
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
migi・右
zn. (1) [右の方] rechterkant m. ¶ 右の rechtsch; rechter. bn. (2) [上記の] bovengenoemd; bovenstaand. ¶ 右に rechts. ¶ 右隣 onze buurman rechts. ¶ 右と言へば左 opzettelijk tegenspreken. ¶ 右に出る de baas zijn. ¶ 右へ折れる rechts afslaan. ¶ 右側 rechterkant. ¶ 右利 rechtschheid. ¶ 右利 rechtsch. ¶ 右手 rechterhand; rechterarm. ¶ 右側をお通りなさい rechts houden!
uchikubi・打首
zn. onthoofding v. ¶ 打首になる onthoofd worden. ¶ 打首にする onthoofden; het hoofd afslaan.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afslaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ターンする taansuru (1) draaien; omwentelen; keren; (2) afslaan; zwenken
低減する teigensuru (1) verminderen; dalen; afnemen; teruglopen; (2) verminderen; verlagen; terugbrengen; (3) reduceren; korten; afslaan
値下がりする nesagarisuru in prijs dalen; verminderen; verlagen; goedkoper worden; afslaan
値下げする nesagesuru de prijs verlagen; verminderen; afslaan; terugschroeven; reduceren; korten; afprijzen
切り落とす kiriotosu (1) afsnijden; afsnoeien; afknippen; afkappen; afhakken; afhouwen; afsabelen; afslaan; (2) neerhakken; neersabelen; neerhouwen; vellen; sabreren; (3) [堤防を] doorsteken; (4) [kabuki] het doek laten vallen; (5) [ton.] schermen tussen loges weghalen
刎ねる haneru afhouwen; afhakken; afkappen; afslaan; [i.h.b.] onthoofden; [i.h.b.;arch.] onthalzen
受け付けない uketsukenai (1) weigeren; verwerpen; afwijzen; van de hand wijzen; afslaan; (2) niet verdragen; niet dulden
受け止める uketomeru (1) [ぼーるを] vangen; opvangen; onderscheppen; (2) [攻撃を] stuiten; tegenhouden; stoppen; afwenden; afweren; afslaan; weren; pareren; (3) [問題を] aanpakken; tegemoet treden; behandelen; reageren op; (4) [批判を] opnemen; opvatten; oppikken; beschouwen
打ち落とす uchiotosu (1) [首を] afslaan; afhakken; afhouwen; (2) [涙を] plengen; (3) [城を] veroveren; stormenderhand innnemen
折れる oreru (1) plooien; [i.h.b.] dubbelplooien; (2) breken; afbreken; knappen; [ぽきっと] afknappen; knakken; het begeven; (3) zwenken; afbuigen; afdraaien; afslaan; draaien; een bocht; draai maken; (4) plooien; bijdraaien; tegemoetkomingen doen; toegeven; inbinden; door de bocht gaan; wijken; zwichten; zich gewonnen geven; zich onderwerpen; zich neerleggen; (5) [腰句が] haperen; niet lopen; (6) [Barg.] sterven; doodgaan
折れ曲がる oremagaru (1) buigen; plooien; krommen; (2) afbuigen; afslaan; zwenken; neigen; keren; draaien; een draai; bocht nemen; wenden; kronkelen
拒む kobamu (1) weigeren; afslaan; afwijzen; refuseren; ontzeggen; van de hand wijzen; bedanken; verwerpen; declineren; (2) versperren; blokkeren; belemmeren; verhinderen; beletten; obstrueren
拒否する kyohisuru weigeren; afslaan; afwijzen; ontzeggen; verwerpen; niet ingaan op; ontkennen; van de hand wijzen; niet goed vinden; afkeuren; naast zich neerleggen; z'n toestemming weigeren; z'n veto uitspreken over; het veto plaatsen op; vetoën; [w.g.] declineren; [w.g.] veteren
拒絶する kyozetsusuru weigeren; afwijzen; afslaan; afketsen; afkeuren; van de hand wijzen; refuseren; verwerpen; ontzeggen; van zich afstoten
振り切る furikiru (1) afschudden; losschudden; (2) afwijzen; afslaan; (3) [fig.] van zich afschudden; ontsnappen aan; zich losmaken van; wegrennen van; zich afscheiden van; (4) grondig schudden; goed doorschudden; [honkb.] de slag afmaken; uitzwaaien; voluit zwaaien
撃退する gekitaisuru terugdrijven; terugslaan; afslaan; afwijzen; afweren; afstoten; wegjagen; verjagen; verdrijven; doen terugtrekken; afschudden; afschepen; van zich afhouden
撥ね付ける hanetsukeru verwerpen; afwijzen; van de hand wijzen; weigeren; terugwijzen; afslaan; refuseren
斬る kiru snijden; hakken; houwen; afsnijden; afhakken; afhouwen; afslaan
