
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
yame・止め
zn. (1) [終り] einde v.; conclusie v. (2) [中止] ophouding v.; stoppen o. (3) [廢止] afschaffing v. (4) [斷念] onthouding v.; opgeving v. ¶ 止める doen ophouden; afschaffen; uitscheiden met; stoppen; opgeven; afzien van; een einde maken aan. ¶ 仕事を止める uitscheiden met werken. ¶ 學問を廢める de studie opgeven. ¶ 新聞を取るのを廢める voor een krant bedanken. ¶ 酒を廢める den drank afzweren; geheelonthouder worden.
zekkō・絕交
zn. verbreking van vriendschappelijke betrekkingen. ¶ 絕交する vriendschap opzeggen; met iemand breken.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <opzeggen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
去る saru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot;echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen;tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
取り消す torikesu [een contract] opzeggen; [een bekentenis;order] intrekken; [een eed;zijn woorden;bewering] herroepen; revoceren; [een opmerking] terugnemen; [op zijn verklaring enz.] terugkomen; [een belofte] inslikken; [een boeking] annuleren; afbestellen; [een belofte] terugtrekken; [een verloving] verbreken; afbreken; [jur.;m.b.t. vonnis] vernietigen; [jur.;m.b.t. wet] abrogeren; [comp.;de laatste bewerking enz.] ongedaan maken; [電話で] afbellen
唱える tonaeru (1) reciteren; declameren; opzeggen; herhalen; scanderen; roepen; schreeuwen; (2) bepleiten; verdedigen; voorstaan; (3) naar voren brengen; aanvoeren; te berde brengen; opperen
嘯く usobuku (1) gelaten zeggen; met het grootste gemak beweren dat; schaamteloos; arrogant stellen dat; (2) opscheppen; pochen; snoeven; bluffen; overdrijven; (3) zwaar uitblazen; [i.h.b.] fluiten; (4) declameren; voordragen; opzeggen; (5) [dierk.] huilen; janken
廃棄する haikisuru (1) wegdoen; weggooien; zich ontdoen van; afdanken; dumpen; wegwerpen; aan kant zetten; naar de schroothoop verwijzen; op de schroothoop gooien; aan de dijk zetten; (2) afschaffen; intrekken; opzeggen; herroepen; opheffen; abrogeren; tenietdoen; nietig verklaren; vernietigen; annuleren
断絶する danzetsusuru (1) uitsterven; ophouden te bestaan; geheel afsterven; (2) verbroken; opgezegd raken; (3) verbreken; ophouden met; opzeggen
暗唱 anshou recitatie; voordracht; declamatie; het (uit het geheugen; uit het hoofd; van buiten) opzeggen; voordragen
暗唱する anshousuru reciteren; declameren; voordragen; (uit het geheugen; uit het hoofd; van buiten) opzeggen
朗読する roudokusuru voorlezen; voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [gew.] uitgalmen
解約する kaiyakusuru annuleren; opzeggen; cancelen; beëindigen
解除する kaijosuru (1) annuleren; ontbinden; cancelen; afgelasten; afblazen; ongedaan maken; opzeggen; herroepen; intrekken; [m.b.t. contract] vernietigen; (2) opheffen; ontslaan van; ontheffen van; vrijstellen; vrijlaten; vrijgeven; releveren
読む;詠む yomu (1) voorlezen; oplezen; opzeggen; uitspreken; (2) verzen maken; dichten; [een gedicht] samenstellen; componeren; (3) lezen; (4) (één voor één) tellen; (5) de Japanse uitspraak van een karakter geven; (6) inschatten; duiden; doorgronden; peilen; doorzien; doorhebben
講じる koujiru (1) doceren; lesgeven; onderwijzen; [meton.] geven; (2) [詩歌を] voordragen; opzeggen; declameren; [meton.] brengen; (3) [手段を] nemen; treffen; ondernemen; (4) [和を] onderhandelen; bemiddelen
講ずる kouzuru (1) doceren; lesgeven; uitleggen; instrueren; onderrichten; (2) [手段;方法;対策を] uitdenken; bedenken; nemen; treffen; ondernemen; (3) [和を] vrede stichten; sluiten; (4) [詩歌を] voordragen; opzeggen; reciteren; declameren; [meton.] brengen
Tijd: 1.67 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 14 treffers (zoekopdracht: 'opzeggen').
2005-2026
