日蘭辭典+

61 resultaten voor ‘krijgen’
日蘭辭典 (trefwoord)
eru得る
t.w. (1) [獲得] krijgen; verkrijgen; i.w. slagen. (2) [可能] i.w. kunnen; in staat zijn. ¶ 得らるべき verkrijgbaar. ¶ の信用を得る iemand’s vertrouwen winnen. ¶ 利益を得る voordeel hebben van. ¶ 日沒辛うじてことを得たり wij slaagden erin nog juist voor donker de plaats te bereiken.
ukeru受ける
t.w. (1) [受納] ontvangen; nemen. (2) [受止める] pakken; tegenhouden. (3) [檢査] ondergaan; ervaren. (4) [蒙る] krijgen; lijden. (5) [許可等] krijgen; verkrijgen. ¶ 命を受ける bevel krijgen. ¶ 檢査を受ける onderzocht worden. ¶ 受ける gestraft worden. ¶ 俸給を受ける tractement ontvangen. ¶ 治療を受けてゐる onder geneeskundige behandeling.
morau貰ふ
t.w. (1) [受ける] ontvangen; krijgen. (2) [......して貰ふ] gedaan krijgen; i.w. behandeld worden. ¶ 妻を貰ふ een vrouw krijgen; trouwen. ¶ 養子を貰ふ een kind adopteeren. ¶ 病氣貰ふ ziek worden. ¶ 靴を修繕して貰ふ schoenen laten repareeren. ¶ 選擧して貰ふ gekozen worden. ¶ 醫者に見て貰ふ dokter consulteeren.
ashiba足場
zn. stellage o.; steiger m.; steunpunt voor den voet. ¶ 足場を得る vasten voet krijgen.
kodomo子供
zn. kind o.; jongen (男) m.; meisje (女) o. ¶ 子供の時 kinderjaren; kindsheid; prille jeugd. ¶ 子供らしい kinderachtig. ¶ 子供の如き kinderlijk. ¶ 子供を産む een kind krijgen; bevallen. ¶ 子供なき kinderloos. ¶ 子供だまし iets om kinderen zoet te houden; kinderachtig troostmiddel. ¶ 子供好き liefde voor kinderen.
koe
() zn. (1) [人の] stem v. (2) [物音] geluid o. (3) [叫] kreet m. ¶ 聲を立てる de stem verheffen. ¶ をかける toeroepen. ¶ 變わりがする den baard in de keel krijgen. ¶ を出して讀む hardop lezen.
itadaku戴く
t.w. (1) [冠る] opzetten; dragen; op het hoofd hebben; i.w. bedekt zijn met. t.w. (2) [貰ふ] ontvangen; aanvaarden; krijgen. (3) [食ふ又は飮む] eten; drinken; gebruiken. i.w. [治者を] geregeerd worden door; t.w. boven zich hebben. ¶ 帽を戴く een hoed dragen. ¶ 水を一杯戴きます mag ik een glas water hebben? ¶ 戸を閉めて戴きませう zou u de deur dicht willen doen?
doreどれ
vnw. welk? ¶ どれか een of ander. ¶ どれでも alle; welke het ook zijn. ¶ どれもこれも alle; welke dan ook. ¶ どれ程 hoezeer? hoeveel? ¶ どれが要るのか welke wil je hebben? ¶ どれでも好い het komt er niet op aan. ¶ 此の内どれか頂戴出來ませうか kan ik er hiervan één krijgen?
kōmuru蒙る
t.w. (1) [受ける] krijgen; ontvangen. (2) [損害等を] lijden; ondergaan. (3) [被る] dragen. ¶ を蒙る gunsten ontvangen. ¶ を蒙る beschuldigd worden. ¶ 損害を蒙る verlies leiden. ¶ を蒙る straf ondergaan.
hazu
(はず) zn. noodzakelijkheid v.; wenschelijkheid v.; verplichting v. ¶ 行く筈だ ik dien wel te gaan; ik behoor te gaan. ¶ 知らぬ筈はない hij behoort het te weten. ¶ が晚餐に來る筈だ ik krijg mijn moeder te eten; mijn moeder komt vanavond eten. ¶ ひとりでにこはれる筈はない het kan niet vanzelf gebroken zijn.
shikaru叱る
i.w. standje geven; t.w. berispen. ¶ 叱れる standje krijgen; berispt worden.
dasu出す

