RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <spelen>
プレーする purēsuru (1) spelen; [優勝杯争奪戦で~] bekeren; (2) gamen
上演する jōensuru opvoeren; vertonen; voorstellen; uitvoeren; vertolken; spelen; (ten tonele) brengen; presenteren; tonen; een voorstelling geven van; op de planken brengen
公演する kōensuru (1) optreden; een uitvoering; voorstelling geven; spelen; performen; (2) opvoeren; uitvoeren; vertonen; op de planken brengen; presenteren
務める tsutomeru (1) dienen als; werken als; werkzaam zijn als [parlementslid enz.]; fungeren (als); optreden (als); zich kwijten [van zijn opdracht enz.]; [zijn ambt;mil. dienst enz.] vervullen; uitoefenen; bekleden; (2) [een rol] spelen; voor zijn rekening nemen; vertolken; neerzetten; [pej.;de held enz.] uithangen
吐く;嘔く haku (1) spuwen; [spreekt.] spugen; opgeven; opspuwen; ophoesten; uitkotsen; (2) braken; overgeven; opgeven; [inform.] kotsen; vomeren; [uitdr.;volkst.] over zijn nek gaan; [uitdr.;volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren; (3) uiten; zeggen; uiting geven aan; luchten; slaken; uitdrukken; laten zien; uitspreken; [fig.] spuien; (4) uitstoten; uitwerpen; uitbraken; uitspuwen; [rook enz.] uitademen; [spreekt.] uitspugen; afgeven; afscheiden; van zich doen uitgaan; (5) [泥を] bekennen; opbiechten; toegeven; doorslaan; [Barg.] kotsen; [Barg.] poekelen; [Barg.;uitdr.] poep van zeike gaan
嘔吐する ōtosuru braken; vomeren; overgeven; spuwen; kotsen; over z'n nek gaan; [volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren
奏する sōsuru (1) [muz.] bespelen; spelen; ten gehore brengen; uitvoeren; (2) behalen; verwerven; [効を] effect sorteren; uitwerking hebben; (3) de keizer(-emeritus) petitioneren
奏でる kanaderu spelen; bespelen
巫山戯る;不山戯る fuzakeru (1) grappen; grollen; grapjassen; gekscheren; railleren; schertsen; geinen; gekheid; grappen maken; gekken; gekheden uithalen; gebbetjes maken; [arch.] kortswijlen; boerten; onzin vertellen; [Belg.N.;spreekt.] zwanzen; niet serieus zijn; (2) stoeien; spelen; ravotten; robbedoezen; dartelen; (3) flirten; sjansen; het aanleggen met; (4) voor de gek houden; gekscheren met; lachen met; dollen met; gekken met; de draak steken met; de spot drijven met; een loopje nemen met; voor de mal houden; op de hak nemen
弾く hiku [muz.] spelen; bespelen; tokkelen op; betokkelen; aanslaan
戻す modosu (1) terugbrengen; terugbezorgen; teruggeven; terugplaatsen; retourneren; terugzetten; terugzenden; terugstellen; terugsturen; terugleggen; achteruitzetten; achteruitstellen; weer in zijn oude staat brengen; (2) overgeven; braken; opgeven; vomeren; [volkst.] rendez-vous houden; spelen; [uitdr.] aan Neptunus offeren
打つ utsu (1) slaan; een slag geven; kloppen; beuken; botsen; [タイプライターを] tikken; typen; aanslaan; (2) [een klok] luiden; [een uurwerk] slaan; (3) roeren; ontroeren; beroeren; indruk maken; raken; (4) [een nagel] indrijven; (5) besprenkelen; besproeien; bewateren; (6) een vlecht maken; vlechten; (7) [een spel] spelen; (8) [land] bebouwen; ploegen; (9) [een zwaard e.d.] smeden; (10) [een net;vangnet] werpen; [een net;vangnet] gooien; (11) [een telegram] sturen
扮する funsuru (1) [ton.] vertolken; de rol spelen van; spelen; uitbeelden; voorstellen; neerzetten; representeren; (2) zich verkleden; zich vermommen; zich uitdossen als
指す sasu (1) richten; wijzen; aanwijzen; aanduiden; aangeven; (2) bedoelen; refereren aan; (3) zich op weg begeven naar; koers zetten naar; gaan naar; gericht zijn naar; aanhouden op; (4) [m.b.t. schaakspel] spelen; [m.b.t. schaakstuk] een zet doen; (ver)zetten; (5) verklikken; aangeven; aanbrengen; [inform.] klikken; [Barg.] baldoveren
掻く kaku (1) (zich) krabben; (2) [sneeuw] scheppen; [熊手で] harken; aanharken; bijeen schrapen; (3) peddelen; (4) afsnijden; afhakken; (5) zweten; (6) [op een snaarinstrument] spelen; (7) [in kleermakerszit] gaan zitten
演じる enjiru (1) uitvoeren; opvoeren; vertolken; vertonen; spelen; acteren; de rol spelen van; uitbeelden; neerzetten; op de planken; het toneel brengen; ten tonele brengen; [醜態を] bieden; (2) spelen; zich gedragen als; zich voordoen als
演ずる enzuru (1) uitvoeren; opvoeren; vertolken; vertonen; spelen; acteren; de rol spelen van; uitbeelden; neerzetten; op de planken; het toneel brengen; ten tonele brengen; [醜態を] bieden; (2) spelen; zich gedragen als; zich voordoen als
演奏する ensōsuru [muz.] spelen; brengen; ten gehore brengen
