日蘭辭典+

41 resultaten voor ‘afdoen’
日蘭辭典 (trefwoord)
yarikiru遣切る
(遣り切る) t.w. afdoen; volvoeren; voltooien.
yarippanashi遣放し
(遣りっ放し) zn. niet-afdoening v. ¶ 遣放しにする niet afdoen; onvoltooid laten liggen. ¶ 遣放しの slordig; niet accuraat.
shori處理
(処理) zn. behandeling v. ¶ 處理する behandelen; afdoen; regelen.
benzuru辨ずる
(弁ずる) t.w. (1) [辨別] onderscheiden; onderscheid maken. (2) [供給] verschaffen. (3) [處辨] afhandelen; uitvoeren; afdoen. ¶ 直ぐに外に出れば何でも用が辨じます als wij maar even de deur uitgaan kunnen we alles krijgen. ¶ お前を使にやっても用が辨じない als ik jou om een boodschap uitzend word die nooit behoorlijk uitgevoerd.
yōmu用務

zn. zaak v.; taak v. ¶ 用務を果す zaken afdoen.

(1) [用事] zaken v.mv. (2) [役] dienst m.; nut o. (3) [入費] kosten m.mv. ¶ 用を達する zaak afdoen. ¶ 何御用なのですか wat is er van uw dienst? ¶ お前は用がないのか heb je niets te doen? ¶ 用に立てる gebruik maken van. ¶ 用に立つ bruikbaar zijn; nuttig zijn. ¶ 家庭用 huishoudelijk gebruik. ¶ 用を足す zijn behoeften doen. ¶ 用なき (仕事の無い) niets te doen; vrij; (不用な) onnoodig; nutteloos.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <afdoen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
けりを付ける keriwotsukeru ergens een punt achter zetten; er een einde aan maken; tot een eind brengen; ten einde brengen; beëindigen; besluiten; afsluiten; afronden; afmaken; [Belg.N.] gedaan maken met; settelen; afhandelen; regelen; afdoen
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [すぴーどを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
付ける;附ける tsukeru (1) bevestigen aan; aanbrengen; aanleggen; vasthechten; vastmaken; [役馬を] spannen voor; aanhechten; hechten; [翻訳を] toevoegen; [×印を] aankruisen; [印を] afdrukken; [器具を] installeren; monteren aan; aanleggen; [接着剤で] plakken; [ばたー;くりーむ;じゃむを] smeren; [しみを] maken; aanmaken op; (2) [傷;跡を] achterlaten; nalaten; (3) zich eigen maken; aanleren; zich verwerven; [習慣を] zich aanwennen; [力を] opdoen; (4) [乳母を] engageren; aannemen; in de arm nemen; (5) [注意;目を] vestigen op; [犯人;車を] schaduwen; volgen; (6) [条件を] opleggen; [疑問符;こめんと;注文を] plaatsen; zetten; [名;味を] geven; [実;利子を] dragen; [点を] toekennen; (7) [料理を] opdienen; serveren; [仕事に片を] regelen; afdoen; afhandelen; zijn beslag geven; voor elkaar brengen; (8) [正札を] hechten; [値を] voorzien van; stellen op; (9) opschrijven; opnemen; noteren; aantekenen; boeken; [日記を] bijhouden; houden; (10) [手を] beginnen met; aanvangen; [連絡を] opnemen; [火を] aanleggen; in brand steken
全納する zennousuru volledig; integraal betalen; afbetalen; afdoen; voldoen; volstorten
処す shosu (1) [人生に] zich door het leven slaan; zich door de wereld helpen; z'n draai vinden; zich schikken; inspelen; zich inpassen; (2) afhandelen; beslechten; afdoen; in orde maken; klaren; schikken; regelen; aanpakken; (3) straffen; bestraffen; tuchtigen; kastijden; (4) veroordelen; vonnissen; opleggen
処する shosuru (1) [人生に] zich door het leven slaan; zich door de wereld helpen; z'n draai vinden; zich schikken; inspelen; zich inpassen; (2) afhandelen; beslechten; afdoen; in orde maken; klaren; schikken; regelen; aanpakken; (3) straffen; bestraffen; tuchtigen; kastijden; (4) veroordelen; vonnissen; opleggen
処分する shobunsuru (1) wegdoen; van de hand doen; afhandelen; beschikken; afdoen; maatregelen treffen; nemen; opruimen; afwikkelen; liquideren; (2) afrekenen met; onder handen nemen; straffen; een appeltje schillen met; (3) ruimen; afmaken; uit zijn lijden helpen; een spuitje geven
処理する shorisuru (1) afhandelen; afdoen; afwikkelen; uitmaken; regelen; opknappen; (2) wegdoen; zich ontdoen van; verwerken; wegwerken; (3) behandelen
