
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
kō-suru・航する
i.w. varen.
zenmai・薇
zn. eetbare varen v.
yōshirui・羊齒類
(羊歯類) zn. varens v.mv.
warabi・蕨
zn. varen o.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <varen>
上る noboru (1) opgaan; omhooggaan; stijgen; klimmen; opstijgen; [i.h.b.] stroomopwaarts gaan; [i.h.b.] opvaren; [ten hemel enz.] varen; [de troon] bestijgen; [de troon] beklimmen; opklimmen (tot); omhoogkomen [in de maatschappij]; [de trap enz.] oplopen; [de ladder enz.] opgaan; opstappen; (2) richting centrum gaan; [i.h.b.] naar de hoofdstad trekken; [i.h.b.] naar Tokio opkomen; (3) belopen; bedragen; oplopen (tot); bereiken; (4) [ter sprake;ter tafel;aan de orde enz.] komen
乗る noru (1) stappen op; klimmen op; bestijgen; betreden; (2) instappen; instijgen; [de bus;tram enz.] nemen; [i.h.b.] aan boord gaan; [i.h.b.] embarkeren; [een paard enz.] berijden; [i.h.b.] rijden; [op de wind enz.] varen; drijven op; gedragen worden door; [van een stem enz.] dragen; (3) harmoniëren (met); overeenstemmen (met); (4) ergens op ingaan; aangaan; ergens in trappen; vallen voor; bezwijken voor; [fig.] aanbijten; (5) goed blijven zitten; pakken; houden; hechten
手放す tebanasu (1) uit z'n handen laten gaan; loslaten; laten schieten; varen; (2) uit handen geven; afstand doen van; zich ontdoen van; afstaan; overlaten; van de hand doen; [i.h.b.] verkopen; (3) laten gaan; afscheid nemen van; wegsturen; [娘を] schenken; (4) [仕事を] onderbreken; tijdelijk in de steek laten
昇天する shōtensuru (1) ten hemel stijgen; rijzen; varen; klimmen; opstijgen; opvaren; (2) naar de hemel gaan; sterven; hemelen
羊歯;歯朶 shida [plantk.] varen
航海する kōkaisuru varen; per schip reizen; bevaren
航行する kōkōsuru varen; per schip reizen
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
走る hashiru (1) rennen; lopen; hollen; snellen; vliegen; stormen; stuiven; [arch.;door het gebeente;de leden enz.] varen; [w.g.;lit.t.] reilen; [Barg.] dinkelen; (2) zich snel voortbewegen; rijden [bv. van voertuigen]; karren; lopen [bv. van vaartuigen]; [Barg.] poken; (3) weglopen; wegrennen; wegvluchten; vluchten; op de loop gaan; op de vlucht gaan; het hazenpad kiezen; (4) overlopen; overgaan; deserteren; (5) [geëmotioneerd enz.] raken; worden; [tot uitersten enz.] vervallen; gaan doen aan; zich overgeven aan; [het dievenpad enz.] opgaan; (6) vlotten; lopen; (7) lopen; zich uitstrekken; gelegen zijn; (8) schieten [bv. pijn]; flitsen
運航する unkōsuru (1) [scheepv.] varen; reizen; een route afleggen; [AとBの間を] pendelen tussen; (2) [luchtv.] vliegen
運行する unkōsuru (1) [惑星;衛星;彗星が] bewegen; lopen om; wentelen om; draaien om; cirkelen om; (2) [電車;バスが] rijden; [船が] varen; [飛行機が] vliegen
難航する nankōsuru (1) moeizaam reizen; varen; vliegen; (2) [fig.] een moeizaam verloop kennen; het moeilijk hebben; moeizaam vooruitgaan; niet opschieten; niet van een leien dakje gaan
Tijd: 1.2 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 12 treffers (zoekopdracht: 'varen').
2005-2026
