日蘭辭典+

102 resultaten voor ‘werk’
日蘭辭典 (trefwoord)
shigoto仕事
zn. werk o.; arbeid (勞働) m.; taak () v. ¶ 仕事をする werken. ¶ 仕事日 werkdag. ¶ 仕事賃 werkloon; arbeidsloon. ¶ 仕事著 werkpak. ¶ 仕事嫌ひ arbeidschuw. ¶ 仕事werker. ¶ 針仕事 naaiwerk.
kasegi
zn. werk o.; arbeid o. ¶ 稼高 inkomst. ¶ 稼ぐ werken voor zijn brood; zijn brood verdienen. ¶ を稼ぐ zijn brood verdienen. ¶ 日當一圓で稼いで居る hij verdient een yen per dag.
hataraki

(働き) zn. (1) [勞働] arbeid m.; werk o.; verrichting v. (2) [才能] bekwaamheid v.; geschiktheid v.; talent o. (3) [功績] verdienste v. (4) [骨折] inspanning v. (5) [動作] actie v. (6) [運轉] beweging v. ¶ 働者 bekwaam man; energiek persoon.

arabone荒骨
zn. hard werk o.
arakasegi荒稼
(荒稼ぎ) zn. (1) [勞働] ruw werk o.; harde arbeid m.; . (2) [追剥] roof m.
ningen人間
zn. (1) [] mensch m.; menschelijk wezen o.; schepsel o. (2) [人類] menschheid v. (3) [世間] de wereld v. ¶ 人間時代 het tijdperk van de mensch. ¶ 人間以上の bovenmenschelijk. ¶ 人間らしい menschelijk. ¶ 人間にする een man maken van. ¶ 人間の menschelijk; stervelijk. ¶ 人間嫌ひ menschenhater; misanthroop. ¶ 人間世界 de menchenwereld. ¶ 人間業 menschelijk werk; menschenwerk.
yakume役目
zn. taak v.; werk o.; ambtsplicht v.; functie v. ¶ お役目的に zonder veel zorg; omdat het nu eenmaal zijn plicht is. ¶ 役目柄で in qualiteit van; ambtelijk.
yakuwari役割
zn. rolverdeeling v.; verdeeling van werk; aanwijzing van ieders taak.
yame止め
zn. (1) [終り] einde v.; conclusie v. (2) [中止] ophouding v.; stoppen o. (3) [廢止] afschaffing v. (4) [斷念] onthouding v.; opgeving v. ¶ 止める doen ophouden; afschaffen; uitscheiden met; stoppen; opgeven; afzien van; een einde maken aan. ¶ 仕事止める uitscheiden met werken. ¶ 學問を廢める de studie opgeven. ¶ 新聞取るのを廢める voor een krant bedanken. ¶ を廢める den drank afzweren; geheelonthouder worden.
yaochō八百長
zn. afgesproken werk o.; schijngevecht om het publiek te bedriegen.
zagyō坐業
zn. zittend werk o.; zittende betrekking.
namakeru怠ける
i.w. lui zijn; nalatig zijn; lui; traag; vadsig. ¶ 仕事怠ける zijn plicht verzuimen; nalatig zijn in zijn werk.
shokugyō職業
zn. beroep o.; bedrijf o.; werk o.; vak o.; kostwinning v.; (俗) baantje o.; ¶ 職業紹介所 arbeidsbureau; arbeidsbeurs. ¶ 自由職業 vrij beroep.
yōji用事
zn. zaken. v.mv ¶ 用事ある zaken hebben; bezig zijn; wat te doen hebben.
yatoi
(傭、傭い、雇い) zn. dienst m.; huur v.; (雇人) employé m.; beambte m. ¶ 雇外國人 vreemdeling in dienst van Japanners. ¶ 雇賃 loon; bezoldiging; huur. ¶ 雇口 baantje; betrekking; dienst; werk. ¶ 傭兵 huurling; huurtroepen. ¶ 雇入れ dienst; in-dienstneming. ¶ 雇入れる in dienst nemen; huren; charteren (を). ¶ 雇人 bediende; employé. ¶ 雇人口入所 bediendenkantoor; verhuurkantoor van personeel; arbeidsbeurs. ¶ 雇主 werkgever; baas.
hayai早い
(速い、疾い、捷い) bn. snel; vlug; spoedig; prompt; vroeg. ¶ 早いが in ’t kort gezegd. ¶ 仕事が早い vlug zijn werk doen. ¶ が早い hard kunnen loopen. ¶ 進步が早い snelle vorderingen maken; vlug vooruitkomen. ¶ 一刻も早いがよい hoe eerder hoe beter. ¶ 東京火事早い in Tokyo komt dikwijls brand voor. ¶ 君は朝は早いか sta je gewoonlijk vroeg op? ¶ 林檎もいでは早過ぎる het is nog te vroeg om appels te plukken.
waza
(技、伎) zn. (1) [所] daad v.; handeling v.; werk o. (2) [職業] beroep o. (3) [技術] kunstgreep m.; kunstje o. ¶ それ容易ではない het is geen gemakkelijke taak. ¶ 人間業とは思へない geen menschenwerk; wonder. ¶ 彼奴のしたに相違ない natuurlijk heeft hij dat gedaan.
jūji從事
(従事) zn. bezigheid v.; bedrijf o. ¶ 從事する bezig zijn met; bedrijven; verrichten. ¶ 從事して居ますか wat is zijn beroep?
chosaku著作
zn. letterkundig werk o. ¶ 著作する schrijven. ¶ 著作權 auteursrecht. ¶ 著作權侵害 schending van het auteursrecht; ongeoorloofde nadruk. ¶ 著作者 schrijver; auteur.
kōtei工程

