日蘭辭典+

68 resultaten voor ‘aannemen’
日蘭辭典 (trefwoord)
sōzō想像
zn. verbeelding v.; veronderstelling (假想) v. ¶ 想像的 imaginair; in de verbeelding bestaand; ingebeeld. ¶ 想像する zich verbeelden; zich inbeelden; veronderstellen; aannemen; zich voorstellen. ¶ 想像し難い ondenkbaar. ¶ 想像鄕 droomenland; land der verbeelding. ¶ 想像説 hypothese. ¶ 想像妊婦 ingebeelde zwangerschap.
ukeireru受入れる
(受け入れる) t.w. aanvaarden.
tsunoru募る
t.w. (1) [兵士を] oproepen; recruteeren; onder de wapens roepen. (2) [税を] heffen. i.w. (3) [公債等] inschrijving openen. (4) [烈しくなる] hevig worden; erger worden. ¶ 職工を募る werkvolk aannemen. ¶ 寄附を募る bijdragen verzamelen. ¶ 外債を募る buitenlandsche leening uitschrijven. ¶ 病氣が募った de ziekte is erger geworden. ¶ 火勢は募る de brand neemt in hevigheid toe.
iu言ふ、云ふ
(言う、云う) t.w. (1) [言ふ] zeggen. (2) [告げる] vertellen. (3) [話す] spreken. (4) [呼ぶ] noemen. ¶ 云ひ條 zelfs al neemt men aan, dat. ¶ 言へない ik kan niet zeggen of ...... ¶ 言ふ迄もなく het spreekt van zelf; uit den aard der zaak; onnoodig te zeggen dat ...... ¶ 言ふ所の zoogenaamd. ¶ 言ふに言はれない onuitsprekelijk; onbeschrijfelijk. ¶ 言ふもかなり men kan gerust zeggen, dat ..... ¶ 言ふと同時に實行する de daad bij het woord voegen. ¶ 法律から言へば wettelijk gesproken. ¶ 言ふ聞く luisteren naar iemands woorden; doen wat een ander zegt. ¶ 言はぬが花 het is het beste erover te zwijgen. ¶ それは蘭語と云ひますか hoe zeg je dat in het Hollandsch?; wat is dat in het Hollandsch? ¶ に少し言ひ度いがある ik heb je wat te vertellen. ¶ それ見な言はぬことか wel, heb ik het je niet gezegd; wel heb ik je nietgewaarschuwd? ¶ 大きく言ふ overdrijven. ¶ 暗に言ふ te verstaan geven. ¶ 物を言へなくなる verstomd staan; met stomheid geslagen zijn. ¶ を悪く言ふ kwaad van iemand spreken. ¶ あのはスミットと云ひます die meneer heet Smit. ¶ スミットと云ふ een meneer, genaamd Smit; een zekere (meneer) Smit. ¶ 彼は恩知らずだと云はれる men zegt, dat hij ondankbaar is; men verwijt hem ondankbaarheid. ¶ とは言ふものの hoe het ook zij.
yatoi
(傭、傭い、雇い) zn. dienst m.; huur v.; (雇人) employé m.; beambte m. ¶ 雇外國人 vreemdeling in dienst van Japanners. ¶ 雇賃 loon; bezoldiging; huur. ¶ 雇口 baantje; betrekking; dienst; werk. ¶ 傭兵 huurling; huurtroepen. ¶ 雇入れ dienst; in-dienstneming. ¶ 雇入れる in dienst nemen; huren; charteren (を). ¶ 雇人 bediende; employé. ¶ 雇人口入所 bediendenkantoor; verhuurkantoor van personeel; arbeidsbeurs. ¶ 雇主 werkgever; baas.
kaketsu可決
zn. aanneming v.; goedkeuring v. ¶ 可決する aannemen; goedkeuren. ¶ 豫算は可決せられたり de begrooting is goedgekeurd.
gisuru擬する

t.w. (1) [假想] aannemen; veronderstellen. (2) [摸擬] nadoen. ¶ 北軍を以て侵入軍に擬する het noordelijke leger wordt verondersteld een vijandelijk invallend leger te zijn.

