
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
utsu・打つ
t.w. (1) [打つ] slaan. i.w. (2) [拍手] (in de handen) klappen. t.w. (3) [發砲] schieten. (4) [攻擊] aanvallen. (5) [鐘を] luiden. (6) [電報を] verzenden. i.w. (7) [博奕] dobbelen. t.w. (8) [網を] werpen; gooien. (9) [碁能] spelen. (10) [鍛へる] harden. (11) [打込む] inslaan. ¶ 釘を打つ spijker inslaan. ¶ 網を打 net werpen. ¶ 太鼓を打つ trommelen. ¶ 仇を討つ zich wreken. ¶ 田を打つ sawah bebouwen. ¶ 幕を打つ tent opslaan. ¶ 手金を打つ handgeld betalen. ¶ もんどり打つ saltomortale maken. ¶ 電報を打つ telegram zenden; telegrafeeren.
SUPPLEMENT (trefwoord)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opslaan>
サーブする sābusuru [sportt.] serveren; opslaan
サーヴする sāvusuru [sportt.] serveren; opslaan
セーブする sēbusuru (1) [力を] besparen; matig zijn met; matigen; rustig aan doen met; [衝動を] beheersen; (2) [sportt.;honkb.] een tegenpunt weten te voorkomen; saven; (3) [comp.] saven; opslaan
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;トランプ;マージャンで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [バッテリーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
仕舞う;終う shimau (1) sluiten; dichtdoen; [i.h.b.] voorgoed sluiten; stopzetten; opdoeken; opheffen; [met de zaak enz.] ophouden; (2) opbergen; bergen; wegbergen; wegdoen; wegleggen; wegzetten; wegstoppen; [i.h.b.] terugleggen; [i.h.b.] terugzetten; [i.h.b.] terugplaatsen; [i.h.b.] weer op zijn plaats zetten; leggen; [~ている;ておく] bewaren; opzijleggen; opslaan; (3) beëindigen; afmaken; eindigen; tot een eind brengen; een einde maken (aan); afsluiten; afronden
仕込む shikomu (1) opleiden; trainen; scholen; onderwijzen; onderrichten; opvoeden; bijbrengen; bekwamen; beleren; aanleren; [動物を] africhten; dresseren; (2) inslaan; aanleggen; een voorraad bewaren van; in voorraad nemen; opslaan; [知識を] erin stampen; (3) prepareren; bereiden; toebereiden; (4) binnenin aanbrengen; voorzien van
保存する hozonsuru bewaren; conserveren; in stand houden; houden; behouden; verduurzamen; onderhouden; [comp.] opslaan; saven
値上がりする neagarisuru in prijs stijgen; rijzen; verduren; duurder worden; opslaan; opgaan; [beurst.] willigen
備蓄する bichikusuru opslaan; opbergen; een voorraad; noodvoorraad … aanleggen; inslaan; [Belg.N.] stockeren
勃起する bokkisuru (1) stijf worden; overeind komen; zich oprichten; omhoog gaan; [volkst.] steigeren; (2) een erectie krijgen; [inform.] ‘m overeind krijgen; [inform.] een stijve (pik); een harde; een paal krijgen; [vulg.] een tent in zijn broek krijgen; [scherts.] het geweer presenteren; (3) [fig.] opwellen; aanzwellen; opborrelen; opbruisen; opkomen; zich oprichten; oprijzen; opslaan; [form.] ontstijgen
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
収蔵する shūzōsuru (1) opslaan; binnenhalen; inslaan; opbergen; vergaren; oogsten; een voorraad ... aanleggen; (2) verzamelen
囲う kakou (1) omheinen; insluiten; omringen; omgeven; omsluiten; afzetten; omgorden; (2) [妾を] stiekem eropna houden; als maintenee onderhouden; mainteneren; (3) [野菜;果実を] kweken; telen; (4) beschermen; behoeden; hoeden; beschutten; vrijwaren; (5) bewaren; opslaan
増やす fuyasu vergroten; verhogen; opslaan; optrekken; opvijzelen; versterken; uitbreiden; opvoeren; vermeerderen; vermeren; doen stijgen; doen toenemen; aankweken; verruimen; uitbouwen; amplificeren
張る haru (1) spannen; aanspannen; opspannen; strekken; [m.b.t. touw;lijn enz.] scheren; [gordijnen enz.] ophangen; [zijn takken enz.] uitspreiden; [テントを] opslaan; opzetten; [de vleugels] uitslaan; [de zeilen] zetten; rekken; (2) bespannen (met); aanbrengen; [壁紙を] behangen; [met stof enz.] overtrekken; bekleden (met); voorzien van; (3) [met water enz.] vullen; (4) [stelling enz.] nemen; [een zaak] opzetten; drijven; [een banket] aanrichten; [zijn macht;recht enz.] doen gelden; [geld enz.] zetten (op); verwedden; [zijn zin] doordrijven; (5) op de uitkijk staan; [naar een verdachte enz.] uitkijken; opwachten; (6) [zijn schouders enz.] rechten; [de ellebogen enz.] uitsteken; [de borst enz.] vooruit steken; (7) een klap geven; een draai om de oren geven; meppen; [sumō-jargon] harite 張り手 toebrengen; (8) zich opzetten; opzwellen; uitzetten; (9) verstrammen; verstijven; verstrakken; (10) uitsteken; hoekig worden; (11) zich uitstrekken (over het hele oppervlak); zich uitspreiden over; zich vormen; (12) gespannen worden; nerveus worden; (13) zich schrap zetten; trotseren; rivaliseren; (14) prijzig zijn; duur zijn; nogal wegen; [i.h.b.] overtrokken zijn
