RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vertellen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
仰る;仰有る ossharu (1) zeggen; (2) vertellen; mededelen; (3) spreken; praten; (4) heten; noemen
伝える tsutaeru (1) (iem.) zeggen (dat hij …); melden; berichten; vertellen; bekendmaken; [een boodschap enz.] doorgeven; afgeven; overbrengen; meedelen; tot uitdrukking brengen; vertolken; (2) [kennis enz.] overdragen; aanleren; doorgeven; overleveren; nalaten; vermaken; [i.h.b.] inwijden; [i.h.b.] initiëren; (3) overzetten; overbrengen; [nat.] geleiden; transmitteren; doen voortplanten; (4) invoeren; introduceren; brengen naar
叙述する jojutsusuru beschrijven; afschilderen; voorstellen; schetsen; verhalen; vertellen; een relaas geven; verslag geven; doen; een beeld tonen
告げ知らせる tsugeshiraseru meedelen; [form.] mededelen; vertellen; inlichten; laten weten; kennisgeven; informeren; bekendmaken
喋る shaberu spreken; praten; babbelen; kletsen; keuvelen; snappen; snateren; kwebbelen; [fig.] kleppen; [inform.] lullen; [fig.] kakelen; [Barg.] poekelen; [Barg.] dibberen; [i.h.b.] (verder) vertellen; [i.h.b.] verklappen; [i.h.b.] er uitflappen; [i.h.b.] zich laten ontvallen
垂れる tareru (1) neerhangen; afhangen; omlaag hangen; [i.h.b.] doorhangen; (2) druipen; neerdruipen; druppelen; neerdruppelen; druppen; sijpelen; [gew.] zijpen; (3) laten bengelen; laten bungelen; laten slingeren; laten schommelen; [頭を] buigen; laten hangen; [釣り糸を] neerlaten; (4) afscheiden; lozen; [おしっこを] een plas doen; (5) uiten; vertellen; debiteren; uitkramen; (6) openbaren; kenbaar maken; [訓示を;範を] geven; [恩恵を] bewijzen
宣ふ notamafu (1) [hon. variant van 言う;告げる] zeggen; melden; vertellen; (2) mondeling doorgeven; overbrengen; mededelen
断る;判る kotowaru (1) weigeren; niet toelaten; niet vergunnen; niet inwilligen; (2) afslaan; afwijzen; verwerpen; niet accepteren; niet (willen) aannemen; van de hand wijzen; van tafel vegen; bedanken; weigeren; wegwuiven; wegwimpelen; [w.g.] declineren; (3) zijn verontschuldiging aanbieden; zijn excuses maken; zijn excuses aanbieden; excuus vragen; pardon vragen; zich schoon praten; (4) vooraf kennisgeven; informeren; inlichten; meedelen; mededelen; waarschuwen; verwittigen; vertellen; berichten; op de hoogte stellen; brengen; (5) toelating vragen; toestemming vragen; verlof vragen; (6) ontslaan; ontslag geven; de laan uitsturen; op straat zetten; aan de dijk zetten; (7) verbieden; door een verbod ontzeggen
物語る monogataru (1) vertellen; verhalen; berichten; debiteren; (2) tonen; getuigen van; [heel wat] zeggen over; verklaren; wijzen op; blijk geven van; bevestigen; staven; een teken zijn van; een bewijs zijn van; getuigenis afleggen van; verraden
知らせる shiraseru doen; laten weten; bekendmaken; boodschappen; waarschuwen; aankondigen; notificeren; notifiëren; inlichten; informeren; onderrichten (van); berichten; melden; aanmelden; mededelen; meedelen; vertellen; op de hoogte stellen (van); kenbaar maken; te kennen geven; [Belg.N.] verwittigen; in kennis stellen (van); ter kennis brengen (van); kennis geven (van); bericht geven; sturen; zenden; [lit.t.] kondschappen; [veroud.;lit.t.] konden; [arch.] kond doen; maken; aangifte doen (van); aangeven; verwittigen (over); rapporteren; aanzeggen; aanzegging; aanzeg doen
聞ける kikeru (1) laten horen; laten weten; vertellen; opvoeren (voor); ten gehore brengen; (2) doen luisteren; (3) kunnen luisteren; kunnen horen; kunnen beluisteren; kunnen luisteren naar; (4) kunnen luisteren naar iemand; kunnen gehoorzamen; (5) kunnen vragen
言う;云う;謂う iu (1) zeggen; (2) vertellen; mededelen; (3) spreken; praten; (4) heten
話す hanasu (1) spreken; praten; vertellen; zeggen; verhalen; relateren; snakken; snappen; [oneig.] melden; [Barg.] dibberen; (2) bepraten; zich onderhouden (met); spreken (met); een gesprek voeren; converseren; [Barg.] bedibberen; (3) [een taal] spreken
語る kataru (1) praten; vertellen; verhalen; (2) reciteren; zingen
語 go (1) woord; (2) term; terminologie; (3) spraak; uiting; uitlating; (4) taal; (5) taal van de …; -se taal [volgt op de naam van een land;volk;etc.]; (6) [maatwoord voor woorden]; (a) spreken; vertellen; zeggen; (b) woord; verwoording; (c) uitspraak; gezegde; (d) vertelling; verhaal; monogatari; (e) Lúnyǔ
説話する setsuwasuru verhalen; vertellen
諧謔を弄する kaigyakuworousuru een grap uithalen; gekheid maken; grappen maken; vertellen; verkopen; moppentappen; dollen; schertsen; gekscheren; grollen; geinen; geintjes tappen; [Belg.N.] zwanzen; [arch.] kortswijlen
述べる;宣べる;陳べる noberu verklaren; vermelden; noemen; zeggen; uiten; geven; uiteenzetten; stellen; [z'n gedachten enz.] uitdrukken; [z'n medeleven enz.] betuigen; onder woorden brengen; aangeven; verslag uitbrengen; melden; uitspreken; [de waarheid enz.] spreken; vertellen; [omstandig;in het kort enz.] verhalen; gewagen