yōshi養子

zn. pleegkind o.; geadopteerd kind o.; aangenomen zoon (dochter v.) m. ¶ 養子に行く geadopteerd worden. ¶ 養子にする adopteeren; aannemen als kind. ¶ 養子緣組 adoptie.

watasu渡す

t.w. (1) [彼岸へ] overzetten. (2) [架する] overbruggen. (3) [送付する] overdragen; overhandigen; leveren. (4) [請負はす] contracteeren; i.w. werk aannemen. ¶ 次へ渡す doorgeven. ¶ 物品を渡す goederen leveren. ¶ 橋を渡す brug slaan. ¶ 河を渡す over de rivier zetten. ¶ 金を渡す geld overhandigen. ¶ 尺度を渡して見る de maat nemen.

uketoru受取る

t.w. in ontvangst nemen; ontvangen; aannemen. ¶ 右金額正に受取申候也 bovenstaand bedrag in goede orde ontvangen. ¶ 本當とは受取れぬ ik kan niet aannemen, dat het waar is.

ukeou請負ふ

(請け負う) t.w. aannemen; contracteeren; i.w. contract aangaan.

tsuku附く

i.w. (1) [附着] kleven; plakken; blijven vastzitten. (2) [味方する] de zijde kiezen van; meegaan met. (3) [價する] waard zijn. t.w. (4) [習癖が] aannemen; i.w. zich aanwennen. i.w. (5) [火が] vlam vatten. t.w. (6) [痕が] achterlaten. (7) [利息が] opbrengen; opleveren. ¶ 惡錢身に附かず gestolen goed gedijt niet. ¶ 肉が附く dik worden. ¶ 敵方に附く overloopen naar den vijand. ¶ 一つが十錢につく ze kosten 10 sen per stuk. ¶ 惡い癖はつき易い slechte gewoonten worden gemakkelijk aangeleerd. ¶ 著物に火がついた zijn kleeren vlogen in brand. ¶ 電氣がついて居る het electrisch licht is aan. ¶ 年七分の利が附く 7% per jaar interest geven. ¶ 床に足跡がつく voetstappen op den vloer achterlaten.

