
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <neerleggen>
タックルする takkurusuru [sportt.] tackelen; aanvallen; de balbezitter stoppen; neerleggen; onderuithalen; de bal afpakken
休む;息む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud.;bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
伸ばす nobasu (1) laten groeien; langer maken; lengen; uitrekken; uitstrekken; uitspinnen; extenderen; reiken; [w.g.] uitreiken; (2) gladstrijken; uitstrijken; effen maken; vlak leggen; strekken; [i.h.b.] strijken; rechtmaken; rechten; (3) aanlengen; verdunnen; dilueren; [een saus e.d.] lengen; dunner maken; (4) doen groeien; tot ontwikkeling brengen; [z'n talent e.d.] ontplooien; ontwikkelen; cultiveren; [de verkoop enz.] bevorderen; uitbreiden; uitbouwen; (5) vellen; neerslaan; vloeren; onderuithalen; knock-out slaan; tegen de vlakte slaan; [sportt.] neerleggen
倒す taosu (1) doen (om)vallen; omslaan; tuimelen; kantelen; vellen; omstoten; omverstoten; omverduwen; neerleggen; omhalen; omwerpen; omduwen; omgooien; omwippen; omslaan; omstorten; omsmijten; neerslaan; neerduwen; neervellen; neerhalen; neertrekken; kiepen; tegen de grond werken; gooien; slaan; omkippen; [inform.] omkiep(er)en; [inform.;scherts.] omkukelen; [i.h.b.] omverlopen; [i.h.b.] omverrennen; [i.h.b.] omverrijden; [m.b.t. kegelspel] omverkegelen; [i.c.m. 稲を] doen legeren; (2) omverwerpen; omvergooien; omverhalen; ten val brengen; wippen; te gronde richten; uit het zadel werpen; (3) verslaan; slaan; kloppen; onderuithalen; overwinnen; neerwerpen; [fig.] vloeren; [uitdr.] in het zand; stof doen bijten; (5) [m.b.t. schulden] niet delgen; terugbetalen; (financieel) aderlaten; oplichten; afzetten
斃す;殪す;仆す taosu (1) doden; doen sneuvelen; neervellen; neerleggen; ombrengen; [inform.] omleggen; [arch.] vellen
去る saru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot;echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen;tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
寝かせる nekaseru (1) te slapen leggen; te ruste(n) leggen; naar bed brengen; in bed stoppen; (2) vellen; neerleggen; (3) onbenut laten; aan de kant leggen; opzijleggen; laten rusten; (4) laten rijpen; lageren; [i.h.b.] vergisten; [i.h.b.] doen gisten; fermenteren
射止める itomeru (1) met een schot vellen; neerschieten; doodschieten; neerhalen; neerleggen; (2) winnen; verwerven; binnenhalen; tot het zijne maken; op de kop tikken; in de wacht slepen; verschalken
射殺する shasatsusuru doodschieten; fusilleren; overhoopschieten; omverschieten; afschieten; neerleggen; [inform.] neerknallen; [volkst.] ketsen; iem. voor z'n raap schieten; iem. voor de kop schieten; een huzarenboon geven; iem. helemaal lek schieten
払う;掃う harau (1) verwijderen; wegdoen; opruimen; wegnemen; wegruimen; vrijmaken; ontruimen; (uit de weg) ruimen; weghalen; wegvegen; vegen; wissen; [een telraam] terugzetten op nul; zuiveren (van); [tranen enz.] afvegen; ontdoen van; [tuinb.] dieven; [tuinb.] afsnoeien; afhelpen van; verdrijven; verjagen; [een kwaal enz.] boeten; (2) [een zwaard e.d.] zwaaien; maaien; [i.h.b. iem. de voet] lichten; [een uithaal e.d.] afslaan; (3) betalen; neertellen; neerleggen; delgen; kwijten; contenteren; [een schuld] afdoen; [een schuld] afkomen; [een schuld] honoreren; [inform.] dokken; vereffenen; over de brug komen; overkomen; [m.b.t. rekening] gladmaken; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen; (4) [eer] betuigen; [eer] bewijzen; [eerbied] betonen; zich [inspanningen] getroosten; zich [moeite] geven; (5) van de hand doen; verkopen; (6) [~に注意を] acht slaan op; aandacht besteden aan; aandacht schenken aan; letten op; opletten; bij de les blijven; achten; acht geven; oppassen
