RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <werk>
お勤め otsutome (1) [boeddh.] recitatie van een soetra; chanten; (2) speciale aanbieding; actie; gelegenheidsaanbieding; reclameaanbieding; voordeelaanbieding; gunstkoopje; (3) baan; job; werk; (4) plicht; (5) het uitzitten van een straf
ワーキング wākingu werkend; werk-
ワーク wāku (1) werk; arbeid; (2) werkboekje; opgavenboek; oefenboek; (3) World Administrative Radio Conference; (4) Work
事業 jigyō (1) werk; onderneming; project; (2) onderneming; bedrijf; zaak
事 koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
事 ji (1) zaak; geval; werk; (2) [boeddh.] artha [= fenomeen;praktijk]; (a) ding; zaak; geval; (b) daad; handeling; werk; (c) dienen; ten dienste staan
仕事 shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat.;techn.] arbeid
仕業 shiwaza daad; werk; handeling; bedrijf; optreden; toedoen
会社 kaisha bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; maatschap; associatie; kantoor; [meton.] werk; [afk.] Mij.
作品 sakuhin (1) (stukje) werk; werkstuk; stuk; gewrocht; [verzameln.] œuvre; (2) [maatwoord voor werken;werkstukken]
作業 sagyō werk; activiteit; werkzaamheden; bezigheden
作 saku (1) werk; stuk; werkstuk; product; gewrocht; voortbrengsel; maaksel; (2) [landb.] het bebouwen; het bewerken; bouw; verbouw; cultuur; bewerking; grondbewerking; teelt; (3) [landb.] oogst; opbrengst; productie; teelt; geteelde; (4) [landb.] rug tussen twee ploegvoren; (a) maken; fabriceren; opzettelijk doen; (b) product; werk; (c) graan; teelt; oogst; (d) tot bloei brengen; bevordering; (e) [afk.] provincie Mimasaka 美作
働き hataraki (1) arbeid; werk; verrichting; bezigheid; activiteit; emplooi; (2) werking; functie; functionering; werkzaamheid; uitwerking; [i.h.b. taalk.] vervoeging; uitoefening; (3) bekwaamheid; kundigheid; dienstigheid; verdienstelijkheid; resultaten; prestatie
八百長 yaochō doorgestoken kaart; complot; van tevoren afgesproken spel; werk; zaak; voorgekookte bedoening; opgelegd pandoer; [Belg.N.] opgezet spel; [veroud.] gemaakte mouw; [w.g.] bestoken werk; [gew.] noten met gaatjes; [gew.] opgemaakt spel
制作 seisaku (1) werk; productie; stuk; product; voortbrengsel; maaksel; gewrocht; opus; (2) productie; het producen
創作 sōsaku (1) creatie; schepping; voortbrenging; (2) creatie; werk; maaksel; gewrocht; product; voortbrengsel; [i.h.b.] literair werk; (3) verzinsel; verdichtsel; fictie; [i.h.b.] leugen
創作品 sōsakuhin werk; creatie; product; voortbrengsel; schepping; geestesproduct; geesteskind; geesteswerk; gewrocht
労 rō (1) moeite; last; inspanning; inzet; (2) prestaties; diensten; verdiensten; verwezenlijkingen; (3) ervaring; ondervinding; expertise; (4) lange gebruikmaking; (a) werken; werk; (b) moeite; (c) prestatie; (d) last; inspanning; (e) erkentelijk zijn; bedanken; (f) [afk.] vakbond; arbeiders
労働 rōdō arbeid; werk
勤め;勤 tsutome (1) Boeddhistische dienst; (2) werk; baan; dienst; betrekking; ambt; functie; werkzaamheden
勤め先 tsutomesaki werkplek; werk; kantoor; plaats waar iem. werkzaamheden verricht
勤労 kinrō werk; arbeid; dienst
勤務 kinmu dienst; werk; [i.h.b.] shift
原作 gensaku origineel; oorspronkelijk stuk; werk
原書 gensho origineel; eerste exemplaar; originele boek; werk
商売 shōbai (1) handel; zaak; nering; bedrijf; commercie; zaken; het zakenleven; het zakendoen; koophandel; koopmanschap; business; affaire; (2) beroep; werk; vak; branche; [Belg.N.] stiel
