日蘭辭典+

50 resultaten voor ‘maat’
日蘭辭典 (trefwoord)
atsurae
(誂え) zn. order v.; bestelling v.; opdracht v. ¶ 誂の volgens bestelling gemaakt; op maat gemaakt.
hyōshi拍子
zn. (1) [調子] maat v.; rhythme o.; rhythmus m.; tempo o. (2) [はずみ] gelegenheid v.; toevallige omstandigheid v.; ¶ 三拍子 driekwartsmaat. ¶ 拍子を合はせる maat houden. ¶ 拍子を合せて in de maat. ¶ 拍子拔け uit de maat. ¶ 拍子拔けをさす ontmoedigen. ¶ どうかして拍子で door een toevallige omstandigheid. ¶ ……する拍子に juist terwijl...... ¶ 拍子よき goed in de maat; glad; van een leien dakje. ¶ 萬事拍子よく行った het is alles vlot gegaan; alles is van een leien dakje gegaan. ¶ 拍子木 houten klappers.
watasu渡す

t.w. (1) [彼岸へ] overzetten. (2) [架する] overbruggen. (3) [送付する] overdragen; overhandigen; leveren. (4) [請負はす] contracteeren; i.w. werk aannemen. ¶ 次へ渡す doorgeven. ¶ 物品を渡す goederen leveren. ¶ 橋を渡す brug slaan. ¶ 河を渡す over de rivier zetten. ¶ 金を渡す geld overhandigen. ¶ 尺度を渡して見る de maat nemen.

ugō烏合

zn. bende v.; gepeupel o. ¶ 烏合の ordeloos; wanordelijk. ¶ 烏合の衆 ordelooze bende; gespuis; Jan Rap en zijn maat.