tsukikaesu突返す

(突き返す) t.w. terugstooten; terugduwen; niet aanvaarden; niet willen aannemen.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aannemen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
付ける;附ける tsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [ばたー;くりーむ;じゃむを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷;跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意;目を] vestigen op; [犯人;車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符;こめんと;注文を] plaatsen; zetten; [名;味を] geven; [実;利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
仮定する kateisuru veronderstellen; aannemen; [veroud.;Belg.N.;niet alg.] nemen
仮想する kasousuru zich verbeelden; zich voorstellen; zich indenken; zich imagineren; veronderstellen; aannemen; [gew.] zich inbeelden
仮設する kasetsusuru (1) tijdelijk oprichten; voorlopig installeren; (2) veronderstellen; aannemen
使う;遣う tsukau (1) gebruiken; bezigen; gebruik maken van; aanwenden; zich bedienen van; [i.h.b.] in dienst nemen; aannemen; [電車;風呂を] nemen; (2) hanteren; [機械を] bedienen; [i.h.b.] manipuleren; [魔法;魔術を] beoefenen; aan … doen; verrichten; (3) verbruiken; aanwenden; spenderen; besteden; consumeren; [金銭を] uitgeven; wijden (aan)
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
取り上げる;取りあげる;採りあげる toriageru (1) opnemen; oppakken; (2) [een woord in een taal enz.] opnemen; honoreren; ingaan op; [een mening;ontslag;bezwaar enz.] aanvaarden; aannemen; [een mening enz.] opvatten; [een voorstel enz.] overnemen; [een idee enz.] adopteren; [een zaak enz.] entameren; in behandeling nemen; [een interessant punt enz.] opbrengen; aan de orde stellen; aanhangig maken; aandragen; ter tafel brengen; [fig.] aansnijden; (3) afnemen; afpakken; ontnemen; afhandig maken; [iem. iets] uit de hand slaan; [iem. van zijn bevoegdheden enz.] beroven; [een vergunning enz.] intrekken; [iem. uit de ouderlijke macht enz.] ontzetten; aanslaan; confisqueren; verbeurdverklaren; in beslag nemen; beslag leggen op; [smokkelwaar e.d.] aanhalen; [i.h.b.] onteigenen; [i.h.b.] expropriëren; [goederen] arresteren; (4) [m.b.t. kinderen] halen; geboren doen worden; ter wereld helpen
取り入れる toriireru (1) inhalen; naar binnen halen; binnenhalen; binnenbrengen; inbrengen; inlaten; innemen; (2) invoeren; introduceren; overnemen; opnemen in; adopteren; aannemen; ontlenen; integreren; inlijven; [fig.] importeren; (3) oogsten; inoogsten; inzamelen; vergaren; verzamelen; [veroud.;lit.t.] garen
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek;ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
受け付ける uketsukeru (1) [een aanvraag;verzoek;petitie] aannemen; in ontvangst nemen; (2) aanvaarden
受け入れる;受け容れる ukeireru (1) ontvangen; toelaten; opnemen; aannemen; aanvaarden; accepteren; (2) inwilligen; toestaan; instemmen met; ingaan op; tegemoetkomen; verhoren; (3) opvangen; onthalen; binnenlaten; toegang geven
受け取る;請け取る uketoru (1) ontvangen; in ontvangst nemen; aannemen; opvatten; (2) geloven; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; begrijpen; inzien
受容する juyousuru aanvaarden; aannemen; accepteren; opnemen; onthalen; ontvangen
受理する jurisuru aanvaarden; accepteren; aannemen; kennis nemen van
受諾する judakusuru (1) aanvaarden; aannemen; accepteren; (2) instemmen met; inwilligen; goedkeuren
受領する juryousuru ontvangen; in ontvangst nemen; aannemen; aanvaarden; accepteren
可決する kaketsusuru aannemen; goedkeuren
存じる zonjiru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
存ずる zonzuru (1) denken; vinden; geloven; menen; houden voor; achten; beschouwen; aannemen; veronderstellen; (2) weten; kennen; begrijpen; bekend zijn met; beseffen; zich bewust zijn van; inzien
察する sassuru (1) veronderstellen; vermoeden; de indruk krijgen; eruit opmaken; aannemen; achten; (2) voelen; gewaar worden; doorhebben; begrijpen; zich kunnen voorstellen; (3) meevoelen; meeleven; te doen hebben; begrip hebben voor
