RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <stoppen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
ストップする sutoppusuru (1) stoppen; tot een eind komen; ophouden; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden; blijven stilstaan; halt houden; stilvallen; zich inhouden; (2) stopzetten; beëindigen; een eind maken aan; ophouden met; tot stilstand brengen; tot staan brengen; stilleggen; laten stilstaan; staken
トラップする torappusuru [voetb.] opvangen; stoppen
休む;息む yasumu (1) uitrusten; rusten; pauzeren; pauze houden; uitblazen; uitpuffen; op adem komen; rust houden; pozen; verpozen; er [een uurtje] uit breken; (2) slapen; gaan slapen; naar bed gaan; zich ter ruste begeven; zich te bed begeven; zich te bed leggen; zich ter ruste leggen; onder de wol kruipen; zijn bed opzoeken; het bed in rollen; erin duiken; erin gaan; [veroud.;bijbelt.] zich bedden; (3) wegblijven van; niet aanwezig zijn; niet verschijnen; niet bijwonen; afwezig zijn; absent zijn; niet opdagen; [m.b.t. een les] laten vallen; [m.b.t. een college] missen; [m.b.t. een les] overslaan; ontbreken [op de vergadering]; thuis blijven; vrijaf nemen; vrij nemen; een vrije dag opnemen; er even tussenuit gaan; [gezegd van winkel] gesloten zijn; [学校を] de school verzuimen; van school wegblijven; niet naar school gaan; zijn kat sturen; spijbelen; flansen; [Belg.N.] brossen; (4) [werk] onderbreken; [zijn werk] afbreken; neerleggen; ophouden [met werken]; stoppen; uitscheiden met; (af)nokken met; beëindigen; kappen; [zijn activiteiten tijdelijk] staken; tijdelijk een eind maken aan; (5) tot stilstand komen; ophouden; stilstaan [b.v. machines]; braak liggen; buiten bedrijf zijn; (6) herstellen [van een ziekte]; genezen; er weer bovenop komen; herstellen; weer bijkomen; de oude worden; weer gezond worden; aansterken
休止する kyuushisuru (1) doen stoppen; tot stilstand brengen; doen stilstaan; halt doen houden; onderbreken; stopzetten; ophouden met; staken; schorsen; opschorten; (2) stoppen; rusten; pauzeren; stilstaan; stilhouden; tot stilstand komen
停止する teishisuru (1) stoppen; stopzetten; een einde maken aan; opschorten; (tijdelijk) verbieden; [営業;支払いを] staken; onderbreken; buiten werking stellen; schorsen; suspenderen; [i.h.b.] onder embargo leggen; (2) stoppen; tot stilstand komen; een stop maken; halt houden; maken; [えんじんが] afslaan
停留する teiryuusuru stoppen; halt houden; stilstaan; [gew.] arrêteren
停車する teishasuru (1) [m.b.t. wagen;spoorwagen] tot stilstand brengen; (doen) stoppen; halt doen houden; (2) [m.b.t. wagen;spoorwagen] stoppen; tot stilstand komen; een stop maken; halt houden; maken; aandoen; (3) [m.b.t. verkeersreglement] stilstaan
入れ込む irekomu (1) iets proppen; stoppen; duwen; steken in; erin proppen; stoppen; duwen; steken; (2) [資金を~] investeren; ergens geld in steken; (3) warm lopen voor; opgaan in; zich storten op; zich passioneren voor; (4) enthousiast; opgewonden; geestdriftig zijn; [馬が~] staan te trappelen van ongeduld
切る kiru (1) knippen; afsnijden; afknippen; [先端を] afknotten; [あきれす腱を] scheuren; (2) fijnhakken; in stukjes snijden; (3) omhakken; (4) (een relatie) afbreken; (5) bekritiseren; (6) pauseren; stoppen; afbreken; (7) kaarten mengen; (8) de weg oversteken; (9) (het licht) uitdraaien; (de tv) uitzetten; (10) (een kraan) dichtdraaien; (11) (aan een stuur) draaien; (12) (de telefoon) ophangen
受け止める uketomeru (1) [ぼーるを] vangen; opvangen; onderscheppen; (2) [攻撃を] stuiten; tegenhouden; stoppen; afwenden; afweren; afslaan; weren; pareren; (3) [問題を] aanpakken; tegemoet treden; behandelen; reageren op; (4) [批判を] opnemen; opvatten; oppikken; beschouwen
句切る;区切る kugiru (1) verdelen; indelen; (2) interpuncteren; leestekens plaatsen; in zinnen verdelen; (3) afscheiden; afzonderen; (4) stoppen