tsūyaku通約

zn. herleiding tot gemeenschappelijke maat; onderlinge meetbaarheid v.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <maat>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
カスタム kasutamu (1) gewoonte; (2) douaneheffing; invoerrechten; [i.h.b.] douane; (3) maat-; op maat gemaakt; op bestelling gebouwd
ゲージ geeji (1) maat; [m.b.t. vuurwapens] kaliber; [m.b.t. plaatijzer] dikte; [m.b.t. hoeveelheid draden per cm²] gauge; (2) meetinstrument; meter
サイズ saizu formaat; grootte; omvang; maat; afmeting
タクト takuto (1) [muz.] maat; (2) [muz.] het dirigeren; directie; leiding; (3) [muz.] maatstok; dirigeerstok; baton; (4) tact; discretie; kiesheid; diplomatie
パートナー paatonaa (1) partner; medespeler; maat; (2) partner; gezel; levenspartner; (3) partner; vennoot; deelgenoot
ビート biito (1) maat; ritme; beat; (2) [zwemsport] snel doorlopende beenslag; (3) [plantk.] biet; beetwortel
メイト meito maat; kameraad
メジャー mejaa (1) het meten; meting; (2) maat; maatstok; maatlat; [i.h.b.] meetlint; maatlint; meetband
メート meeto maat; kameraad
モジュール mojuuru (1) module; (2) modulus; maatstaf; maat
一回り hitomawari (1) ronde; rondje; toer; (2) [astrol.] (twaalfjaarlijkse) cyclus; (tijdkring van) twaalf jaar; (3) armvol; (4) maat; maatje; (5) periode van zeven dagen; week
一拍 ippaku (1) één klap in de handen; (2) [muz.] één maatslag; maat; slag; (3) [fon.] één klanklengte; mora
仲間;中間 nakama (1) maat; partner; metgezel; genoot; makker; kameraad; gezel; compeer; compagnon; collega; deelgenoot; vriend; medestander; [inform.] kornuit; [fig.] gildebroeder; [fig.] medespeler; (2) gezelschap; compagnonschap; confrérie; groep; coterie; incrowd; bende; kring; club; consorten; stelletje; gang; [fig.] gilde; [inform.] kliek; (3) soortgenoot; slag
kurai (1) rang; stand; klasse; (2) graad; maat; mate; (3) waardigheid; (4) positie; plaats; ligging; (5) troon; kroon; het koningschap; (6) (in een getal) cijfer; (7) […~] [partikel dat een hoeveelheid;mate bij benadering uitdrukt] ongeveer; circa; om en bij; omtrent; bij benadering; […~] hoeveel?; hoe lang?; hoeveel tijd?; (8) […~] [partikel dat een referentiepunt bij benadering uitdrukt] bijna; nagenoeg; haast; bijkans; zo … als; even … als; in die mate; genoeg om te …; (9) […~なら] [partikel dat een extreem voorbeeld geeft;of het belang van een voorbeeld nuanceert;overdrijft] tenminste; eerder … dan; liever … dan
体格 taikaku lichaamsbouw; lichaamsgestel; gestel; lichamelijke gesteldheid; fysiek; bouw; postuur; vorm; figuur; maat
分量 bunryou hoeveelheid; kwantiteit; maat; grootte; [i.h.b.] dosis; dosering
升目;枡目;桝目 masume (1) maat; (2) ruitje; hokje; veld; cel
友人 yuujin vriend; maat; makker; kameraad; [in Ind.] sobat
号数 gousuu (1) grootte; afmeting; formaat; maat; (2) [雑誌の] nummer; afleveringnummer
同士 doushi (1) maat; kameraad; vriend; (2) mede-; collega-; -genoot; -broeder
大きさ ookisa grootte; omvang; afmeting; formaat; maat
大将 taishou (1) [mil.] generaal; veldheer; (2) [mar.] admiraal; (3) baas; chef; oude; ouwe; (4) maat; kerel
大小 daishou (1) grote en kleine dingen; (2) grootte; formaat; maat; afmeting; omvang; schaal; kaliber; (3) lang en kort zwaard; rapier en ponjaard
大統領 daitouryou (1) president; (2) [groot gelijk,] joh!; [zo mogen wij het horen,] maat!; [heel juist,] man!
寸法 sunpou (1) maat; afmeting; grootte; formaat; (2) plan; programma; schema; planning; opzet
小節 shousetsu [muz.] maat; maatstreep
do (1) maat; juiste hoeveelheid; juiste afmeting; juiste proportie; (2) [m.b.t. gezichtsscherpte] scherpte; sterkte; [m.b.t. sterkte van lenzen] dioptrie; (3) kalmte; zelfbeheersing; flegma; aplomb; (4) [boeddh.] pāramitā; (5) [deel van een schaalverdeling;bv. m.b.t. thermometrie] graad; (6) [m.b.t. goniometrie] graad; (7) [m.b.t. aardrijkskunde] graad; (8) [m.b.t. alcoholgehalte] graad; (9) [m.b.t. frequentie] keer; (10) [m.b.t. muziek] toontrap
拍子 hyoushi (1) [muz.] maat; ritme; tempo; (2) gelegenheid; moment; ogenblik; (3) [maatwoord voor maten;ritmes]
朋輩 houbai collega; kameraad; ambtgenoot; genoot; gezel; metgezel; makker; maat; medearbeider; consorten; [i.h.b.] handlanger; complice
枡;升;斗 masu (1) maat; maatbak voor droge; natte waren; (2) [ton.] loge; logeplaats; (3) hokje; vak; veld; ruit; cel; (4) [maatwoord voor logeplaatsen;waarbij 1 masu doorgaans plaats biedt aan 4 toeschouwers]
歩調 hochou pas; gang; tred; maat; wandeltempo; tempo
nori (1) wet; voorschrift; (2) rede; moraal; (3) methode; manier; (4) [boeddh.] dharma; (5) afstand; traject; (6) maat; afmeting; (7) [bouwk.] helling; hellingshoek; hellingsgraad
目;眼 me (1) oog; doppen; kijkers; [kindert.] piepers; kijkerd; gaten; glimmers; [gew.;vulg.] keut; [Barg.] glimmerik; [Barg.] spanling; [Barg.;volkst.] lampjes; (2) het zien; gezicht; gezichtsvermogen; zicht; gezichtsveld; vizier; blik; oogopslag; kijk; optiek; gezichtspunt; oogpunt; zienswijze; inzicht; zorg; (3) aanzicht; aanblik; (4) ervaring; (5) opening; tussenruimte; (6) maatstreep; maat; (7) volume; inhoud; (8) foei; (9) -ste; -de [ordinaal suffix]; (10) [achtervoegsel dat een grens of raakvlak tussen twee zaken;toestanden e.d. markeert;het wordt aangesloten op de ren'yōkei van werkwoordsvormen]; (11) -ig [aangesloten op de stam van adjectieven of op de ren'yōkei van werkwoorden;drukt een mate;eigenschap of tendens uit die neigt naar het genoemde]
相方 aikata partner; maat
相棒 aibou (1) dragers (van een palankijn; draagmat); (2) partner; compagnon; maat; makker; kameraad; gezel
程々 hodohodo (1) maat; gematigdheid; matigheid; juiste hoeveelheid; juiste proportie; (2) maatschappelijke positie; rang
hodo (1) mate; graad; grootte; omvang; maat; gematigdheid; (2) grens; limiet; perken; (3) positie; status; stand; (4) hoedanigheid; gesteldheid
規模 kibo (1) omvang; schaal; grootte; formaat; afmeting; proportie; maat; dimensie; (2) model; maatstaf; (3) eer; lof; (4) effect; resultaat; (5) vergoeding; compensatie; (6) grond; bewijs
誂えの atsuraeno op maat gemaakt; op bestelling gemaakt; pasklaar gemaakt; aangemeten; getailleerd; maat-
足並み ashinami (1) pas; gang; stap; tred; maat; wandeltempo; (2) eendracht; eensgezindheid; eenstemmigheid; gelijkgestemdheid
遊び仲間 asobinakama (1) speelmakker; speelkameraad; speelgenoot; vriend met wie men samenspeelt; maat; makker; kameraad; (2) groep speelkameraadjes
遊び友達 asobitomodachi speelmakker; speelkameraad; speelgenoot; vriend met wie men samenspeelt; maat; makker; kameraad
適度 tekido (1) maat; gematigdheid; matigheid; juiste hoeveelheid; juiste proportie; (2) met mate; niet te veel; [cul.] precies gaar
部類 burui (1) categorie; afdeling; groep; (2) maat; metgezel; makker; kameraad
野郎 yarou (1) [min.] lul; zak; klootzak; idioot; klier; hufter; schoft; schurk; smeerlap; [Belg.N.] crapuul; rotvent; rotzak; ploert; (2) man; kerel; vent; makker; maat; (3) jongeman met kaalgeschoren voorschedel; [i.h.b.] kabuki-acteur met kaalgeschoren voorschedel; (4) kaalgeschoren voorschedel; maantje; (5) schandknaap
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.48 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 45 treffers (zoekopdracht: 'maat'). 
2005-2026