導入する dounyuusuru invoeren; introduceren; inleiden; in circulatie brengen; importeren; aannemen; adopteren; instellen; installeren
帰依する kiesuru gelovige worden; overgaan tot; zich bekeren tot; aannemen; aanvaarden; zich aansluiten bij; omhelzen; gaan aanhangen
引き受ける;引受ける;引き請ける;引請ける hikiukeru (1) op zich nemen; aannemen; overnemen; ondernemen; ter hand nemen; aanvaarden; accepteren; voor zijn rekening nemen; tekenen voor; zich verplichten tot; zich belasten met; [i.h.b.] zorgen voor; (2) instaan voor; garanderen; waarborgen; borg staan voor
応じる oujiru (1) antwoorden; antwoord geven; ten antwoord geven; (2) [m.b.t. handeling;situatie etc.] beantwoorden; reageren op; weerwerk geven; (3) toestemmen; instemmen; akkoord gaan; aanvaarden; honoreren; inwilligen; toestaan; aannemen; consenteren; het groene licht geven voor; (4) solliciteren; zich inschrijven; zich opgeven; zich aanmelden; [w.g.] appliceren; (5) vervullen; voldoen aan; voldoende zijn; tevreden stellen; bevredigen
応戦する ousensuru in de tegenaanval gaan; terugslaan; de strijd beantwoorden; de uitdaging aangaan; aannemen
思う omou (1) denken; (2) geloven; overtuigd zijn; vast vertrouwen op; (3) geneigd zijn; de neiging hebben tot; (4) beschouwen als; bezien als; vinden dat; houden voor; (zich) aanrekenen als; menen; achten; veronderstellen ~ te zijn; (5) verwachten; hopen; rekenen op; voorzien; (6) vrezen dat; bang zijn dat; bevreesd zijn dat; (7) zich verbeelden; zich voorstellen; zich indenken; zich een beeld vormen van; (8) veronderstellen; aannemen; gissen; berekenen; er van uit gaan dat; (9) zich herinneren; (10) van plan zijn te; de intentie hebben te; (11) wensen; verlangen; willen; begeren; (12) geïnteresseerd zijn in; belangstelling hebben voor; (13) beminnen; liefhebben; verliefd worden op; verliefd zijn op; verlangen naar; (14) zich afvragen of; (15) verdenken van; wantrouwen; mistrouwen; verdenken te
想う omou (1) hopen; wensen; verwachten; voorzien; (2) gissen; vermoeden; raden naar; (3) veronderstellen; vooronderstellen; aannemen; uitgaan van; (4) zich herinneren; voor de geest roepen; voor de geest halen; voor zich halen; (5) sympathie voelen voor; sympathiseren met; een warm hart toedragen; genegenheid voelen voor; waardering gevoelen voor
想定する souteisuru veronderstellen; stellen; onderstellen; aannemen
憶測する;臆測する okusokusuru gissen; gokken; schatten; vermoeden; aannemen; veronderstellen; speculeren
手に入れる teniireru (1) in handen krijgen; zich toe-eigenen; tot zijn eigendom maken; in bezit nemen; aannemen; aanvaarden; verwerven; bekomen; behalen; [i.h.b.] op de kop tikken; (2) naar z'n hand zetten; stellen; om de vinger winden; (als een marionet) bespelen
抱える kakaeru (1) in zijn armen houden; vasthouden; dragen; (2) inhuren; aannemen; (te verzorgen) hebben; (ten laste) hebben
採る toru (1) [een bep. houding;allure enz.] aannemen; [m.b.t. idee] overnemen; adopteren; invoeren; [fig.] zich aanmeten; (2) [m.b.t. technieken;methoden;personeel] aannemen; gebruiken; toepassen; honoreren; gebruik maken van; [fig.] zijn toevlucht nemen tot; [een bep. beleid;politiek enz.] voeren; [maatregelen e.d.] nemen; in dienst nemen; aanwerven; engageren; inhuren; (3) opteren (voor); verkiezen (boven); prefereren; (eruit) pikken; pakken; kiezen
採択する saitakusuru aannemen; in een selectie opnemen; selecteren
採用する saiyousuru (1) aannemen; overnemen; adopteren; gebruiken; toepassen; aanwenden; ontlenen; (2) in dienst nemen; aannemen; tewerkstellen; [Belg.N.] aanwerven
推す osu (1) aanbevelen; aanprijzen; aanraden; adviseren; (als kandidaat) voordragen; (2) veronderstellen; aannemen; vermoeden
推定する suiteisuru schatten; ramen; begroten; taxeren; gissen; aannemen; assumeren; vermoeden; veronderstellen; presumeren; stellen; prognosticeren (op)
推測する suisokusuru raden; gissen; schatten; vermoeden; veronderstellen; supponeren; aannemen; opmaken; afleiden