敷く shiku (1) [敷物を] spreiden; uitspreiden; leggen; uitleggen; uitstrekken; neerleggen; [蒲団を] maken; (2) [石を] plaveien; bestraten; bevloeren; bedekken; beleggen; [砂利を] begrinden; begrinten; (3) [座布団を] gaan zitten op; plaatsnemen op; (4) [鉄道を] aanleggen; [陣を] opslaan; optrekken; (5) uitvaardigen; promulgeren; afkondigen; over heel het gebied doen gelden
架蔵する kazōsuru [書物を] bewaren; opbergen; bergen; opslaan
殖やす fuyasu vergroten; verhogen; opslaan; optrekken; versterken; uitbreiden; opvoeren; vermeerderen; vermeren; doen stijgen; doen toenemen; aankweken; verruimen; uitbouwen; amplificeren
溜める tameru (1) verzamelen; een verzameling; collectie; voorraad ~ aanleggen; vergaren; collectioneren; accumuleren; hamsteren; opslaan; [veroud.;lit.t.] garen; (2) laten oplopen; laten ophopen; laten opstapelen; laten accumuleren; opkroppen; [i.h.b.] achterstallig laten worden; [i.h.b.] niet op tijd betalen; (3) [m.b.t. water] opvangen; vergaren; opslaan
発芽する hatsugasuru ontkiemen; ontspruiten; uitbotten; germineren; ontluiken; spruiten; uitspruiten; uitlopen; knoppen; knop schieten; opschieten; opslaan; botten; loten schieten
立てる tateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画;規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気;煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門;戸;雨戸;障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; (8) enthousiast …; geestdriftig … [aangesloten op de ren'yōkei]
納める osameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
置く;措く;擱く oku (1) plaatsen; zetten; leggen; stellen; installeren; (2) laten liggen; achterlaten; (3) laten; zo laten; toelaten; toestaan; (4) oprichten; vestigen; instellen; stichten; grondvesten; openen; houden; (5) bewaren; opslaan; stockeren; conserveren; houden; een voorraad vormen; (6) (措く) uitzonderen; terzijde leggen; (7) erbij laten; er zich verder niet meer mee bemoeien; (8) tewerkstellen; werk geven; in dienst hebben; [bedienden] houden; (9) huisvesten; logeren; logies verlenen; (10) aanstellen als; [een persoon] in een zekere functie plaatsen; benoemen; (11) [soldaten] posteren; legeren; plaatsen; opstellen; (12) een tussenruimte laten; een tijdsinterval laten; tijd tussen laten; afscheiden; op een afstand houden [zie ook het suffix -oki 置き]; (13) verpanden; belenen; in onderpand geven; (14) [m.b.t. een laagje goud;zilver etc.] voorzien; beleggen; bekleden; vergulden; verzilveren; (15) [m.b.t. dauw;rijp;rijm;nachtvorst etc.] zich vormen; (16) iets op voorhand doen; iets alvast doen [na een て-vorm van een werkwoord]; (17) (擱く) stoppen met schrijven; de pen neerleggen; een brief afsluiten
蓄える;貯える takuwaeru (1) sparen; opsparen; besparen; wegleggen; opzijleggen; opslaan; inslaan; potten; oppotten; bewaren; een voorraad … aanleggen; in voorraad nemen; vergaren; bijeensparen; bijeenhouden; [i.h.b.] hamsteren; (2) zich eigen maken; verwerven; opdoen; (3) [髭を] laten staan; laten groeien; [scherts.] fokken
蘊 un (1) ophoping; opeenstapeling; verzameling; opslag; (2) [boeddh.] skandha; (a) stapelen; opslaan; (b) [boeddh.] skandha; (c) bodem; diepste; (d) belemmering; opstopping; (e) zwoel; broeierig
記憶させる kiokusaseru doen onthouden; [comp.] doen registreren; opslaan
記憶する kiokusuru (1) (zich) herinneren; (2) heugen; bijblijven; in het geheugen blijven; in z'n herinnering voortleven; gedenken; (3) onthouden; in gedachten houden; niet vergeten; indachtig zijn; in gedachtenis houden; opslaan; (4) uit het hoofd leren; van buiten leren; memoriseren
貯蔵する chozōsuru sparen; bewaren; opslaan; conserveren; verduurzamen; inslaan; aanleggen; [m.b.t. geld] wegleggen; opzijleggen; opzijzetten; wegzetten; een voorraad ~ aanleggen; potten; hamsteren; bufferen; (een voorraadje ~) kweken; (in reserve) houden; opsparen; oppotten
買い込む kaikomu (1) inslaan; (grote hoeveelheden) in voorraad aankopen; kopen; een voorraad aanleggen; groot inkopen; hamsteren; en gros; in het groot afnemen; opslaan; opdoen; opleggen; (2) erkennen; (3) omkopen
騰る agaru [値段;物価が] stijgen; oplopen; opslaan; hoger worden
Tijd: 0.99 sec. jiten.nl: 2 treffers, warandict: 30 treffers (zoekopdracht: 'opslaan').
2005-2026