t.w. (1) [突出] uitstrekken; uitsteken. (2) [取出] uithalen; voor den dag halen. (3) [を] aanwenden; inspannen. (4) [發送] verzenden; sturen. (5) [發行] uitgeven. (6) [食事を] opdienen; serveeren. (7) [解雇] ontslaan. (8) [差出] inzenden. (9) [拂ふ] betalen. (10) [開業] beginnen. (11) [產出] voortbrengen. (12) [口に] zeggen. (13) [供給] aanschaffen. ¶ 出す bladeren krijgen. ¶ 質物を出す pand terughalen. ¶ 狂言をだす comedie opvoeren. ¶ 寄附出す bijdrage schenken. ¶ 國旗を出す nationale vlag uitsteken. ¶ 切符をを出しなさい verzoeke uw kaartjes te vertoonen. ¶ 降り出す beginnen te regenen. ¶ 泣き出す beginnen te huilen.

kotsu

zn. (1) [骨] been o.; beenderen o.mv.; bot o. (2) [遺骨] gebeente o.; stoffelijk overschot o. (3) [呼吸] slag m. ¶ 骨にこたへる vermoeien. ¶ 骨を咬える den slag beet krijgen.

koyō紅葉

zn. roode blaren o.mv.; herfsttinten v.mv. ¶ 紅葉する roode blaren krijgen; herfstkleuren vertoonen.

kumiifuseru組伏せる

t.w. onder de knie krijgen.

kuse

zn. (1) [習慣] gewoonte v. (2) [特性] eigenaardigheid v.; karaktertrek m. ¶ 癖を直す slechte gewoonte afwennen. ¶ 癖がつく zich aanwennen; de gewoonte krijgen. ¶ 癖がある gewoon zijn; gewend zijn; de gewoonte hebben. ¶ 癖直しをする zijn haar recht strijken. ¶ 癖髮 weerbarstig haar.

kyō

zn. vermaak o.; pleizier o.; genoegen o.; vroolijkheid v.; belangstelling (興味) v. ¶ 興を醒す het pleizier bederven. ¶ 興に入る pleizier krijgen; schik hebben; zich amuseeren. ¶ 仕事に興が乗る pleizier hebben in zijn werk; belangstellen in zijn werk. ¶ 興を催す aangenaam bezighouden; vermaken; amuseeren.

zokuritsusuru栗立する

i.w. kippelvel krijgen.

zeppan ni naru絶版になる

i.w. niet meer te krijgen zijn; de geheele druk is uitverkocht.

yushi諭旨

zn. officieele waarschuwing v.; advies om ontslag te nemen; (俗) boterbriefje o. ¶ 諭旨退學される aanzegging krijgen om van school af te gaan.

undō運動

zn. (1) [運轉] beweging v. (2) [身體の] lichaamsoefening v.; sport v. (3) [散步] wandeling v. ¶ 運動に出掛ける een beetje beweging gaan nemen; een eindje omstappen. ¶ 運動する in beweging zijn; beweging nemen; zich bewegen; bewegen; (奔走) zich moeite geven voor. ¶ 投票を得る爲區內を運動する een district bewerken om stemmen te krijgen. ¶ 運動服 sportcostuum; trui. ¶ 運動場 sportterrein. ¶ 運動家 athleet. ¶ 運動會 sportvereeniging (協會); gymnastiek-uitvoering (學校等の). ¶ 運動量 vaart; snelheid; beweegkracht. ¶ 運動性 bewegelijkheid. ¶ 運動者 agitator; verkiezingsagent (選擧の); propagandist. ¶ 運動神經 bewegingszenuw.

umu倦む

i.w. moede worden; er genoeg van krijgen; beu zijn. ¶ 倦まずる onvermoeid; met onverflauwden ijver.

uketamawaru承る

t.w. (1) [聽く] vernemen; hooren; i.w. luisteren naar. t.w. (2) [命令を] krijgen; ontvangen. ¶ 貴方の御名前を承りたう御座います ik zou gaarne uw naam willen vernemen.

ukaberu浮べる

t.w. (1) [水に] laten drijven; laten varen. (2) [涙を] in de oogen krijgen. i.w. (3) [思浮べる] zich herinneren. ¶ 船を浮べる gaan roeien.

uchigari內借

(内借) zn. voorschot o. ¶ 内借する voorschot krijgen; vooruit ontvangen.

tsute

(伝) zn. voorspraak v.; protectie v.; tusschenpersoon m.; (俗) kruiwagen v. ¶ 傳を求めて地位を得る een baantje krijgen door behulp van kruiwagens.

tsuridasu釣出す

t.w. naar buiten lokken. ¶ 言葉を釣出す aan ’t praten krijgen; uitvisschen.

tsukikakaru突掛る

(突き掛かる) i.w. in botsing komen met; twist krijgen met.