zn. constructie werk o.; voortgang van het werk.

koyō傭庸

zn. dienst m.; werk o. ¶ 傭庸する in dienst nemen. ¶ 傭庸人 employé; werknemer. ¶ 傭庸主 werkgever; broodheer.

kueki苦役

zn. (1) [激勞] harde arbeid m.; zwaar werk o. (2) [徵役] dwangarbeid. ¶ 苦役する hard werken; zwaren arbeid verrichten.

kunkō勳功

(勲功) zn. verdienstelijke daad v.; verdienstelijk werk o.; heldendaad v. ¶ 勳功ある verdienstelijk.

kushi suru騙使する
kyō

zn. vermaak o.; pleizier o.; genoegen o.; vroolijkheid v.; belangstelling (興味) v. ¶ 興を醒す het pleizier bederven. ¶ 興に入る pleizier krijgen; schik hebben; zich amuseeren. ¶ 仕事に興が乗る pleizier hebben in zijn werk; belangstellen in zijn werk. ¶ 興を催す aangenaam bezighouden; vermaken; amuseeren.

zōgan象嵌

zn. ingelegd werk o. ¶ 金の象嵌 ingelegd goud.

zensho全書

zn. compleet werk o.; volledig stel boeken; verzamelde werken o.mv.

zenshū全集
zenpen全篇

zn. het geheele werk o.

zenmai發條

(発条) zn. veer v.; springveer o. ¶ 彈條仕掛 uurwerk; werk, dat door een veer gedreven wordt. ¶ 毛髮條時計 horlogeveer; spiraalveer.

zanmu殘務

(残務) zn. onafgedane taak v.; nog te verrichten werk o.

yūshū-no-bi有終の美

zn. de kroon op het werk.

yoso餘所

(余所) zn. andere plaats v.; bw. elders; ergens anders. ¶ 餘所の van elders; ander. ¶ 餘所から van elders. ¶ 餘所へ行く ergens heengaan; uitgaan; weggaan. ¶ 餘所に見る zich er niets van aantrekken. ¶ 業務を餘所にする zijn werk niet doen; zijn plicht verzuimen.

yōnashi用なし

zn. geen werk o.; niets te doen. ¶ 君にはもう用なしだ ik wil niets meer met je te maken hebben.

yokasegi夜稼

zn. (1) [夜間勞働] nachtarbeid m.; nachtelijk werk. (2) [夜盜] inbraak v.; inbreker (人) m.

