RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zijde>
サイド saido (1) kant; zijde; zij; (2) [sportt.] ploeg; team; (3) bij-; neven-
シルク shiruku zijde; zij; zijden weefsel
一方 ippō (1) zijde; ene kant; andere kant; (2) partij; ene partij; andere partij; (3) enkele reis [in tegenstelling tot een reis heen en terug]; (4) [in combinatie met een voorafgaand werkwoord dat niet in de verleden tijd staat] blijven …; niets anders doen dan …; enkel maar …; (5) aan de ene kant; enerzijds
側面 sokumen (1) zijde; zij; kant; zijkant; flank; (2) aspect
側 kawa (1) zijde; zij; kant; rij; (2) [時計の] kast; omhulsel
側 gawa (1) kant; zijde; zij; wand; (2) partij; iems. aanhang; (3) [m.b.t. horloge] kast; omhulsel
側 soku (a) zijde; kant; (b) zijkant; flank; (c) hellen; neigen; (d) getint; vaag
側;傍 soba (1) zijde; zij; kant; flank; langs …; (2) nabijheid; buurt; naast …; bij …; aan …; nabij …; nabijgelegen …; dichtbij …; dichtbijgelegen …; naburig …; (3) [RTK~から] zodra (als); meteen (toen; als)
傍ら katawara (1) zijde; zij; kant; zijkant; (2) naast; buiten; behalve; daarnaast; daarbuiten; [gew.] nevens; [gew.] neffens
傍 bō (a) zijde; kant; (b) bijkomstig; secundair
友禅 yūzen (1) yūzen-verfmethode [= zijdeverftechniek met rijstpasta-coating]; (2) yūzen-weefsel; [i.h.b.] zijde; kimono met yūzen-druk; (3) Yūzen
弱点 jakuten zwakke plek; plaats; zwak; teer punt; zwak; achilleshiel; zwakheid; kwetsbare plaats; zijde; gevoelige; pijnlijke; zere plek; gebrek; tekortkoming
手 te (1) hand; [volkst.] jat; [inform.] klauw; krauwel; [Barg.] fietsen; (2) arm; (3) poot; [i.h.b.] voorpoot; (4) handvat; oor; (5) [meton.] hand; arbeidskracht; kracht; hulpkracht; hulp; helper; (6) [meton.] iems. handen; iems. bezit; (7) handschrift; schrift; (8) middel; truc; foefje; manoeuvre; techniek; (9) verwonding; wond; (10) [将棋の] zet; (11) [トランプの] hand; kaarten; (12) richting; kant; zijde; (13) soort; slag; merk; (14) vaardigheid; bekwaamheid; (15) betrekking; band; (16) hand-; handgemaakt; handgemaakte …; (17) hand-; meeneem-; (18) [~keiyōshi;keiyōdōshi] [beklemtonend voorvoegsel]; (19) in de richting van …; -waarts; (20) [noemt een zekere kwaliteit]; (21) [RYK~] -er [achtervoegsel waarmee nomina agentis gevormd worden]; (22) [maatwoord voor shogi-;schaakzetten]
方 hō (1) richting; kant; zijde; ~ heen; -waarts; [mijner-;jouwer-;enz] -zijds; (2) vlak; (competentie)gebied; terrein; domein; (3) veeleer ~; aan de ~ kant; eerder ~ (dan ~); wat beter; verkieslijker enz. is [verwijst vaak naar het voorkeursalternatief]; (4) kwadraat; tweede macht; vierkant; (5) methode; manier; wijze
横手 yokote (1) zijde; kant; zijkant; (2) [banistiek] stokzijde; (3) Yokote
横 yoko (1) horizontale richting; zijdelingse richting; dwarse richting; dwarste; transverse richting; transversale richting; (2) zijde; zij; boord (van een schip); (3) breedte; wijdte; (4) buitenaf; (a) zijde; horizontaal
短 tan (1) gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; manco; defect; [form.] feil; (2) [muz.] mineur; (3) tanka [verkorting van tanka 短歌]; (4) kort; kortstondig
短所 tansho gebrek; onvolkomenheid; tekortkoming; fout; mankement; tekort; behepsel; euvel; zwakke plek; plaats; zijde; zwak punt; zwakte; zwakheid; nadeel; ongunstige factor; min(punt); tegen; deficiëntie; imperfectie; onvolmaaktheid; manco; defect; [form.] feil
端 ha (1) rand; kant; boord; zoom; zijde; (2) rest; wat overblijft; (a) rand; rest
筋;条 suji (1) vezel; draad; [oneig.] zeen; [oneig.] pees; [oneig.] spier; (2) ader; (3) aanleg; talent; gave; (4) lijn; streep; voor; vore; (5) [geneal.] lijn; linie; afstamming; afkomst; komaf; descendentie; bloed; (6) draad; plot; intrige; verwikkeling; rode draad; verhaallijn; (7) rede; logica; ratio; zinnigheid; (8) [確かな;信頼すべき~] zijde; bron; kringen; (9) traject; tracé; (10) [囲碁;将棋の] cruciale zet; (11) [maatwoord voor langgerekte objecten zoals rivieren;obi's;lijnen;rookkolommen;wegen enz.]