SUPPLEMENT (trefwoord)
itadakimasuいただきます
(戴きます、頂きます) (uitdr.) (beleefd en nederig) ontvangen. (1) uitdrukking aan het begin van een maaltijd (in gebruik vaak equivalent aan ‘smakelijk eten’) (2) uitdrukking bij het nuttigen van een consumptie of het ontvangen van een kado, meest in een situatie van ongelijke hiërarchische verhoudingen. N.B. Als vaste uitdrukking staat deze vorm enigszins apart van het gebruik van itadaku als beleefd en nederig hulpwerkwoord.
SUPPLEMENT (trefwoord)
een

(bepaald hoofdtelwoord, ter onderscheid ook geschreven als één)

[alleen of bijwoordelijk gebruikt] ichi [, 1, ]; hitotsu [一つ, 1つ, 1つ]
¶ Ik schoof een stuk op het bord één plaats naar voren. Boku wa boodo no ue no koma wo hitotsu mae ni susumeta. 僕はボードの上の駒を一つ前に進めた。 (TTC)

[verbonden met een ander woord, attributief] ichi no [の, 1の, の]; hitotsu no [一つの, 1つの, 1つの] ¶ Het warenhuis was leeg op één meubel na. Sooko ni wa kagu ga hitotsu no hoka ni wa nani mo nakatta. 倉庫には家具一つの他には何もなかった。 ¶ Hij heeft maar één doel in zijn leven, en dat is geld verdienen. Kare wa jinsei ni tatta hitotsu no mokuhyoo shika motte inai. Sore wa kanemooke de aru. 彼は人生たった一つの目標しかもっていない。それは金もうけである。 (TTC)

[met een maatwoord; er zijn meer dan honderd maatwoorden, maar het wago (inheems Japans) hitotsu (no) is bruikbaar als alternatief, behalve bij mensen (één persoon is altijd hitori)] ¶ Eén brood alstublieft. Pan ippon kudasai. パン一本下さい。 ¶ Ik zou nog een laken willen. Moofu wo moo ichimai hoshii no desu. 毛布をもう枚ほしいのですが。 ¶ Dit boek kun je in maar één winkel krijgen. Kono hon wa tada ikken no mise de dake nyuushu dekiru. このただ軒のだけ入手できる。 ¶ Ik kan ook geen $40 betalen voor één boek. Issatsu no hon ni yonjuu doru mo shiharaenai. 冊のに40ドルも支払えない。 ¶ Echter, ik was niet alleen, het leek dat er nog één andere persoon - dat wil zeggen nog één ander lid van de soort ‘zeldzame gast’ aanwezig was. Shikashi boku dake de wa naku, moo hitori - iya moo ippiki no chanchaku ga itarashii. しかし僕だけではなく、もうひとり―いや、もう匹の珍客がいたらしい。 (TTC)

(onbepaald lidwoord)

[het Japans heeft geen onbepaald lidwoord; “een” kan onvertaald blijven ... ] ¶ Ze plukte een appel voor me. Kanojo wa watashi ni ringo wo moide kureta. 彼女は私にリンゴをもいでくれた。 ¶ Breng een stoel uit de kamer hiernaast aljeblieft. Tonari no heya kara isu wo motte kite kudasai. 部屋から椅子を持って来て下さい。 (TTC)

[ ... of vertaald worden met equivalenten van het telwoord één] ¶ Ik heb hem een boek gegeven. Watashi wa kare ni hon wo issatsu yatta. 私は彼に冊やった。 ¶ Ze zong een lied terwijl ze naar me glimlachte. Kanojo wa boku ni hooemi kakenagara ikkyoku utta. 彼女は僕に微笑みかけながら曲歌った。 ¶ Pak een stoel uit de kamer hiernaast alsjeblieft. Tonari no heya kara isu wo hitotsu totte kite kudasai. 部屋からいすを1つ取ってきてください。 (TCC)

[in de betekenis van “een bepaald(e)”] aru [ある, 或る, ] ¶ Ze lijkt op een populaire zangeres. Kanojo wa aru ninki kashu ni nite iru. 彼女はある人気歌手に似ている。 (TTC) 

[Dit lemma gebruikt oo-spelling.]