yasui易い

bn. gemakkelijk; licht; av.-baar. ¶ 覺え易い gemakkelijk te onthouden. ¶ 壞れ易い breekbaar. ¶ 易い仕事 licht werk.

watasu渡す

t.w. (1) [彼岸へ] overzetten. (2) [架する] overbruggen. (3) [送付する] overdragen; overhandigen; leveren. (4) [請負はす] contracteeren; i.w. werk aannemen. ¶ 次へ渡す doorgeven. ¶ 物品を渡す goederen leveren. ¶ 橋を渡す brug slaan. ¶ 河を渡す over de rivier zetten. ¶ 金を渡す geld overhandigen. ¶ 尺度を渡して見る de maat nemen.

watashi渡し

zn. (1) [渡すこと] overvaart v.; overtocht m. (2) [交付] overdracht v.; overhandiging v.; levering v. (3) [渡船] veerboot v.; pont v. (4) [渡船場] veer o. ¶ 渡守 veerman. ¶ 渡錢 veergeld. ¶ 本船渡 levering aan boord; levering f. o. b. (free on board). ¶ 此の普請は一切渡しでやらせた de bouw is geheel geschied als aangenomen werk.

ukeoi請負

zn. aanneming v. ¶ 請負入札 inschrijvingsbiljet voor een aanneming. ¶ 請負仕事 aangenomen werk. ¶ 土木請負業 aanneming van bouwwerken. ¶ 請負師 aannemer.

tsutome

(勤) zn. (1) [勤務] werk o.; zaken v.mv. (2) [本分] plicht v. (3) [勤行] dienst m.; kerkdienst m. ¶ 勤を怠る zijn plicht verzaken.

tsutomemuki勤向

(勤向) zn. werk o.; beroep o.

tsutomaru勤まる

(勤まる) i.w. geschikt zijn voor; in staat zijn om het werk te doen.

tsukurikata作方
tsūkin通勤

(通勤) zn. gang naar kantoor; vervulling van de dagtaak. ¶ 通勤する naar kantoor gaan; niet bij zijn werk wonen.

tsukaisugiru使過ぎる

t.w. (1) [使過ぎる] te veel gebruiken. (2) [過勞] te hard laten werken; afbeulen. ¶ 身體を使過ぎる zich overwerken.

SUPPLEMENT (trefwoord)
fukuzatsu複雑
zn. (〜な, ~na) adj. complex; gecompliceerd; ingewikkeld; verwikkelingen in de omstandigheden, structuur of relaties van een zaak; door verwikkelingen niet eenvoudig uit de leggen of te begrijpen; moeilijk; niet oppervlakkig; bewerkelijk. ¶ 複雑炭水化物って何か知ってますか。 Fukuzatsu tansui kabutsu tte nani ka shittemasu ka. Weet je iets van complexe koolhydraten? (TTC) ¶ 女は仕事のことを尋ねられると、「私の仕事複雑なので一言では要約できません」と言った。 Kanojo wa shigoto no koto wo tazunerareru to, ‘Watashi no shighoto wa fukuzatsu na no de, hitokoto de wa yōyaku dekimasen’ to itta. Toen haar werd gevraagd naar haar werk zei ze ‘Aangezien mijn werk ingewikkeld is kan ik het niet in een enkel woord samenvatten’. (TTC) ¶ が事態を複雑にした。 Kare no uso ga jitai wo fukuzatsu ni shita. Zijn leugen maakte de zaak ingewikkeld. (TTC) ¶ 脳の構造は複雑だ。 Nō no kōzō wa fukuzatsu da. De structuur van het brein is complex. (TTC)
sūnin数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼ら新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ この夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
dare hitori誰一人
(frase) niemand; geen een/één (persoon); niet een/één (persoon) (in ontkennende zinnen). ¶ 彼らのことは誰一人知らない。 Karera no koto wa dare hitori shiranai. Ik ken niemand van ze. ¶ 誰一人、犯人を見ていない。 Dare hitori, hannin wo mite inai. Niemand heeft de misdadiger gezien. (yasamv) ¶ 誰一人僕の言うことに耳を貸そうとしなかったんだ。 Dare hitori boku no iu koto ni mimi wo kasō to shinakattan da. Er was niemand die wou luisteren naar wat ik te zeggen had. ¶ その仕事のお手伝いが出来る人はここには誰一人いません。 Sono shigoto no o-tetsudai ga dekiru hito wa koko ni wa dare hitori imasen. Er is hier niemand die je kan helpen met het werk. (TTC)
tot ziens

