
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
aomuku・仰向く
aru・有る
(在る) i.w. (1) [存在] zijn; bestaan; voorkomen. (2) [所在] zijn; liggen; gelegen zijn. (3) [發生] gebeuren; plaats grijpen; plaats vinden; geschieden. (4) [機會が] zich voordoen. (5) [所有] t.w. hebben; bezitten. (6) [容量] meten; wegen; bevatten. ¶ 其の家は今ありますか bestaat dat huis nog? is dat huis er nog? ¶ 日本は支那の東に在り Japan ligt ten oosten van China. ¶ 此家には庭がある dit huis heeft een tuin. ¶ 私は金がない ik heb geen geld. ¶ 長さ三尺ある het meet drie voet; het is drie voet lang. ¶ 此處に激戰があった hier had een hevige veldslag plaats. ¶ 機會があれば als de gelegenheid zich voordoet.
yamu・止む
(已む、罷む) i.w. ophouden; stoppen; uitscheiden; eindigen; afgeloopen zijn; stilstaan. ¶ 雨が止んだ de regen is opgehouden. ¶ 風が止んだ de wind is gaan liggen.
zaga・坐臥
mottainai・勿體ない
yokotawaru・橫たはる
(横たはる) i.w. liggen.
wadakamari・蟠
zn. (1) [疑ぐり] achterdocht v.; argwaan m. (2) [恨] wrok v. (3) [誤解] misverstand o. (4) [隔意] voorbehoud o. ¶ 心中に蟠がある iets op het hart hebben; verborgen bedoelingen hebben. ¶ 蟠る gekronkeld liggen (蛇が); gekoesterd worden (考が). ¶ 兩者の間に惡感情が蟠って居る zij koesteren wrok tegen elkaar.
SUPPLEMENT (trefwoord)
sūnin・数人
zn, no-adj. meerdere mensen; een aantal mensen. ¶ 部屋には数人の学生がいた。 Heya ni wa sūnin no gakusei ga ita. Er waren een aantal studenten in de kamer. (TTC) ¶ 彼らのうち数人がその法案に反対である。 Karera no uchi sūnin ga sono hōan ni hantai de aru. Een aantal van hen was tegen het wetsvoorstel. (TTC) ¶ 数人の人たちが負傷して横たわっていた。 Sūnin no hitotachi ga fushōshite yokotawatte ita. Meerdere mensen lagen gewond neer. (TTC) ¶ 数人の若い技師が雇われ、彼らは新しいコンピューターの開発に専念した。 Sūnin no wakai gishi ga yatoware, karera wa atarashii konpyūtā no kaihatsu ni sennenshita. Er waren een aantal jonge ingenieurs te werk gesteld, en ze waren totaal toegewijd aan het ontwikkelen van een nieuwe computer. (TTC) ¶ 僕はこの夏休みに数人の友達と、伊豆半島を歩いて一周するのを楽しみにしています。 Boku wa kono natsuyasumi ni sūnen no tomodatchi to, Izu hantō wo aruite isshūsuru no wo tanoshimi ni shite imasu. Ik kijk er naar uit om deze zomervakantie met een aantal vrienden te voet het schiereiland Izu te gaan verkennen. (TTC)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <liggen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ごわす gowasu (1) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (2) [hoff. variant van aru] zijn
ごんす gonsu (1) [hon. variant van kuru] komen; (2) [hon. variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (3) [hoff. variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (4) [hoff. variant van aru] zijn
位する kuraisuru (1) een rang geven; tot een klasse rekenen; klasseren onder; (2) gelegen zijn; liggen; gesitueerd zijn in
埋没 maibotsu (1) het begraven zijn; liggen; het bedolven zijn; (2) het in vergetelheid raken; (3) [fig.] het volledig ondergedompeld zijn; het opgaan in; het opgeslorpt zijn in
埋没する maibotsusuru (1) begraven zijn; liggen; bedolven zijn; (2) in vergetelheid raken; (3) [fig.] volledig ondergedompeld zijn; opgaan in; opgeslorpt zijn in
居る iru (1) zijn; zich bevinden; bestaan; staan; liggen; (2) wonen; verblijven; leven; resideren; zetelen; (3) aanwezig zijn; present zijn; tegenwoordig zijn; in de buurt zijn; thuis zijn; (4) [m.b.t. bloedverwanten;bv. broers of zusters] hebben; (5) [m.b.t. dieren] leven; voorkomen; aangetroffen worden [in een bepaalde habitat]
