens; [i.h.b.] verliezen; [i.h.b.] slachtoffers
敗北する haibokusuru verslagen worden; verliezen; een nederlaag lijden; het afleggen tegen; echec lijden; aan het kortste eind trekken; het onderspit delven
潰す tsubusu (1) pletten; platdrukken; verpletteren; vermorzelen; te pletter drukken; in elkaar drukken; stampen; fijnstampen; fijnmaken; prakken; [m.b.t. puistje] uitknijpen; (2) verspillen; vergooien; verkwanselen; versjacheren; verkwisten; dissiperen; [i.h.b.] verbrassen; [i.h.b.] opsouperen; doorjagen; [inform.] doordraaien; (3) ruïneren; [inform.] reneweren; te gronde richten; [fig.] knakken; [inform.] opdoeken; [i.h.b.] failliet doen gaan; [fig.] de deuren sluiten; (4) [時間を] doden; korten; verdrijven; passeren; (nutteloos) besteden; verdoen; verbeuzelen; (5) [m.b.t. (pluim)vee] slachten; (6) [m.b.t. plannen] doen mislukken; verijdelen; afschieten; (7) [声;喉を] hees doen worden; kapotmaken; verliezen; (8) omsmelten; afbreken; weer tot grondstof maken; (9) in verlegenheid brengen; compromitteren; [顔を] gezichtsverlies doen lijden; met rode kaken doen staan; (10) van streek brengen; (11) [m.b.t. gaatjes] opvullen; vullen; dichten; dichtmaken; (12) tot verslijtens toe …
無くす nakusu verliezen; kwijtraken; erbij inschieten; derven; zoekmaken; wegmaken; wegdoen; afvoeren; schrappen; bannen; [i.h.b.] verspelen
破れる;敗れる yabureru (1) scheuren; openrijten; rijten; aan flarden gaan; rafelen; doorscheuren; (2) breken [bv. glas]; barsten; springen [bv. ballon]; verslijten [bv. schoenen]; slijten; begeven; ineenstorten [bv. land]; instorten; uiteenvallen; in elkaar storten; kapotgaan; stukgaan; collaberen; (3) [m.b.t. onderhandelingen] afspringen; afketsen; aan scherven liggen [bv. droom]; verstoord worden [bv. evenwicht]; teloorgaan; verloren gaan; (4) bedrogen uitkomen; mislukken [in de liefde]; teleurgesteld worden; [in zijn verwachtingen] beschaamd worden; gedwarsboomd worden; gefrustreerd worden; (5) [een wedstrijd] verliezen; het onderspit delven; bezwijken; (6) gewond zijn; verwond zijn; geblesseerd zijn; gekrenkt zijn; gekwetst zijn; gegriefd zijn; ontredderd zijn
紛失する funshitsusuru (1) zoekraken; verloren gaan; [inform.] foetsie raken; kwijtraken; ontbreken; mankeren; [Belg.N.] kwijtspelen; (2) verliezen; kwijtraken; niet (meer) hebben; moeten missen; kwijtmaken; zoekmaken; wegmaken
落とし物をする otoshimonoosuru verliezen; kwijtraken; kwijtspelen; niet meer kunnen vinden
落とす otosu (1) laten vallen; neergooien; naar beneden gooien; droppen; (2) verliezen; zonder dat men er zich van bewust is iets laten vallen; al gaande ongemerkt laten vallen; kwijtraken; (3) [een vlek] verwijderen; uitwassen; wegwassen; [een baard] afscheren; wegscheren; afschrapen; wegschrapen; (4) innemen; veroveren; doen vallen; bemachtigen; zich meester maken van; (5) weglaten; schrappen; ontdoen van; laten uitvallen; (6) zachter gaan praten; [zijn stem] verstillen; verzachten; [zijn blik] naar de beneden richten; [zijn blik] naar de grond richten; [zijn blik] neerslaan; (7) (zich) verlagen; zich vernederen; degraderen; ontaarden; in waarde verminderen; [het vertrouwen] verliezen; (8) verslechteren; slechter maken; (9) [een duivel;een kwade geest etc.] uitdrijven; [een ziekte;een kwaal etc.] verdrijven; genezen; (10) afdingen; afbieden; pingelen; (11) [een persoon] laten ontsnappen; laten ontkomen; laten vluchten; (12) vangen; in de val laten lopen; te pakken krijgen; (13) [een kandidaat] verwerpen; niet selecteren; niet slagen [voor een examen]; (14) [m.b.t. rakugo 落語] [een verhaal] tot een komisch einde brengen; [een verhaal] eindigen met een rake opmerking; (15) [een schaduw] werpen
負ける makeru (1) verliezen; [sportt.] onderuitgaan (tegen); het afleggen tegen; een nederlaag lijden; klop krijgen; [i.h.b.] succumberen; [Belg.N.] de duimen leggen; het onderspit delven; in het stof bijten; in het zand bijten; aan het kortste eind trekken; [uitdr.] voorgaats gaan; [uitdr.;volkst.] de vellen krijgen; (2) zwichten; bezwijken voor; onderdoen voor; de mindere zijn van; achterstaan bij; toegeven aan; de wijste zijn; wijken voor; buigen; opzij gaan voor; zich onderwerpen; zich overgeven aan; zich neerleggen; (3) [vol uitslag enz.] komen te zitten; [uitslag e.d.] krijgen; reageren op; een fysieke reactie vertonen op; (4) afprijzen; de prijs verminderen; in prijs verlagen; korting geven; reductie geven; goedkoper geven; er wat afdoen; [x% van de prijs enz.] aftrekken; in mindering brengen; [i.h.b.] toegeven; extra geven; (5) door de vingers zien; oogluikend toelaten; over zijn kant laten gaan
連敗 renpai reeks nederlagen; verliezen; verliesreeks; opeenvolgende nederlagen; nederlagen op een rij
遺失する ishitsusuru verliezen; achterlaten; vergeten mee te nemen