(frase)(1) [tot ziens; dag; doei]

mata ne またね (Informeel; Letterlijk, “opnieuw hè”, implicerend: “Ik zie je later weer”).
jaa ne じゃあね (Informeel; Letterlijk, “wel, dus...”).
jaa, mata ne じゃあ、またね (Zie hierboven. Vergelijk het Nederlands: “Wel [dus], ik zie je later wel weer”).
sore ja それじゃ (Informeel; De implicatie is “tot ziens”, maar letterlijker bezien betekent het zoiets als “dit dus...” of “gegeven dit...”, of “wel, in dat geval...”) Sterker samengetrokken: son ja そんじゃ.
sore de wa それでは (Ietsje formeler dan sore ja, wat een samentrekking is van sore de wa).
baibai ばいばい (Naar het Engels bye-bye; vrij neutraal.)

NB let er op dat in deze transcriptie de letter “j” word uitgesproken als in het Engels /jeep/ (Nederlands /dzj/). Dus jaa ne is Nederlands /dzjaa nè/.

¶ Tot morgen mata ashita また明日.

In formelere situaties in de nederige rol, verontschuldigd men zich. Het idee van “dag” of “tot ziens” is geheel impliciet.
shitsuree shimasu 失礼します (Nederlands equivalent hiervan is “neem me niet kwalijk”; Letterlijker: “ik doe onbeleefd”).

Wanneer je afscheid neemt in een situatie waarin je klant bent is een van de bovengenoemde informele frases in orde. Beleefd zou zijn om tegen werkenden te zeggen o-tsukare-sama desu, wat equivalent is aan het Nederlands “werk ze!” maar dan beleefder. Je kunt het ook tegen collega’s zeggen bij afscheid.

(2) [tot ziens (voor langere tijd); vaarwel] sayoonara さようなら.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:Unfea 〈E1:00:03:50〉アンフェア
山路哲夫:「単独行動するな!」雪平夏見:「約束できません。こんな仕事結果全てです。」
Yamaji Tetsuo: ‘Voer geen acties uit op eigen houtje!’ Yukihira Natsumi: ‘Dat kan ik niet beloven. Bij dit werk tellen alleen de resultaten.’ [E1:00:03:50]

