日蘭辭典+

22 resultaten voor ‘jou’
日蘭辭典 (trefwoord)
benzuru辨ずる
(弁ずる) t.w. (1) [辨別] onderscheiden; onderscheid maken. (2) [供給] verschaffen. (3) [處辨] afhandelen; uitvoeren; afdoen. ¶ 直ぐに外に出れば何でも用が辨じます als wij maar even de deur uitgaan kunnen we alles krijgen. ¶ お前を使にやっても用が辨じない als ik jou om een boodschap uitzend word die nooit behoorlijk uitgevoerd.
uwasa

zn. gerucht o.; mare v. ¶ 噂が立つ het gerucht gaat. ¶ 噂によれば bij geruchte; naar gezegd wordt. ¶ 噂する spreken over; gerucht verspreiden. ¶ 今君の噂をしてゐる所だ we hadden het juist over jou. ¶ 噂をすれば影とやら spreek over den duivel en je trapt op zijn staart. ¶ 噂は噂を產むものだ een gerucht wordt altijd overdreven bij het verder vertellen.

TEKST EN UITLEG (trefwoord)
bron:The Tanaka Corpus楽しい
あなた一緒でとても楽しかった。Anata to issho de totemo tanoshikatta. Het was heel leuk; Het was gezellig; Het was tof; Het was plezierig; Ik heb me vermaakt; (letterlijker: Met jou samen was het heel leuk.)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <jou>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
jou (1) topkwaliteit; eerste soort; (2) eerste boekdeel; volume I; (3) Z.M. de Keizer; (4) met hartelijke groet; met de complimenten (van); graag aangeboden (door) [opschrift op verpakking van geschenk]; (5) eersteklas; eersterangs; puikbest; piekfijn; pico bello; uitstekend; superieur; (6) qua …; -(i)eel; -isch gezien; uit … oogpunt; als je naar … kijkt; in … opzicht; in het licht van …; … gezien; -halve; betreffende; met betrekking tot …; wat … aangaat; op het stuk van …; wanneer het … betreft; aangaande …; inzake …; … gesproken
jou (1) rijtuig; rijdier; paard en kar; (2) geschiedboek; geschiedrol; geschiedenis; annalen; (3) [boeddh.] yāna [= voertuig;middel]; (4) [rekenk.] vermenigvuldiging; multiplicatie; (5) [maatwoord voor rijtuigen of strijdwagens]; (a) bestijgen; aan boord zetten; (b) wagen; kar; (c) geschiedboek; (d) vermenigvuldiging
其方 sochira (1) daar; daarginds; ginds; ginder; bij u; jullie; jou; [i.h.b.] dat; die daar; (2) u; jij; jullie
其方 sotchi (1) daarginds; ginds; ginder; daar; bij jullie; jou; [i.h.b.] dat; die daar; (2) jij; jullie
jou (1) kasteel; slot; burcht; [veroud.] burg; (a) kasteel; slot; burcht; (b) versterkte stad; hoofdstad; (c) provincie Yamashiro
jou -terrein; -veld; -plaats; -ruimte; -perk; -stadium; [i.h.b.] -baan; [i.h.b.] -droom; [i.h.b.] -piste; [m.b.t. golf] -links
jou (1) meisje; meid; deerne; juffrouw; jongedame; [veroud.] juffer; juffertje; (2) mejuffrouw; juffrouw; (a) dochter; jongedame; juffrouw
jou (1) regel; gewoonte; (2) zekerheid; waarheid; (3) zoals …; als …; (4) [boeddh.] samādhi [= concentratie]; (5) rustpunt waarop de pijlschacht rust; (6) hoewel; ofschoon; (a) vastleggen; vaststaan; bepaald zijn; (b) [boeddh.] samādhi
jou (1) [ritsuryō] ± luitenant; inspecteur; (2) [nō-jargon] oude man; [i.h.b.] masker van een oude man; (3) witte as van houtskool
jou (1) leporelloboek; vouwboek; (2) kamerscherm; vouwscherm; (3) [maatwoord voor vouwboeken;fotoalbums;plakboeken]; (4) [maatwoord voor kamerschermen;schilden]; (5) [maatwoord voor een paar toneelschermen]; (6) [maatwoord voor kesa]; (7) [maatwoord voor een vast aantal vellen papier of nori;m.n. 20 vel Japans schrijfpapier;48 à 50 vel Mino-papier;100 vel toiletpapier;12 vel machinepapier;10 vel nori]; (8) [gagaku-muz.] [maatwoord voor een beweging binnen een taikyoku 大曲-stuk]; (9) [maatwoord voor tatami's]; (10) [maatwoord voor futons]; (11) [maatwoord voor netten]; (a) aantekenboekje; vouwboek; (b) afwrijving van een stèle; kalligrafisch voorbeeldenboek
jou (a) onveranderlijk; permanentie; (b) niet speciaal; normaal; (c) onveranderlijke moraal; (d) [Jap.gesch.] provincie Hitachi 常陸
御先に osakini (1) na u; jou; ga je gang maar; gaat u voor; (2) excuseer dat ik er even langs wil; neem me niet kwalijk dat ik het eerst ga; vertrek
jou (1) gevoel; emotie; (2) menselijkheid; inleving; betrokkenheid; attentheid; mededogen; medeleven; (3) liefde; gehechtheid; affectie; genegenheid; hart; (4) lust; begeerte; (5) smaak; charme; karakter; (6) toestand; gesteldheid; situatie; (7) reden; grond
jou (1) [jur.] artikel; wetsartikel; bepaling; (2) straal; streep; lijn; strook; [m.b.t. water] stroompje; [m.b.t. rook] pluim; (3) [maatwoord voor artikels]
jou (1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport; (4) -brief; (5) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~
jou (1) x tatami's; x matten [kwantor voor tatami's]; (2) x futons [kwantor voor futons]
jou (a) afstaan; overdragen; (b) terughoudend zijn; nederig zijn
jou (1) slot; sluiting; [i.h.b.] sleutel; (2) pil; tablet; (3) [maatwoord voor pillen;tabletten]; (a) slot; (b) pilletje
jou rustig; kalm
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.57 sec. jiten.nl: 3 treffers, warandict: 19 treffers (zoekopdracht: 'jou'). 
2005-2026