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <krijgen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
えんこする enkosuru (1) [kindert.] gaan zitten; neerhurken; zich neerzetten; (2) defect raken; een defect hebben; tot stilstand komen; blijven steken; panne hebben; krijgen; met panne komen te staan
オルガスムに達する orugasumunitassuru een orgasme bereiken; krijgen; hebben; klaarkomen; [inform.] aan z'n gerief komen; [inform.] van de kruk afgaan
入る;這入る hairu (1) binnengaan; naar binnen gaan; erin gaan; intrekken; ingaan; binnenkomen; inkomen; instappen; intreden; inlopen; inslaan; binnentreden; binnendringen; binnentrekken; [van trein;schip enz.] binnenlopen; aankomen; arriveren; (2) gaan in [het klooster enz.]; komen in; treden in; stappen in; gaan naar [de universiteit enz.]; in dienst treden bij; aan de slag gaan bij; zich begeven in; zijn intrede doen in; lid worden van; zich aansluiten bij; deelnemen aan; meedoen aan; (3) overgaan [in een toestand e.d.]; geraken in; raken in; krijgen; (4) bevatten; erin zitten; erin steken; inbegrepen zijn; vallen onder; komen onder; (5) er aan te pas komen; er bij te pas komen; (6) [van elektriciteitsnet e.d.] aangesloten zijn (op); geïnstalleerd zijn; (7) [van thee;koffie] gezet zijn; klaar zijn
出る deru (1) naar buiten gaan; naar buiten komen; zich vertonen; uitbreken; uitgaan; uitkomen; verlaten; vandaan gaan (bij); vertrekken; [m.b.t. boot] afvaren; [i.h.b.] afstuderen (aan); [i.h.b.] aftrek vinden; weggaan; (2) verschijnen; opkomen; voor de dag komen; opduiken; te voorschijn komen; zich voordoen; rijzen; voorkomen; [aan de telefoon enz.] komen; [m.b.t. zon] opgaan; rijzen; doorkomen; [m.b.t. bloemknoppen enz.] uitkomen; uitlopen; [i.h.b.] ontdekt worden; [m.b.t. geesten;spoken] waren; (3) uitsteken; naar buiten steken; opsteken; uitspringen; oprijzen; (4) bijwonen; aanwezig zijn bij; gaan naar; deelnemen aan; meedoen aan; [voor het gerecht enz.] verschijnen; in [zaken;het bedrijfsleven;de politiek enz.] gaan; (5) [m.b.t. wegen] leiden naar; voeren naar; uitkomen op; tegenkomen; bereiken; aantreffen; vinden; stuiten op; (6) te buiten gaan; overschrijden; gaan over; passeren; (7) ontspruiten (aan); komen uit; voortkomen (uit); voortspringen uit; ontstaan uit; beginnen; ontspringen; ontsnappen; [fig.] opwellen; [lit.t.] ontwellen; zijn oorsprong ontlenen aan; zijn oorsprong vinden in; teruggaan op; afstammen van; afkomen van; stammen uit; voortspruiten uit; (8) verschijnen; uitkomen; uitgegeven worden; gepubliceerd worden; [i.h.b. de pers enz.] halen; (9) krijgen; verkrijgen; [arch.] bekomen; [m.b.t. gerecht] opgediend worden; geserveerd worden; [m.b.t. bedrag;premie] uitgekeerd worden; (10) toenemen; rijzen; [m.b.t. wind] opsteken; aanwakkeren; [m.b.t. snelheid] optrekken; (11) zich … gedragen; een … houding nemen; (12) [m.b.t. thee] trekken
博す hakusu krijgen; verkrijgen; verdienen; verwerven; winnen; behalen; oogsten
博する hakusuru krijgen; verkrijgen; verdienen; verwerven; winnen; behalen; oogsten
収める osameru (1) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (2) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (3) opdragen aan; toewijden aan; [神社へ] offeren aan; aanbieden; consacreren; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; schikken; slechten; beslechten; afhandelen; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [鳥が羽を] z'n vleugels vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