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <werk>
お勤め otsutome (1) [boeddh.] recitatie van een soetra; chanten; (2) speciale aanbieding; actie; gelegenheidsaanbieding; reclameaanbieding; voordeelaanbieding; gunstkoopje; (3) baan; job; werk; (4) plicht; (5) het uitzitten van een straf
ワーキング wākingu werkend; werk-
ワーク wāku (1) werk; arbeid; (2) werkboekje; opgavenboek; oefenboek; (3) World Administrative Radio Conference; (4) Work
事業 jigyō (1) werk; onderneming; project; (2) onderneming; bedrijf; zaak
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
ji (1) zaak; geval; werk; (2) [boeddh.] artha [= fenomeen;praktijk]; (a) ding; zaak; geval; (b) daad; handeling; werk; (c) dienen; ten dienste staan
仕事 shigoto (1) werk; arbeid; karwei; klus; taak; affaire; zaak; opgave; bezigheid; werkzaamheid; (2) werk; baan; job; beroep; betrekking; emplooi; (3) [nat.;techn.] arbeid
仕業 shiwaza daad; werk; handeling; bedrijf; optreden; toedoen
会社 kaisha bedrijf; onderneming; zaak; firma; vennootschap; maatschappij; maatschap; associatie; kantoor; [meton.] werk; [afk.] Mij.
作品 sakuhin (1) (stukje) werk; werkstuk; stuk; gewrocht; [verzameln.] œuvre; (2) [maatwoord voor werken;werkstukken]
作業 sagyō werk; activiteit; werkzaamheden; bezigheden
saku (1) werk; stuk; werkstuk; product; gewrocht; voortbrengsel; maaksel; (2) [landb.] het bebouwen; het bewerken; bouw; verbouw; cultuur; bewerking; grondbewerking; teelt; (3) [landb.] oogst; opbrengst; productie; teelt; geteelde; (4) [landb.] rug tussen twee ploegvoren; (a) maken; fabriceren; opzettelijk doen; (b) product; werk; (c) graan; teelt; oogst; (d) tot bloei brengen; bevordering; (e) [afk.] provincie Mimasaka 美作
働き hataraki (1) arbeid; werk; verrichting; bezigheid; activiteit; emplooi; (2) werking; functie; functionering; werkzaamheid; uitwerking; [i.h.b. taalk.] vervoeging; uitoefening; (3) bekwaamheid; kundigheid; dienstigheid; verdienstelijkheid; resultaten; prestatie
八百長 yaochō doorgestoken kaart; complot; van tevoren afgesproken spel; werk; zaak; voorgekookte bedoening; opgelegd pandoer; [Belg.N.] opgezet spel; [veroud.] gemaakte mouw; [w.g.] bestoken werk; [gew.] noten met gaatjes; [gew.] opgemaakt spel
制作 seisaku (1) werk; productie; stuk; product; voortbrengsel; maaksel; gewrocht; opus; (2) productie; het producen
創作 sōsaku (1) creatie; schepping; voortbrenging; (2) creatie; werk; maaksel; gewrocht; product; voortbrengsel; [i.h.b.] literair werk; (3) verzinsel; verdichtsel; fictie; [i.h.b.] leugen
創作品 sōsakuhin werk; creatie; product; voortbrengsel; schepping; geestesproduct; geesteskind; geesteswerk; gewrocht
(1) moeite; last; inspanning; inzet; (2) prestaties; diensten; verdiensten; verwezenlijkingen; (3) ervaring; ondervinding; expertise; (4) lange gebruikmaking; (a) werken; werk; (b) moeite; (c) prestatie; (d) last; inspanning; (e) erkentelijk zijn; bedanken; (f) [afk.] vakbond; arbeiders
労働 rōdō arbeid; werk
勤め;勤 tsutome (1) Boeddhistische dienst; (2) werk; baan; dienst; betrekking; ambt; functie; werkzaamheden
勤め先 tsutomesaki werkplek; werk; kantoor; plaats waar iem. werkzaamheden verricht
勤労 kinrō werk; arbeid; dienst
勤務 kinmu dienst; werk; [i.h.b.] shift
原作 gensaku origineel; oorspronkelijk stuk; werk
原書 gensho origineel; eerste exemplaar; originele boek; werk
商売 shōbai (1) handel; zaak; nering; bedrijf; commercie; zaken; het zakenleven; het zakendoen; koophandel; koopmanschap; business; affaire; (2) beroep; werk; vak; branche; [Belg.N.] stiel
売れ口 urekuchi (1) afzetmogelijkheid; afzetmarkt; markt; débouché; vraag; (2) baan; werk; job; (3) huwelijkskandidaat; partij; potentiële huwelijkspartner
大仕事 ōshigoto (1) groot karwei; werk; (2) zwaar werk; hele kluif; zware klus; labeur