埋める umeru (1) [土中に] begraven; ter aarde bestellen; bedelven; bestelpen; (2) [隙間を] opvullen; volstoppen; dichtstoppen; stoppen; dichtmaken; dempen; dichtgooien; vullen; aanvullen; [余白を] invullen; [歯を] plomberen; (3) [損失を] vergoeden; weer goed maken; compenseren; aanzuiveren; (4) [湯を水で] lauwen
塞ぐ fusagu (1) afsluiten; dichten; dichtmaken; afdichten; afstoppen; dichtgooien; toegooien; stoppen; vullen; dempen; plempen; dichtstoppen; verstoppen; toestoppen; toedammen; opvullen; opstoppen; opproppen; stremmen; versperren; [veroud.] sperren; blokkeren; belemmeren; obstrueren; (2) de handen voor [z'n ogen;oren;mond enz.] houden; met z'n handen afdekken; bedekken; (3) [de deur e.d.] sluiten; dichtdoen; toedoen; toesluiten; (4) [plicht e.d.] vervullen; doen; voldoen; volbrengen; betrachten; (5) [tijd;plaats e.d.] in beslag nemen; innemen; beslaan; bezetten; (6) versomberen; in de put raken; zich depri gaan voelen; depressief worden; ontmoedigd raken; mismoedig worden; terneergedrukt raken; gedeprimeerd raken; down raken
売り付ける uritsukeru aansmeren; aanlappen; aanplakken; [Belg.N.] opsolferen; tot aankopen dwingen; in de hand duwen; stoppen; in de maag splitsen; opschepen met; slijten aan
押し止める oshitodomeru tegenhouden; stoppen; staande houden; weerhouden; beletten
押し込む oshikomu (1) zich; elkaar verdringen; drommen; dringen; samendrommen; [Belg.N.] drummen; op een kluitje gaan staan; dicht op elkaar gaan staan; elkaar verduwen; (2) proppen; duwen; wurmen; stoppen; stouwen; vol duwen; volstoppen; volproppen; opvullen; opproppen; (in een kleine ruimte) persen; (3) opsluiten; wegstoppen; insluiten; kooien; gevangenzetten; [i.h.b.] consigneren
格 kaku (1) rang; klasse; stand; (2) regel; norm; voorschrift; (3) [taalk.] naamval; casus; (4) [log.] figuur; (a) essentie; wezen; (b) klasse; stijl; (c) stramien; norm; kader; standaard; regel; (d) doorgronden; (e) stoppen; fixeren; (f) aanpakken; slaan; (g) [spraakk.] naamval; casus
止まる;停まる tomaru (1) stoppen; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden; blijven stilstaan; halt houden; stilvallen; zich inhouden; ophouden; tot een eind komen; (2) uitvallen; verbroken worden; [m.b.t. motor] afslaan; [m.b.t. motor] stokken; het begeven; het laten afweten; ophouden; (3) [m.b.t. vogels] roesten; pleisteren; zich ophouden; aanleggen; neerstrijken; neerkomen; landen; gaan zitten
止む;已む;罷む yamu ophouden; tot een eind komen; stoppen; ten einde lopen; aflopen; er komt een einde aan ~; het loopt af met ~; [m.b.t. vuur] uitgaan; [m.b.t. wind] luwen; gaan liggen; [m.b.t. klanken] wegsterven; wegvallen; [m.b.t. pijn] overgaan; weggaan; over zijn; een einde vinden
止める todomeru (1) stoppen; tot staan brengen; tegenhouden; onderscheppen; intercepteren; ophouden; beletten verder te gaan; [原級に] doen zittenblijven; (2) laten blijven; laten logeren; verblijf doen houden; (3) achterlaten; nalaten; [記録に] optekenen; vastleggen; registreren; vasthouden; onthouden; bewaren; prenten; (4) handhaven; houden; in stand houden; [原形を] behouden; (5) […に~] beperken; limiteren; binnen de perken houden; in bedwang houden; (6) [心を] concentreren; fixeren; (7) het erbij laten; afbreken; een voortijdig einde maken aan; discontinueren; (8) de genadeslag geven
止める;停める tomeru (1) stoppen; stopzetten; stilleggen; stilhouden; laten stilstaan; stillen; stuiten; tot stilstand brengen; stilzetten; tot staan brengen; parkeren; stallen; [aan de kant enz.] zetten; neerzetten; arrêteren; [de dief enz.] houden; een halt toeroepen; een punt zetten achter ~; een einde maken aan [een ruzie enz.]; ophouden; stremmen; [de aanvoer enz.] staken; afbreken; afsnijden; [een paard enz.] tegenhouden; vasthouden; aanhouden; inhouden; keren; [fig.] afdammen; [m.b.t. geluid;pijn] weren; ophouden; stelpen; (2) [het licht enz.] uitdoen; uitschakelen; [m.b.t. gas;water;radio] uitdraaien; dichtdraaien; afsluiten; uitzetten; afzetten; [de stroom] afbreken; afsnijden; (3) [m.b.t. inflatie enz.] bedwingen; beheersen; afremmen; beteugelen; breidelen; in toom houden; in bedwang houden; intomen; [de groei enz.] belemmeren; (4) beletten; verhinderen; verbieden; voorkomen; ontzeggen; verhoeden