取る toru (1) nemen; vatten; pakken; grijpen; hanteren; (2) krijgen; ontvangen; winnen; halen; aannemen; aanvaarden; (3) kiezen; uitkiezen; pikken; (4) vragen; aanrekenen; innen; (5) begrijpen; interpreteren; opvatten; (6) wegnemen; verwijderen; weghalen; (7) vangen; oogsten; binnenhalen; (8) afnemen; afpakken; stelen; pikken; (9) vergen; vereisen; (10) boeken; reserveren; vastleggen; (11) innemen; bezetten
ju (1) [boeddh.] vedanā [= waarneming]; (a) ontvangen; krijgen; (b) gehoor geven; toegeven; (c) ondergaan; incasseren
受ける ukeru (1) ontvangen; krijgen; verkrijgen; verwerven; (2) aanvaarden; aannemen; accepteren; nemen; (3) pakken; tegenhouden; [een bal] vangen; [een slag] pareren; afwenden; (4) [de telefoon] opnemen; beantwoorden; gehoor geven bij het telefoneren; (5) ondergaan; meemaken; ervaren; [誘惑を] op de proef gesteld worden; [試験を] afleggen; [洗礼を] gedoopt worden; (6) [een verlies] lijden; [een verwonding] oplopen; [een belediging] incasseren; moeten verduren; blootgesteld worden aan; onderworpen worden aan; (7) [lessen] nemen; [een opleiding] volgen; genieten; (8) geloven; geloof hechten aan; aannemen; als waar beschouwen; voor zoete koek slikken; als juist aanvaarden; als zo zijnd aanvaarden; (9) staan; gelegen zijn tegenover; uitzicht geven op; gericht zijn naar [een windstreek;ander referentiepunt]; (10) erven; overerven; [eigenschappen] van zijn (voor)ouders meekrijgen; (11) populair worden; aan populariteit winnen; in de smaak vallen; tot de verbeelding spreken; in trek raken; geliefd worden; in zwang raken; aanslaan
受給する jukyuusuru ontvangen; krijgen; trekken; genieten
形作る katachizukuru (1) zich vormen; vorm aannemen; krijgen; (2) vormen; modelleren; vorm geven; maken
得る uru (1) krijgen; verkrijgen; behalen; verwerven; [hulp] vinden; (2) [na de ren'yōkei 連用形 van een ww.] kunnen; in staat zijn; bij machte zijn
得る eru krijgen; verkrijgen; verwerven; zich verzekeren van; behalen; bekomen
得票 tokuhyou (1) het behalen; krijgen; winnen; ontvangen van stemmen; (2) behaalde stemmen
得票する tokuhyousuru stemmen behalen; krijgen; winnen; ontvangen
感受する kanjusuru [m.b.t. signalen] opvangen; krijgen; ontvangen
拝領する hairyousuru ontvangen; krijgen; in ontvangst nemen [uit handen van een hiërarchisch meerdere]
有り付く aritsuku (1) krijgen; verkrijgen; te pakken krijgen; vinden; komen aan; in de wacht slepen; (2) gewennen; gewoon worden; (3) kalmeren; bedaren; (4) zich settelen; zich vestigen; (5) intrekken; gaan inwonen; inhuwen; (6) passen; z'n draai vinden; (7) in een bep. stand; milieu geboren worden; (8) aan de kost komen; de kost verdienen; (9) houvast bieden; doen settelen; (10) doen settelen; aan een vaste betrekking helpen; een geregeld; gezapig; burgerlijk leven doen leiden
注目される chuumokusareru de aandacht trekken; krijgen; in acht genomen worden; er wordt gelet op; in de belangstelling staan; [たいへん~] veel bekijks hebben
生む;産む umu (1) [赤ちゃんを] baren; ter wereld brengen; het leven schenken aan; krijgen; bevallen van; [動物が子供を] jongen; werpen; [牛;象;鯨が子を] afkalven; [卵を] leggen; (2) voortbrengen; produceren; scheppen; doen bestaan; opleveren; opbrengen; teweegbrengen; in het leven roepen; het aanzijn geven; [lit.t.] in het aanzijn roepen; [lit.t.] tot aanzijn roepen; [疑惑を] wekken; [利子を] geven; dragen