処置する shochisuru wegwerken; verwerken; afhandelen; afdoen; behandelen; in behandeling nemen; aanpakken; iets doen aan
去る saru (1) verlaten; weggaan (bij; van); vertrekken (bij; van; uit); ervandoor gaan; [gew.] aangaan; ertussenuit knijpen; opstappen; heengaan (van); heenlopen; [i.h.b.] sterven; scheiden (van; uit); [m.b.t. echtgenoot;echtgenote] zich laten scheiden van; zich verwijderen van; aflopen van; weglopen van; verdwijnen; wegkomen; zich wegscheren; [veroud.] zich wegpakken; [inform.] opdonderen; [inform.] ophoepelen; [inform.] opflikkeren; [inform.] oprukken; [w.g.] opdoeken; [studentent.] opzooien; [uitdr.] zich uit de voeten maken; (2) achter zich laten; op [x uur afstand enz.] liggen; afliggen van; verwijderd liggen van; (3) wijken; afnemen; wegtrekken; verdwijnen; overgaan; eindigen; ophouden te bestaan; aflopen; ten einde lopen; voorbijgaan; vergaan; (4) [m.b.t. seizoen;tijdruimte] verstrijken; voorbijgaan; vergaan; [i.h.b.] voorbijvliegen; verlopen; passeren; [fig.] omgaan; [fig.] omlopen; [fig.] omkomen; (5) verwijderen; afhalen; weghalen; wegwerken; uithalen; wegnemen; afdoen; afnemen; verbannen; zich af maken van; (6) zich ontdoen van; bannen; uitbannen; afzetten (van); laten varen; (7) [m.b.t. baan] opgeven; stoppen met; [m.b.t. ambt] neerleggen; verlaten; opzeggen; afstand doen van; bedanken voor; vaarwelzeggen; [m.b.t. toneel] afgaan (van); (8) totaal ~; volledig ~; compleet ~; geheel en al ~; volkomen ~ [voorafgegaan door een ren'yōkei]; (9) jongstleden; [afk.] jl.; laatstleden; [afk.] ll.; ~ dezer; vorige ~; verleden ~; gepasseerde ~
収まりをつける osamariwotsukeru (1) beslechten; tot een einde brengen; afmaken; afhandelen; settelen; z'n beslag geven; (2) tot een einde brengen; beëindigen; afdoen; besluiten
受け流す ukenagasu afweren; afwenden; pareren; ontwijken; zich afmaken van; uit de weg gaan; omzeilen; afdoen
外す hazusu (1) losmaken; openmaken; [眼鏡を] afzetten; afdoen; [べっどかばーを] afhalen; [ぼたんを] losknopen; loskoppelen; [留金を] loshaken; afhaken; losgespen; afgespen; verwijderen; weghalen; nemen van; wegnemen; weglaten van; van het slot doen; [戸を] uitlichten; uittillen; [i.h.b.] disloqueren; [mech.] debrayeren; [techn.] ontkoppelen; [ぎあを] afkoppelen; (2) [機会を] missen; onbenut laten; laten ontglippen; verkijken; mislopen; misslaan; misschieten; (3) ontkomen aan; ontsnappen aan; ontwijken; pareren; afwenden; (4) [席を] verlaten; ervandoor gaan
始末する shimatsusuru (1) beheren; behandelen; afhandelen; in behandeling nemen; in orde brengen; verwerken; afdoen; regelen; voor z'n rekening nemen; behartigen; (2) zich ontdoen van; wegdoen; uit de weg ruimen; wegwerken; weggooien; (3) zuinig zijn met; sparen op; zuinig omgaan met; zuinig zijn met
完済する kansaisuru het volledige bedrag betalen; helemaal afbetalen; tot de laatste cent betalen; volledig aflossen; volstorten; [借金を] aanzuiveren; vereffenen; aflossen; voldoen; afdoen
引く hiku (1) trekken (aan); halen; [een hendel;de trekker enz.] overhalen; [naar zich] toetrekken; aanhalen; [een boog] spannen; opspannen; (2) [de aandacht] trekken; [klanten] aantrekken; [sympathie] winnen; [belangstelling] wekken; (3) [een vaartuig] jagen; slepen; [een schip] treilen; [een trekdier] geleiden; leiden; (4) citeren; aanhalen; (5) stammen uit; afstammen van; [系統を] afkomen van; spruiten uit; [i.h.b.] aarden naar; (6) [hout] zagen; [op een pottenbakkersschijf] draaien; (7) malen; vermalen; fijnmalen; (8) [een lijn;een draad] trekken; lijnen; spinnen; [een