熟す konasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
筍;竹子;笋 takenoko (1) [plantk.] bamboescheut; bamboeloot; bamboespruit; (2) opvallende verstellapjes in een oud kledingstuk; (3) kwakzalver; charlatan; boerenbedrieger; [inform.] wonderdokter; lapzalver; kakadoris; kakkedoris; [gew.] heggendokter; [gew.] tandentrekker; (4) uitverkoop van persoonlijke bezittingen om rond te komen; (5) [Barg.] samenwerking; samenspanning; geheul; het onder één hoedje spelen; het handjeklap doen; spelen
興行する kōgyōsuru op de planken brengen; opvoeren; uitvoeren; spelen; vertonen; brengen
試合する;仕合する shiaisuru spelen; een wedstrijd; partij enz. spelen; een spel doen
通ずる tsūzuru (1) lopen; passeren; heen en weer gaan; voeren naar; leiden naar; uitgeven op; uitkomen op; toegang geven; verlenen tot; in verbinding staan met; communiceren; verbinden; aansluiten op; [電話が] verbinding; contact krijgen met; bereiken; (2) overkomen; begrepen worden; verstaan worden; duidelijk zijn; [言語が] gesproken worden; (3) bedreven zijn in; ervaren zijn in; geverseerd zijn in; vertrouwd zijn met; goed op de hoogte zijn van; goed ingelicht zijn over; thuis zijn in; z'n weetje weten van; bekend zijn met; goed kennen; veel afweten van; beheersen; (4) intieme omgang hebben; een affaire hebben met; in het geheim een liefdesverhouding hebben met; vreemdgaan; overspel plegen; [Barg.] eisjedies gaan; (5) [敵に] in verbinding staan met de vijand; onder een hoedje spelen; samenzweren; collaboreren; samenspannen; handjeklap doen; spelen; handjeklappen; gemene zaak maken; heulen met; (6) [natuurk.] doorlaten; geleiden; [電流を] onder stroom zetten; (7) duidelijk maken; bekendmaken; kenbaar maken; informeren; inlichten; doorgeven; op de hoogte brengen; kennis geven van; communiceren; overbrengen; [敵に] verraden; (8) [ー年を] zich uitstrekken over; beslaan; bestrijken; omvatten; innemen; in beslag nemen; belopen; (9) [情けを] vreemdgaan; overspel plegen; [veroud.] achteruitslaan; (10) inzenden; insturen; indienen; bezorgen; [名前;名刺を] geven; (11) [ラジオを] als medium gebruiken
遊ぶ asobu (1) spelen; zich vermaken; pret maken; plezier maken; zich amuseren; zich bezighouden; (2) niets uitvoeren; nietsdoen; niksen; niets te doen hebben; er z'n gemak van nemen; z'n tijd verdoen; werkeloos blijven; luieren; rondhangen; lummelen; lanterfanten; [gew.] wepele armen hebben; (3) werkloos zijn; inactief zijn; (4) het ervan nemen; de bloemetjes buitenzetten; fuiven; uitgaan; stappen; cafés bezoeken; aan de boemel gaan; boemelen; aan de zwier gaan; pierewaaien; zwierbollen; (5) [土地が] braak liggen; [機械が] ongebruikt liggen; onbenut blijven; stilliggen; buiten bedrijf zijn; buiten werking zijn; sluimeren; [手が] niets omhanden hebben; [資本が] slapen; renteloos liggen; op stok liggen; (6) […に~] reizen; een tocht maken; een uitstapje maken; een bezoek afleggen; (7) […に~] studeren; (8) [honkb.] opzettelijk wijd gooien; (9) een spel drijven; sollen; dollen; gekscheren; de draak steken met; (10) verzen maken; muziek maken
遣る yaru (1) sturen; laten gaan; doen [schoolgaan enz.]; (2) [m.b.t. een voertuig] voortbewegen; vooruit doen gaan; vooruit laten gaan; aan de gang brengen; rijden; (3) richten; [een fooi enz.] geven; [dieren] voeren; (4) ter arbitrage toevertrouwen; (5) [zijn ongenoegen;gemoed e.d.] luchten; [door drinken enz.] kwijtraken; (6) [水を] gieten; begieten; water geven; (7) laten ontsnappen; (8) bevorderen; vooruitbrengen; (9) [m.b.t. hand] uitsteken; uitstrekken; (10) een tsukeku 付句 of yariku やり句 toevoegen [idioom uit de wereld van renga 連歌 en haikai 俳諧]; (11) falen; verknoeien; om zeep helpen; (12) bedriegen; (13) kastijden; doodslaan; (14) uithuwelijken; aan de man brengen; (15) nuttigen; gebruiken; [er eentje] drinken; eten; roken; (16) leven; een bestaan leiden; (17) doen; verrichten; [huiswerk enz.] maken; [schaak enz.] spelen; [een cursus e.d.] volgen ; [~ als hoofdvak] studeren; [een tentoonstelling enz.] houden; [een stuk enz.] opvoeren; [een film enz.] vertonen; [een winkel enz.] drijven; [een beroep enz.] uitoefenen; [een toespraak enz.] afsteken; (18) het doen; gemeenschap hebben; vrijen; (19) [een handeling doen;verrichten]; (20) [geeft aan dat de handeling over een verre afstand geldt]; (21) [drukt de beëindiging van een handeling uit;vaak vergezeld van een negatie]; (22) [drukt uit dat de handeling voor anderen verricht wordt]