止 shi (a) halt houden; roerloos blijven; (b) activiteit staken; stoppen; ophouden; (c) gedrag; houding
無敵の mutekino ongeëvenaard; niet te evenaren; weergaloos; onvergelijkelijk; … zonder weerga; onoverwinnelijk; niet te verslaan; stuiten; stoppen
着ける tsukeru (1) aanleggen; [scheepv.] (af)meren; (aan de wal) vastleggen; vastmaken; stilhouden; stoppen; parkeren; [aan de kant enz.] zetten; [i.h.b.] voorrijden (tot aan ~); (2) doen raken; ertegenaan brengen; in aanraking brengen met; [de eerste hand enz.] leggen aan; (3) [iem. in een bep. positie] brengen; plaatsen; zetten; doen zitten; doen plaatsnemen; zitting doen nemen in; (4) aantrekken; aandoen; zich [in het zwart enz.] steken; zich kleden; [een lint in het haar enz.] steken; [een broche enz.] opsteken; [m.b.t. masker] opzetten; aanbrengen; (5) zich eigen maken; zich verwerven; aanleren
立ち止まる;立ち留まる tachidomaru blijven stilstaan; blijven staan; halt houden; stoppen; tot stilstand komen; tot staan komen; stilhouden
終える oeru (1) eindigen; aflopen; ophouden; stoppen; (2) beëindigen; ten einde brengen; eindigen; afmaken; afdoen; afwerken; voltooien; voleinden; completeren; een einde maken aan; volbrengen
絶える taeru (1) ophouden; tot een eind komen; een einde nemen; stoppen; eindigen; aflaten; [i.h.b.] uitgeput raken; opraken; (2) ophouden te bestaan; z'n bestaan eindigen; uitsterven
繕う tsukurou (1) herstellen; repareren; maken; verstellen; oplappen; lappen; stoppen; opkalefateren; (2) in orde brengen; rechttrekken; fatsoeneren; (3) verbloemen; verdoezelen; [体裁を;手前を] redden
詰める tsumeru (1) [op zijn post] blijven; zich paraat houden; op wacht staan; posten; (2) vullen (met); [koffers enz.] pakken; opvullen (met); stoppen; volstoppen; dichtstoppen; proppen; toeproppen; stouwen; [tandh.] plomberen; (3) (nauwer) doen aansluiten; dicht(er) opeen doen staan; zitten; dichter bij elkaar plaatsen; doen aanschikken; doen opeenpakken; aanhalen; (4) inkorten; verkorten; korter maken; bekorten; korten (met); afkorten; [m.b.t. kledingstuk] inleggen; [m.b.t. voorsprong;afstand] verkleinen; verminderen; [op de uitgaven enz.] besnoeien; bezuinigen; [de uitgaven enz.] beperken; inperken; [m.b.t. adem] inhouden; [m.b.t. vinger] knotten; (5) een eind maken aan [een discussie enz.]; beëindigen; afwikkelen; afronden; z'n beslag geven; ten einde brengen; de laatste hand leggen aan; (6) (onverdroten; onafgebroken; ononderbroken; continu; doorlopend; non-stop; de hele tijd; aanhoudend; constant) blijven ~; (geconcentreerd; ingespannen; intensief; intens) bezig zijn met ~; (7) schaak geven; schaak zetten; (schaak)mat zetten; (schaak)mat geven
足を止める;足を留める ashiwotomeru (1) halt houden; halt maken; stilstaan; stoppen; blijven staan; [gew.] arrêteren; (2) pauzeren; pauze; rust houden
踏み止まる fumitodomaru (1) blijven staan; stoppen; geen voet verzetten; zich niet verroeren; op z'n plaats blijven; stelling nemen; (2) standhouden; volhouden; zich handhaven; zich staande houden; het uithouden; zich inhouden; (3) toch maar blijven; achterblijven; [地位に] aanblijven
途絶える;跡絶える todaeru ophouden; tot een eind komen; stoppen; tot stilstand komen; stilvallen
阻止する;沮止する soshisuru stoppen; tegenhouden; blokkeren; verhinderen; weerhouden; in de weg staan; beletten; stuiten
静止する seishisuru stilvallen; tot stilstand komen; stoppen; ophouden; stokken; vastlopen; stagneren