rechte] beschrijven; (9) aanhouden; rekken; (10) [gordijnen] dichttrekken; dichtdoen; (11) aanbrengen; besmeren; bedekken; bestrijken; (12) [elektriciteit] aanleggen; installeren; aansluiten; [water (door buizen enz.)] aanvoeren; [veroud.] aanleiden; (13) [een getal] aftrekken; [een bedrag] afhouden; in mindering brengen; afnemen; [iets in prijs] verlagen; afdoen; verminderen; reduceren; terugbrengen; [i.h.b.] korting geven; (14) [de troepen] terugtrekken; intrekken; [visnetten] ophalen; [de handen (van iets)] aftrekken; (15) overrijden; omrijden; omverrijden; aanrijden; (16) achteruitgaan; teruggaan; terugtrekken; afgaan (van); terugwijken; (17) zich retireren; zich terugtrekken; verlaten; [veroud.] resigneren; (18) afnemen; zakken; dalen; wijken; wegtrekken; teruglopen
後始末をする atoshimatsuwosuru […の~] afhandelen; afwikkelen; afdoen; afwerken; in orde brengen; maken; regelen; opruimen
拭う nuguu (1) vegen; afvegen; afdoen; wissen; afwissen; wegwissen; droogwrijven; (2) [fig.] wegvegen; [fig.] uitwissen; [fig.] uitvegen; [fig.] wegvagen
料理する ryourisuru (1) koken; eten bereiden; eten klaarmaken; (2) koken; bereiden; klaarmaken; (3) afhandelen; verwerken; afdoen
治める osameru (1) regeren; heersen over; een land besturen; de scepter zwaaien; de scepter voeren; (2) tot rust brengen; tot vrede brengen; pacificeren; (3) regelen; in orde brengen; in orde maken; organiseren; behandelen; afhandelen; afdoen; voor elkaar krijgen; (4) beheersen; bedwingen; beteugelen; onderdrukken; betomen; intomen
清算する seisansuru (1) afrekenen; vereffenen; voldoen; clearen; verrekenen; afdoen; [借金を] aflossen; aanzuiveren; (2) [econ.] liquideren; (3) [rel.] weer goedmaken; boete doen voor; boeten voor; (4) [過去を] van zich afzetten; afsluiten; [fig.] begraven; (5) [関係を] verbreken; afmaken; opheffen
済ます sumasu (1) afmaken; beëindigen; volbrengen; een eind maken aan; een punt zetten achter; (2) [負債を] aflossen; afbetalen; afdoen; [勘定を] betalen; voldoen; vereffenen; (3) zich behelpen (met); zich redden (met); het klaarspelen (met); rondkomen (met)
済ませる sumaseru (1) afmaken; afwerken; afdoen; afronden; ten einde brengen; beëindigen; een einde maken aan; korte metten maken met; (2) betalen; voldoen; vereffenen; delgen; aflossen; afbetalen; restitueren; amortiseren; aanzuiveren; (3) zich behelpen; het moeten doen; het kunnen stellen; toekunnen; het kunnen rooien; zich redden; rondkomen met; (4) afhandelen; afwikkelen; afdoen; regelen; in orde brengen; maken; voor elkaar brengen; oplossen; zijn beslag geven; [安く~] er goedkoop afkomen
熟す konasu (1) aan; in; tot gruis slaan; in stukken breken; uit elkaar doen vallen; stukbreken; brekend stukmaken; vergruizen; vergruizelen; verpulveren; verkruimelen; fijnmaken; (2) verteren; verwerken; digereren; (3) afhandelen; behandelen; [仕事を] klaren; opknappen; doen; afdoen; volbrengen; afmaken; afwerken; klaarspelen; fiksen; (4) verkopen; van de hand doen; zetten; (5) [役を] spelen; brengen; zijn rol volhouden; in zijn rol blijven
片付ける katazukeru (1) in orde brengen; opruimen; (2) wegzetten; afruimen; terugzetten; (terug) goed zetten; (3) [問題を] oplossen; [借金を] afbetalen; afdoen; afhandelen; beklinken; in orde brengen; regelen; beëindigen; afmaken; [金で] afkopen
皆済する kaisaisuru het volledige bedrag betalen; helemaal afbetalen; tot de laatste cent betalen; volledig aflossen; volstorten; [借金を] aanzuiveren; vereffenen; aflossen; voldoen; afdoen
終える oeru (1) eindigen; aflopen; ophouden; stoppen; (2) beëindigen; ten einde brengen; eindigen; afmaken; afdoen; afwerken; voltooien; voleinden; completeren; een einde maken aan; volbrengen