待ち伏せする machibusesuru in (een) hinderlaag liggen; zich in hinderlaag leggen; zich verdekt opstellen; op de loer liggen; loeren op; opwachten; op het vinkentouw zitten; [Belg.N.] op vinkenslag zitten; liggen
御座る gozaru (1) [honoratieve variant van iru] zijn; zich bevinden; bestaan; (2) [honoratieve variant van aru] zijn; zich bevinden; bestaan; hebben; liggen; gelegen zijn; staan; (3) [honoratieve variant van iku en kuru] gaan; komen; zich begeven; (4) [hoffelijkheidsvariant van aru] zijn; hebben; (5) gaan houden van; verliefd worden; (6) bederven; slecht worden; rotten; (7) [腹が~] honger krijgen; trek krijgen; (8) [hoffelijkheidsvariant van aru;iru] zijn; hebben
接近する sekkinsuru (1) aanliggen tegen; kunnen tippen aan; dicht bij elkaar staan; liggen; in de buurt komen; gewaagd zijn aan; (2) naderen; nader komen tot; benaderen; naderbij; dichterbij komen; nabij; dichtbij komen; [form.] genaken; niet ver af zijn van; dicht passeren; (3) avances maken; toenadering zoeken; de eerste stappen doen; dichter aankruipen (tegen); aansluiting; anschluss zoeken bij; het aanleggen met; aanpappen met; intiem worden met; familiair worden met
放って置く houtteoku (1) het erbij laten (zitten); maar laten zitten; rusten; met rust laten; er niet aankomen; de boel de boel laten; de dingen laten zoals ze zijn; (2) verwaarlozen; onbeheerd; onverzorgd laten; z'n gang laten gaan; laten begaan; aan z'n lot overlaten; laten betijen; laten varen; in de steek laten; de boel laten vlotten; [gew.] laten otteren; laten versloffen; de handen aftrekken van; de boel in de lappen laten hangen; liggen; [gew.] iets op zijn gat laten aflopen
横臥する ougasuru (1) neerliggen; liggen; (2) op z'n zij liggen
眠る;睡る nemuru (1) slapen; rusten; [inform.] maffen; [inform.] een mafje doen; [soldatent.;inform.] pitten; [zeemanst.;volkst.] 'em knijpen; [zeemanst.;volkst.] piepen; [Barg.;volkst.] norsen; [Barg.] bronzen; [Barg.] dolmen; [Barg.] poven; [i.h.b. van vogels] roesten; (2) [euf.;van de doden] slapen; rusten; (begraven) liggen; (3) slapen; braak liggen; [van kapitaal] doodliggen; ongebruikt liggen; onbenut liggen; onaangesproken zijn; onaangeboord zijn; onontwikkeld zijn; onontgonnen zijn
積もる tsumoru (1) zich ophopen; zich opstapelen; zich opeenstapelen; zich opeenhopen; zich accumuleren; zich samenpakken; [塵;雪が] (blijven) liggen; [金が] aantikken; aantellen; (2) oplopen; opsparen; opproppen; [i.h.b.] zich opkroppen; (3) schatten; ramen; taxeren; waarderen; (4) peilen; zich indenken; zich voorstellen
適す tekisu geschikt zijn; in aanmerking komen; gepast zijn; passend zijn; [form.] voegzaam zijn; aangewezen zijn; toepasselijk zijn; adequaat zijn; toereikend zijn; geëigend zijn; geknipt zijn; passen; liggen
適する tekisuru geschikt zijn (voor); in aanmerking komen voor; gepast zijn (voor); passend zijn (voor); [form.] voegzaam zijn (voor); aangewezen zijn; toepasselijk zijn; adequaat zijn; toereikend zijn; geëigend zijn; geknipt zijn (voor); passen bij; liggen
Tijd: 1.41 sec. jiten.nl: 15 treffers, warandict: 15 treffers (zoekopdracht: 'liggen').
2005-2026