斬首する zanshusuru onthoofden; onthalzen; iemand het hoofd van de romp houwen; slaan; afslaan; afsnijden; scheiden
断る;判る kotowaru (1) weigeren; niet toelaten; niet vergunnen; niet inwilligen; (2) afslaan; afwijzen; verwerpen; niet accepteren; niet (willen) aannemen; van de hand wijzen; van tafel vegen; bedanken; weigeren; wegwuiven; wegwimpelen; [w.g.] declineren; (3) zijn verontschuldiging aanbieden; zijn excuses maken; zijn excuses aanbieden; excuus vragen; pardon vragen; zich schoon praten; (4) vooraf kennisgeven; informeren; inlichten; meedelen; mededelen; waarschuwen; verwittigen; vertellen; berichten; op de hoogte stellen; brengen; (5) toelating vragen; toestemming vragen; verlof vragen; (6) ontslaan; ontslag geven; de laan uitsturen; op straat zetten; aan de dijk zetten; (7) verbieden; door een verbod ontzeggen
曲がる magaru (1) buigen; (zich) krommen; knikken; kronkelen; kromtrekken; scheeftrekken; scheluw trekken; kromgroeien; kromlopen; een bocht maken; een draai maken; draaien; [i.h.b.] meegeven; doorbuigen; abduceren; (2) afdraaien; keren; afbuigen; ombuigen; afslaan; [de hoek enz.] omgaan; omslaan; omdraaien; afzwenken; zwenken; (3) afwijken; deviëren; scheefgroeien; de verkeerde weg opgaan; verkeerd lopen; aberreren; ontaarden; verdorven raken
残す nokosu (1) overlaten; doen overblijven; doen resteren; doen nablijven; (2) [後に] laten; achterlaten; nalaten; [i.h.b.] overleveren; (3) overhebben; overhouden; in reserve houden; sparen; bewaren; opzij leggen; (4) [de aanval enz.] pareren; afslaan; weerstaan
謝絶する shazetsusuru weigeren; afwijzen; afslaan; van de hand wijzen; bedanken; declineren
蹴る keru (1) schoppen; trappen; een schop geven; een trap geven; [Belg.N.] shotten; (2) iets ergens in schoppen; iets ergens in trappen; iets ergens in stoten; (3) (een verzoek; een plan; een voorstel; etc.) verwerpen; (een verzoek; een plan; een voorstel; etc.) afwijzen; (een verzoek; een plan; een voorstel; etc.) afslaan; (een verzoek; een plan; een voorstel; etc.) niet accepteren; (een verzoek; een plan; een voorstel; etc.) weigeren te accepteren
辞す jisu (1) weigeren; afslaan; van de hand wijzen; afwijzen; (2) ontslag nemen; afstand doen; aftreden; ontslag nemen; bedanken; z'n conclusies trekken; opstappen; het veld ruimen; uittreden; resigneren; [arch.] demitteren; (3) groeten; begroeten; goedendag zeggen; toespreken; (4) afscheid nemen; weggaan; verlaten; terugtreden; zich terugtrekken
辞する jisuru (1) verlaten; vaarwel zeggen; (2) weigeren; afslaan; van de hand wijzen; afwijzen; (3) ontslag nemen; afstand doen; aftreden; ontslag nemen; bedanken; z'n conclusies trekken; opstappen; het veld ruimen; uittreden; resigneren; [arch.] demitteren
辞退する jitaisuru weigeren; afslaan; van de hand wijzen; afwijzen; er niet op ingaan; afzien van; bedanken; refuseren; zich verontschuldigen; [w.g.] declineren
退ける;斥ける shirizokeru (1) wegsturen; terugsturen; wegzenden; terugtrekken; verdrijven; verjagen; wegjagen; (2) [敵を] terugslaan; terugdrijven; terugwerpen; afslaan; afweren; weren; afhouden; [誘惑を] weerstaan; (3) [勧告を] afwijzen; afslaan; afketsen; van de hand wijzen; terugwijzen; weigeren; wegwuiven; [控訴を] verwerpen; (4) de laan uit sturen; de deur wijzen; verwijderen; ontslaan; afzetten; ontheffen
遠慮する enryosuru (1) gereserveerd zijn; terughoudend zijn; aarzelen; schromen; afstand bewaren; beschroomd zijn; bescheiden zijn; (2) ophouden met; stoppen met; uitscheiden met; zich onthouden van; zich weerhouden van; zich ontzeggen; nalaten; achterwege laten; [招待を] niet ingaan op; afslaan; afzien van; (3) zich terugtrekken; zich verwijderen
Tijd: 1.76 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 29 treffers (zoekopdracht: 'afslaan').
2005-2026