納める osameru (1) opdragen aan; toewijden aan; offeren aan [een godheid]; aanbieden [aan een godheid]; consacreren; (2) oogsten; de oogst binnenhalen; de vruchten plukken; maaien; (3) verwerven; verkrijgen; krijgen; in het bezit komen van; realiseren; verwezenlijken; de vruchten plukken van; (4) betalen; afrekenen; met geld over de brug komen; dokken; (5) leveren; verschaffen; voorzien; een leverancier zijn van; (6) opslaan; stockeren; een voorraad vormen van; (7) verzamelen; vergaren; bundelen; groeperen; hergroeperen; (8) tot een einde brengen; beëindigen; eindigen; besluiten; afsluiten; (9) op zijn oorspronkelijke plaats terugstoppen; terugplaatsen; opbergen; wegbergen; [m.b.t. een vogel] zijn veren vouwen; (10) aannemen; accepteren; aanvaarden
被る koumuru [叱責を] krijgen; [恩恵を] genieten; [損を] lijden; [損害を] oplopen; ondergaan; incasseren; [不興を] zich op de hals halen
貰う morau (1) krijgen; ontvangen; verkrijgen; bekomen; verwerven; behalen; boeken; scoren; in ontvangst nemen; winnen; [in zijn gezin] opnemen; [tot vrouw] nemen; tot zijn eigendom maken; [een infectie] opdoen; oplopen; (2) laten ~; doen ~; gedaan krijgen
賜う tamau (1) [honoratieve variant van ataeru en kureru] zich verwaardigen te geven; schenken; verlenen; toestaan; toekennen; uitreiken; vereren met; (2) [honoratieve variant van yokosu] sturen; zenden; (3) [zelfverheerlijkende variant van ataeru] ± zo goed zijn te geven; (4) […たまえ] [drukt een bevel;uitnodiging uit]; (5) […~] [benadrukt de welwillendheid van het onderwerp (de schenker)]; (6) […~] [betoont eer aan het onderwerp]; (7) […せ~] [drukt buitengewoon respect uit]; (8) […~] [formuleert aan standgenoten of ondergeschikten een discreet bevel]; (9) [humiliatieve variant van もらう] ontvangen; krijgen; [i.h.b.] te eten; drinken krijgen; nuttigen; (10) [聞き;見~] [drukt het ontvangen van een gunst of toelating uit] mogen; (11) [思い;聞き;見~] [drukt nederigheid uit t.o.v. de toegesprokene]
賜る tamawaru (1) krijgen; ontvangen; vereerd worden met; (2) zich verwaardigen te geven; schenken; verlenen
起す;起こす;興す okosu (1) rechtop zetten; oprichten; [撃鉄を] overhalen; overeind helpen; helpen opstaan; ophelpen; (2) wekken; wakker maken; (3) beginnen; aanvangen; openen; [訴訟を] aanspannen; instellen; (4) veroorzaken; aanleiding geven tot; teweegbrengen; aanstichten; aanrichten; (5) [熱;電気を] produceren; voortbrengen; genereren; verwekken; opwekken; doen ontstaan; [火を] aanleggen; aansteken; (6) doen herleven; opnieuw doen leven; (7) ziek worden; [病気を] oplopen; getroffen worden door; een aanval hebben van; krijgen; (8) oprichten; stichten; vestigen; in het leven roepen; (9) ploegen; omwerken; [土を] omwoelen
靨ができる ekubogadekiru kuiltjes vertonen; krijgen
靨を作る ekubowotsukuru kuiltjes vertonen; krijgen
頂く;戴く itadaku (1) (nederig) in ontvangst nemen; ontvangen; krijgen; verwerven; (2) (nederig) de gunst ontvangen; (3) eten; drinken; gebruiken; (4) geregeerd worden door; ~ boven zich hebben; ~ als overste hebben; (5) [冠を] opzetten; dragen; [山が雪を] bedekt zijn met
頂戴する choudaisuru ontvangen; krijgen; in ontvangst nemen; aanvaarden; aannemen; accepteren; aanpakken; [i.h.b.] te eten en te drinken krijgen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.75 sec. jiten.nl: 30 treffers, warandict: 31 treffers (zoekopdracht: 'krijgen'). 
2005-2026