絹 kinu (1) zijdevezel; (2) zijdeweefsel; zijde; zij
翼 yoku (1) vleugel; vlerk; wiek; (2) vliegtuigvleugel; draagvlak; draagvleugel; (3) [mil.] flank; zijde; (4) [dierk.;plantk.] vleugelachtig; vleugelvormig object; vleugeltje; (5) propellerblad; rotorblad; (6) [Chin.astron.] Vleugels; Yì [= één van de achtentwintig maanhuizen]; (7) [maatwoord voor vleugels of gevogelte]; (8) [maatwoord voor schepen;vaartuigen]; (a) vleugel; (b) vliegtuigvleugel; (c) vleugelachtig; vleugelvormig object; (d) ondersteunen
脇;腋;掖;傍;側;ワキ waki (1) zijde; zij; zijkant; flank; (onder de) oksel; (2) zijde; kant; (3) [nō-jargon] bijrol; bijfiguur; deuteragonist; waki; (4) tweede strofe in een Japans kettinggedicht (renga 連歌)
舷 gen (1) [scheepv.] boord; scheepsboord; zijde; zij; scheepszijde; (2) [plantk.] [花弁の] rand; boord; zoom; limbus; (a) scheepsboord
辺 hen (1) buurt; omgeving; omtrek; wijk; gebied; gewest; omstreek; rondte; nabijheid; (2) omtrent ~ [drukt een benadering uit]; (3) [wisk.] zijde; rib [van meetkundige figuur]
長所;長処 chōsho (1) sterk punt; sterke kant; zijde; goede; beste eigenschap; kwaliteit; fort; het voor; gunstig element; plus; (2) verdienste; merite; (3) voordeel; pluspunt; winstpunt; aanwinst; [fig.] troef; [gew.;veroud.] avantage
面 men (1) gezicht; aangezicht; gelaat; figuur; snuit; snoet; smoel; facie; [inform.] toet; [volkst.] snufferd; [volkst.] bakkes; [vulg.] smoelwerk; [volkst.;fig.] postzegel; [Barg.] treiter; [Barg.;volkst.] ponem; [min.] tronie; [Barg.] gebbe; [Barg.] kakement; [slang] fiselefasie; [slang] fiselemie; (2) masker; mombakkes; mom; [Barg.] schiebaart; (3) masker [bij lassen;sport: kendō;honkbal enz.]; (4) pagina (van een krant); bladzijde; (5) [wisk.] oppervlakte; vlak; (6) [technol.] facet [afschuining onder een hoek van 45°]; helling; schuinte; wand; (7) kant; aspect; zijde; latus; vlak; opzicht; gebied; (8) men [klap in het gezicht: bepaalde score in het kendō]; (9) [maatwoord voor vlakke voorwerpen (bv.: spiegels;luiten;suzuri 硯 [inktstenen]; maskers; schaakborden; bundels papier; kaartspelen; tennisbanen e.d.)]