就労する shūrōsuru aan het werk gaan; beginnen te werken; aan de slag gaan; [form.] aan het werk tijgen; werk; emplooi vinden
就職する shūshokusuru werk; een baan; een job; emplooi; een betrekking vinden; een baan; job; functie; betrekking krijgen; aan de bak komen; aan werk; een baan; een job; een betrekking; een functie (ge)raken; [i.h.b.] in (loon)dienst; functie treden; een betrekking aanvaarden
所作 shosa (1) daad; handeling; (2) houding; gedrag; gedraging; gesticulatie; postuur; [演技の] acteerwerk; optreden; pantomimiek; (3) [kabuki] dansbeweging; dans; (4) [boeddh.] karma; (5) werk; beroep
操業 sōgyō bedrijf; werking; werk; praktijken; werkzaamheden
hon (1) boek; boekdeel; werk; lectuur; (2) tekstboekje; libretto; script; scenario; draaiboek; (3) dit ~; deze ~; onderhavig ~; gegeven ~; voorliggend ~; ~ in kwestie; de betreffende ~; de bedoelde ~; de betrokken ~; de bewuste ~; de desbetreffende ~; (4) hoofd-; voornaamste ~; belangrijkste ~; (5) echt ~; gewoon ~; normaal ~; (6) [maatwoord voor langgerekte;staafvormige voorwerpen]; (7) [maatwoord voor het aantal verbindingen van openbaar vervoer]; (8) [maatwoord voor films]; (9) [eenheid die een beslissende score bij een honkbal-;judo- of kendo-wedstrijd aangeeft]
業務 gyōmu zaken; werk; bezigheden; werkzaamheden; dienst
機構 kikō (1) organisatie; structuur; opbouw; inrichting; systeem; samenstel; apparaat; machinerie; -wezen; (2) mechanisme; mechaniek; werk
流れ作業 nagaresagyō lopendebandwerk; bandwerk; werk; montage aan de lopende band; kettingmontage
mono (1) ding; voorwerp; zaak; goed; stuk; artikel; waar; iets; object; brok; spul; materiaal; (2) aangelegenheid; kwestie; historie; affaire; materie; onderwerp; punt; (3) eigendom; bezit; have; goed; (4) kwaliteit; (5) rede; wat redelijk is; (6) -werk; -stuk; (7) -wekkend; -aanjagend; -barend; -gevend; wat ~ veroorzaakt
狂言 kyōgen (1) [Jap.ton.] kyōgen [= tussen nō-stukken opgevoerde klucht;komisch tussenspel]; (2) [i.h.a.] toneelstuk; toneelspel; stuk; spel; drama; voorstelling; opvoering; (3) schijnvertoning; bedotterij; komedie; schijn; veinzerij; misleiding; bedrog; doorgestoken kaart; opgelegd pandoer; afgesproken zaak; werk; [Belg.N.] opgezet spel; [gew.] opgemaakt spel; [gew.] noten met gaatjes; [gew.;w.g.] bestoken werk; [veroud.] gemaakte mouw
生業 seigyō beroep; werk; vak
用事 yōji zaak; aangelegenheid; werk; affaire
(1) nut; bruikbaarheid; dienst; (2) gebruik; (3) taak; werk; boodschap; klus; karwei; (4) kosten; prijs; uitgaven; (5) (kleine en grote) boodschap; urine en poep; (a) voor; bestemd voor; bedoeld voor; ten gebruike van; ten behoeve van; ad; in usum
稼ぎ kasegi (1) werk; arbeid; (2) inkomen uit arbeid; inkomsten; loon
稼働;稼動 kadō (1) arbeid; werk; het werken; (2) werking; het functioneren; bedrijf; operationaliteit
稼業 kagyō beroep; werk; vak; beroepsbezigheid; baan; job; stiel; metier
(1) karmozijnrood; karmozijn; karmijnrood; karmijn; vuurrood; (a) karmozijn; karmijn; vuurrood; (b) rouge; (c) werk; arbeid
shoku (1) werk; baan; job; post; emplooi; (2) ambt; functie; dienst; betrekking; officie; positie; [form.] officium; [高い~] waardigheid; (3) vak; beroep; metier; ambacht; [niet alg.] stiel; [i.h.b.] vaardigheid; [i.h.b.] vakkundigheid
職場 shokuba (1) werkplek; [fig.] werkvloer; [i.h.b.] kantoor; (2) [meton.] werk; post; betrekking; baan; job
職業 shokugyō beroep; vak; metier; professie; betrekking; ambacht; werk; baan; job; [niet alg.] stiel; [fig.] roeping
著作 chosaku geschrift; werk; boek
著書 chosho boek; werk; geschrift
著述 chojutsu (1) het schrijven; (2) boek; werk; geschriften
cho (1) werk; boek; geschrift; (2) geschreven door; van de hand van
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.27 sec. jiten.nl: 50 treffers, warandict: 52 treffers (zoekopdracht: 'werk'). 
2005-2026