RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schieten>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
助けに行く tasukeniiku [人を] te hulp snellen; schieten
射る iru (1) [矢を] afschieten; schieten; (2) [鳥を] neerschieten; schieten; (3) [的を] schieten op; treffen; raken
射撃する shagekisuru schieten; vuren; beschieten; vuur geven; onder vuur nemen
弾く hajiku (1) [m.b.t. knikker;munt] schieten; wegschieten; wegknippen (met de vingers); knippen; wegtikken; tikken; knikkeren; betokkelen; tokkelen; (2) afstoten; doen afstuiten; (3) [m.b.t. telraam] bedienen; telschijfjes doen verspringen; [i.h.b.] op het telraam rekenen; berekenen
打ち続ける uchitsuzukeru (1) blijven slaan; (2) blijven vuren; schieten
撃 geki (a) slaan; (b) aanvallen; (c) schieten; (d) observeren
撃つ utsu schieten; een schot lossen; vuren; ontladen
撮る toru [写真を] nemen; schieten; [Belg.N.] trekken; [映画を] opnemen; vastleggen; [しーんを] (weten te) vangen; [pregn.] kieken
放つ hanatsu (1) schieten; afschieten; afvuren; vuren; [fig.;m.b.t. gerucht;roddel enz.] lanceren; uitzenden; uitsturen; [m.b.t. boer;wind] laten vliegen; (2) afgeven; verspreiden; [m.b.t. licht] uitstralen; (3) loslaten; vrijlaten; in vrijheid stellen
映画を撮る eigawotoru een film opnemen; vastleggen; schieten; filmen
涌く;湧く waku (1) opspuiten; gutsen; gulpen; (2) te voorschijn komen; uitkomen; schieten; [m.b.t. loten] uitslaan; uitlopen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; (3) opwellen; ontstaan; rijzen
狩る karu (1) jagen op; bejagen; jacht maken op; schieten; (2) verzamelen; plukken
産み落とす umiotosu baren; het leven schenken aan; bevallen van; werpen; [卵を~] leggen; schieten
発射する hasshasuru (1) schieten; vuren; afvuren; afschieten; wegschieten; lossen; af laten gaan; lanceren; [veroud.] losbranden; (2) [elektrische golven e.d.] uitzenden; uitstralen; uitschieten; stralen; emitteren
発砲する happousuru afvuren; vuren; een schot doen; schieten; het vuur openen; vuur geven; [銃;大砲を] bedienen
繰り出す kuridasu (1) [糸を] afwinden; vieren; laten slippen; vieren; schieten; naar buiten werpen; (2) [べてらんを] in golven doen uitrukken; en masse uitzenden; de ene na de andere uitsturen; (3) [槍を] stoten; steken; een uitval doen met; (4) doen bekennen; (5) [花見に] massaal naar buiten komen; in drommen uitlopen
脱する dassuru (1) ontsnappen aan; ontkomen aan; wegkomen van; zich redden uit; raken; geraken uit; zich bevrijden uit; zich losmaken van; zich loswerken uit; zich vrijmaken van; te boven komen; gaan; erbovenuit komen; stijgen; schieten; (2) [m.b.t. hoofddeksel e.d.] afzetten; afnemen; afdoen; (3) [m.b.t. stop;kurk e.d.] uittrekken; uitdoen
逸する issuru (1) afwijken van; afraken van; afdwalen van; (2) ontsnappen uit; (3) verloren gaan; (4) zich vermaken; (5) laten voorbijgaan; missen; laten ontsnappen; er vandoor laten gaan; (6) [名を] prijsgeven; laten varen; schieten
逸れる soreru (1) [doel enz.] missen; er naast gaan; schieten; (2) afdwalen; afbuigen; [i.c.m. 航路から] uit de koers raken; van richting; koers veranderen; een andere kant opgaan; afwijken; een wending nemen; [van de rechte weg enz.] afgaan; [i.h.b.] afslaan; [i.h.b.] (af)zwenken; [i.h.b.] afdraaien
飛ばす tobasu (1) laten vliegen; afschieten; schieten; afvuren; lossen; [m.b.t. vlieger;ballon] oplaten; [honkbal;b.v. een tweehonkslag] slaan; [een beenveeg] lappen; [m.b.t. speeksel] uitwerpen; (2) spatten; laten spatten; [m.b.t. snippers enz.] rondstrooien; (3) wegblazen; afblazen; (4) [een auto enz.] doen wegscheuren; jagen; [m.b.t paard] in galop doen gaan; (5) [een manifest enz.] uitvaardigen; uitbrengen; in omloop brengen; in circulatie brengen; verspreiden; laten circuleren; [m.b.t. grappen] debiteren; [m.b.t. klappen] uitdelen; (6) [euf.] overplaatsen; (7) overslaan; overspringen; [comp.] skippen; weglaten; luchtig overheen gaan; achterwege laten
飛ぶ tobu (1) vliegen; [form.] wieken; doorklieven; (als) op vleugels gaan; [fig.;door de lucht enz.] zeilen; de lucht ingaan; het luchtruim kiezen; [i.c.m. ひらひら] fladderen; [m.b.t. water] spatten; [m.b.t. vonken enz.] eraf vliegen; alle kanten op vliegen; (2) vliegen; stuiven; zich snel voortbewegen; schieten; wegschieten; flitsen; snellen; razen; zoeven; ijlen; spoeden; zich haasten; (3) vlieden; vluchten; (4) [m.b.t. zekering] springen; doorslaan; (5) overslaan; [comp.] skippen; [van de hak op de tak enz.] springen; overspringen; [m.b.t. bladzijden in een boek] ontbreken; (6) vervliegen; [m.b.t. kleuren] snel verschieten