売れ口 urekuchi (1) afzetmogelijkheid; afzetmarkt; markt; débouché; vraag; (2) baan; werk; job; (3) huwelijkskandidaat; partij; potentiële huwelijkspartner
大仕事 ōshigoto (1) groot karwei; werk; (2) zwaar werk; hele kluif; zware klus; labeur
就労する shūrōsuru aan het werk gaan; beginnen te werken; aan de slag gaan; [form.] aan het werk tijgen; werk; emplooi vinden
就職する shūshokusuru werk; een baan; een job; emplooi; een betrekking vinden; een baan; job; functie; betrekking krijgen; aan de bak komen; aan werk; een baan; een job; een betrekking; een functie (ge)raken; [i.h.b.] in (loon)dienst; functie treden; een betrekking aanvaarden
所作 shosa (1) daad; handeling; (2) houding; gedrag; gedraging; gesticulatie; postuur; [演技の] acteerwerk; optreden; pantomimiek; (3) [kabuki] dansbeweging; dans; (4) [boeddh.] karma; (5) werk; beroep
操業 sōgyō bedrijf; werking; werk; praktijken; werkzaamheden
本 hon (1) boek; boekdeel; werk; lectuur; (2) tekstboekje; libretto; script; scenario; draaiboek; (3) dit ~; deze ~; onderhavig ~; gegeven ~; voorliggend ~; ~ in kwestie; de betreffende ~; de bedoelde ~; de betrokken ~; de bewuste ~; de desbetreffende ~; (4) hoofd-; voornaamste ~; belangrijkste ~; (5) echt ~; gewoon ~; normaal ~; (6) [maatwoord voor langgerekte;staafvormige voorwerpen]; (7) [maatwoord voor het aantal verbindingen van openbaar vervoer]; (8) [maatwoord voor films]; (9) [eenheid die een beslissende score bij een honkbal-;judo- of kendo-wedstrijd aangeeft]
業務 gyōmu zaken; werk; bezigheden; werkzaamheden; dienst
機構 kikō (1) organisatie; structuur; opbouw; inrichting; systeem; samenstel; apparaat; machinerie; -wezen; (2) mechanisme; mechaniek; werk
流れ作業 nagaresagyō lopendebandwerk; bandwerk; werk; montage aan de lopende band; kettingmontage
物 mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
狂言 kyōgen (1) [Jap.ton.] kyōgen [= tussen nō-stukken opgevoerde klucht;komisch tussenspel]; (2) [i.h.a.] toneelstuk; toneelspel; stuk; spel; drama; voorstelling; opvoering; (3) schijnvertoning; bedotterij; komedie; schijn; veinzerij; misleiding; bedrog; doorgestoken kaart; opgelegd pandoer; afgesproken zaak; werk; [Belg.N.] opgezet spel; [gew.] opgemaakt spel; [gew.] noten met gaatjes; [gew.;w.g.] bestoken werk; [veroud.] gemaakte mouw
生業 seigyō beroep; werk; vak
用事 yōji zaak; aangelegenheid; werk; affaire
用 yō (1) nut; bruikbaarheid; dienst; (2) gebruik; (3) taak; werk; boodschap; klus; karwei; (4) kosten; prijs; uitgaven; (5) (kleine en grote) boodschap; urine en poep; (a) voor; bestemd voor; bedoeld voor; ten gebruike van; ten behoeve van; ad; in usum
稼ぎ kasegi (1) werk; arbeid; (2) inkomen uit arbeid; inkomsten; loon
稼働;稼動 kadō (1) arbeid; werk; het werken; (2) werking; het functioneren; bedrijf; operationaliteit
稼業 kagyō beroep; werk; vak; beroepsbezigheid; baan; job; stiel; metier
紅 kō (1) karmozijnrood; karmozijn; karmijnrood; karmijn; vuurrood; (a) karmozijn; karmijn; vuurrood; (b) rouge; (c) werk; arbeid
職 shoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
職場 shokuba (1) werkplek; [fig.] werkvloer; [i.h.b.] kantoor; (2) [meton.] werk; post; betrekking; baan; job
職業 shokugyō beroep; vak; metier; professie; betrekking; ambacht; werk; baan; job; [niet alg.] stiel; [fig.] roeping
著作 chosaku geschrift; werk; boek
著書 chosho boek; werk; geschrift
著述 chojutsu (1) het schrijven; (2) boek; werk; geschriften
著 cho (1) werk; boek; geschrift; (2) geschreven door; van de hand van