捨てる;棄てる suteru (1) wegwerpen; weggooien; wegsmijten; vergooien; dumpen; storten; afdanken; wegdoen; lozen; [kaartsp.] ecarteren; (2) in de steek laten; aan zijn lot overlaten; achterlaten; verlaten; laten zitten; laten zakken; verzaken; weggaan bij; de bons geven; (3) opgeven; prijsgeven; laten varen; neerleggen; abandonneren; afstand doen van; afstappen van; aan de kant zetten; schuiven; vaarwel zeggen; de rug toekeren; renonceren; verloochenen; afzweren; zich niet meer storen aan; laten vallen; verloren geven; [fig.] overboord gooien; [uitdr.] op de schroothoop gooien; [uitdr.] met de vuilnisman meegeven; [uitdr.] naar de schroothoop verwijzen
提出する teishutsusuru indienen; voorleggen; inleveren; aanhangig maken; afgeven; overgeven; ter hand stellen; bieden; [m.b.t. mening] naar voren brengen; opperen; [bewijsstukken enz.] voorbrengen; [m.b.t. klacht] inbrengen; [m.b.t. klacht] neerleggen; [m.b.t. bewijs] aanvoeren; [m.b.t. ontslag] aanbieden; [m.b.t. oplossing] aandragen; [m.b.t. verzet;protest] aantekenen; [jur.;stukken enz.] produceren; [jur.] exhiberen; [jur.] overleggen; [jur.] deponeren; [m.b.t. probleem] stellen
撃ち落とす uchiotosu [敵機を] neerhalen; neerschieten; neerleggen; afschieten; uit de lucht schieten
支払う shiharau betalen; neertellen; neerleggen; voldoen; vereffenen; contenteren; [m.b.t. rekening] gladmaken; [m.b.t. rekening] afrekenen; [inform.] dokken; [inform.] offeren; [fig.;scherts.;inform.] afschuiven; [i.h.b.] afbetalen; [i.h.b.;inform.] afdokken; [m.b.t. een wissel] rembourseren; [m.b.t. een schuld] terugbetalen; [m.b.t. een schuld;obligaties] aflossen; [m.b.t. een schuld] honoreren; [m.b.t. een schuld] delgen; [m.b.t. een schuld] kwijten; [m.b.t. een schuld] afdoen; [m.b.t. een schuld] afkomen; [m.b.t. rente] vergoeden; [m.b.t. loon] uitbetalen; uitkeren; [fig.] uittellen; [m.b.t. kosten] dragen; bekostigen; [uitdr.] voor zijn rekening nemen; [uitdr.] over de brug komen; [uitdr.] zijn beurs; portemonnee trekken; [fig.] overkomen; [Barg.] roeren; [Barg.] besjollemen
放り出す hōridasu (1) eruit gooien; eruit werpen; eruit kegelen; eruit smijten; eruit kieperen; (2) opgeven; in de steek laten; achterlaten; laten zitten; ophouden met; staken; laten liggen; van zich af zetten; neerleggen; terzijde leggen; (3) verwaarlozen; veronachtzamen; aan z'n lot overlaten; (4) ontslaan; de laan uitsturen; afdanken; aan de dijk zetten; de zak; bons geven; wegzenden; wegsturen
放棄する hōkisuru verzaken; afstand doen van; afstaan; in de steek laten; prijsgeven; opgeven; renonceren; laten varen; [m.b.t. les] laten uitvallen; vaarwelzeggen; verlaten; neerleggen; afgaan van; afzien van; afzweren; [育児を] laten verkommeren; verwaarlozen
敷く shiku (1) [敷物を] spreiden; uitspreiden; leggen; uitleggen; uitstrekken; neerleggen; [蒲団を] maken; (2) [石を] plaveien; bestraten; bevloeren; bedekken; beleggen; [砂利を] begrinden; begrinten; (3) [座布団を] gaan zitten op; plaatsnemen op; (4) [鉄道を] aanleggen; [陣を] opslaan; optrekken; (5) uitvaardigen; promulgeren; afkondigen; over heel het gebied doen gelden
横たえる yokotaeru (1) neerleggen; op z'n zijde leggen; (2) opzij dragen
辞める yameru [m.b.t. ambt] neerleggen; [het leger enz.] verlaten; [z'n baan enz.] vaarwel zeggen; [z'n betrekking enz.] opzeggen; bedanken; aan kant doen; [i.h.b.] met pensioen gaan
退く noku (1) opzijgaan; opzij stappen; aan de kant gaan; uit de weg gaan; uitwijken; wijken; plaatsmaken; (2) wegtrekken; ontruimen; zich terugtrekken; (3) verlaten; zich afscheiden; uittreden; (4) op een afstand blijven; afstand bewaren; zich afzijdig houden; (5) terugtrekken; de aftocht blazen; (6) terugtreden; aftreden; [職を] opgeven; neerleggen; afstand doen van; (7) vervreemden; contact kwijtraken; (8) loslaten; loskomen van; afvallen
退任する taininsuru uit dienst treden; het ambt verlaten; neerleggen; aftreden
退官する taikansuru (1) z'n ambt verlaten; neerleggen; terugtreden; [i.h.b.] met pensioen gaan; (2) met emeritaat gaan; [Belg.N.] op emeritaat gaan
Tijd: 1.51 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'neerleggen').
2005-2026