推量する suiryousuru (1) vermoeden; veronderstellen; [veroud.] onderstellen; gissen; raden; speculeren; als conjectuur opperen; (2) concluderen; besluiten; afleiden; aannemen; eruit opmaken; infereren; zich voorstellen
故買する kobaisuru helen; gestolen goederen kopen; aannemen; handelen in linke waar
断る;判る kotowaru (1) weigeren; niet toelaten; niet vergunnen; niet inwilligen; (2) afslaan; afwijzen; verwerpen; niet accepteren; niet (willen) aannemen; van de hand wijzen; van tafel vegen; bedanken; weigeren; wegwuiven; wegwimpelen; [w.g.] declineren; (3) zijn verontschuldiging aanbieden; zijn excuses maken; zijn excuses aanbieden; excuus vragen; pardon vragen; zich schoon praten; (4) vooraf kennisgeven; informeren; inlichten; meedelen; mededelen; waarschuwen; verwittigen; vertellen; berichten; op de hoogte stellen; brengen; (5) toelating vragen; toestemming vragen; verlof vragen; (6) ontslaan; ontslag geven; de laan uitsturen; op straat zetten; aan de dijk zetten; (7) verbieden; door een verbod ontzeggen
是認する zeninsuru erkennen; aannemen; aanvaarden; accepteren; voor lief nemen; zich laten welgevallen; billijken; affirmeren; beamen; bekrachtigen
来る kuru (1) komen; verschijnen; opdagen; naderen; niet achterwege blijven; (2) aankomen; arriveren; (zijn bestemming) bereiken; (3) bezoeken; een visite brengen; op bezoek gaan bij; te gast zijn bij; (4) aanbreken; beginnen; voor de deur staan; (5) worden; in een bepaalde toestand raken; in een bepaalde hoedanigheid raken; (6) (een houding) aannemen; (7) invoeren; introduceren; in gebruik laten komen; in zwang brengen; (8) zijn oorzaak vinden in; toe te schrijven zijn aan; te wijten zijn aan; veroorzaakt zijn door; (9) ontsproten zijn uit
構える kamaeru (1) oprichten; (zich) vestigen; (2) klaarmaken; paraat maken; [銃を] in de aanslag brengen; (3) aannemen; zich voordoen als; zich aanmeten; zich voordoen als; (4) doen alsof; veinzen; voorwenden; pretenderen; voorgeven
用いる mochiiru (1) gebruiken; gebruik maken van; aanwenden; toepassen; benutten; in praktijk brengen; grijpen naar; zijn toevlucht nemen tot; (2) aannemen; in dienst nemen; aanstellen; benoemen; tewerkstellen; aan de bak laten komen
納める osameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
納得する nattokusuru (1) instemmen (met); toestemmen (in); aanvaarden; aannemen; accepteren; goedvinden; [veroud.] bewilligen; zich laten welgevallen; (2) verstaan; begrijpen; genoegen nemen met
見受ける miukeru (1) aannemen; veronderstellen; ervan uitgaan; inschatten; (2) aantreffen; zien; tegenkomen; opmerken; in het oog krijgen
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; bekrachtigen; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren
請け負う ukeou (1) zich contractueel verplichten om; tot; zich ertoe verbinden te; (2) op zich nemen; ondernemen; voor zijn rekening nemen; aannemen
雇い入れる yatoiireru in dienst nemen; aannemen; tewerkstellen; inhuren; aanwerven; werven; aantrekken; engageren; employeren
雇う;傭う yatou (1) in dienst nemen; aannemen; (geregeld) werk geven; tewerkstellen; inhuren; [m.b.t. een artiest] engageren; [m.b.t. een voetballer] contracteren; [m.b.t. een matroos] (aan)monsteren; werven; aanwerven; [mil.] enroleren; [schoolverlaters] plaatsen; (2) huren; afhuren; charteren
雇用する koyousuru tewerkstellen; in dienst nemen; engageren; aannemen
頂戴する choudaisuru ontvangen; krijgen; in ontvangst nemen; aanvaarden; aannemen; accepteren; aanpakken; [i.h.b.] te eten en te drinken krijgen
養う yashinau (1) grootbrengen; opvoeden; kweken; (2) onderhouden; in het onderhoud voorzien van; voorzien in de levensbehoeften van; zorgen voor; (3) voeden; voeding geven; te eten geven; voederen; voeren; (4) adopteren; aannemen; (5) [病を] herstellen van; genezen van; er weer bovenop komen; weer bijkomen; zich (goed) verzorgen; (6) cultiveren; vormen; ontwikkelen; aankweken; opbouwen; [fig.] veredelen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.59 sec. jiten.nl: 13 treffers, warandict: 55 treffers (zoekopdracht: 'aannemen'). 
2005-2026