結末をつける ketsumatsuwotsukeru afmaken; een eind maken aan; z'n beslag geven; afsluiten; besluiten; beëindigen; ten einde brengen; tot een eind brengen; settelen; afhandelen; regelen; afdoen; [Belg.N.] gedaan maken met
綺麗にする kireinisuru (1) schoonmaken; poetsen; reinigen; opknappen; zuiveren; [pregn.] doen; [Belg.N.] kuisen; (2) mooi maken; tooien; decoreren; versieren; sieren; verfraaien; opsmukken; opsieren; (3) [借金を] vereffenen; clearen; betalen; wegwerken; afdoen; kwijten; aflossen; inlossen; lossen
纏める matomeru (1) samenvatten; bundelen; samenbrengen; vergaren; verzamelen; samenbundelen; bijeenzamelen; verenen; tot één maken; bijeenbrengen; samenvoegen; [i.h.b.] compileren; (2) rangschikken; ordenen; vormgeven; (3) afdoen; afhandelen; settelen; regelen; beslechten; bewerken; afconcluderen; voleindigen; ten einde brengen; uitmaken; [i.h.b.] bijleggen; bemiddelen; tot een vergelijk brengen; tot stand brengen; beklinken; afsluiten; afronden; afwerken
脱ぐ nugu uittrekken; uitdoen; [z'n hoed enz.] afnemen; afzetten; afdoen; lichten; (zich) ontdoen (van); van het lijf doen; afleggen; [het harnas] afgorden
脱する dassuru (1) ontsnappen aan; ontkomen aan; wegkomen van; zich redden uit; raken; geraken uit; zich bevrijden uit; zich losmaken van; zich loswerken uit; zich vrijmaken van; te boven komen; gaan; erbovenuit komen; stijgen; schieten; (2) [m.b.t. hoofddeksel e.d.] afzetten; afnemen; afdoen; (3) [m.b.t. stop;kurk e.d.] uittrekken; uitdoen
解く toku (1) losbinden; losknopen; losmaken; losdoen; losstrikken; [包みを] openmaken; uitpakken; [包帯を] loswinden; loswikkelen; [連結を] loshaken; afhaken; loskoppelen; afkoppelen; ontkoppelen; (2) ontwarren; ontknopen; ontstrikken; tornen; lostornen; ontrafelen; uit elkaar halen; uitrafelen; lostrekken; (3) [装束を] afleggen; afgorden; afdoen; [荷を] ontdoen; (4) [誤解を] ophelderen; uit de wereld helpen; wegruimen; (5) [禁止を] opheffen; wegnemen; beëindigen; [契約を] verbreken; [責任を] ontheffen van; [任務を] ontlasten van; ontslaan uit; iem. bedanken; releveren; vrijmaken van; degageren; [包囲を] opbreken; [jur.] ontbinden; (6) [問題を] oplossen; uitzoeken; [方程式を] uitwerken; [inform.] uitpuzzelen; [質問を] beantwoorden; [謎を] erachter komen
解決する kaiketsusuru (1) oplossen; een oplossing vinden voor; een uitweg vinden voor; uitwerken; ophelderen; opklaren; ontknopen; beslechten; beklinken; afdoen; afhandelen; uit de weg ruimen; [Belg.N.] komaf maken met; (2) opgelost worden; opgehelderd worden; opgeklaard worden; ontknoopt worden; beslecht worden; uitgewerkt worden; tot een oplossing komen
遣っ付ける yattsukeru (1) verslaan; overwinnen; afmaken; uitschakelen; vellen; winnen van; doden; ervan langs geven; de volle laag geven; een pak slaag geven; zwaar aanpakken; de das omdoen; [fig.] afdrogen; inmaken; inblikken; afranselen; afstraffen; afrossen; een afstraffing geven; zijn portie geven; zijn vet geven; ik zal hem!; een gevoelig lesje geven; afrekenen met; korte metten maken; 'em een kantje geven; (2) scherp bekritiseren; heftig tekeergaan tegen; aanvallen; te lijf gaan; uithalen naar; afkammen; afbreken; afkraken; de grond in boren; neerhalen; neersabelen; hekelen; kraken; aftroeven; de grond in trappen; op de korrel nemen; roskammen; de vloer aanvegen met; (3) afwerken; afmaken; afdoen; afhandelen; [問題を] afwikkelen; afronden; komaf maken met; wegdoen; wegwerken; zich ontdoen van; uit de weg ruimen; (4) aandurven te ~; durven te ~; wagen te ~; het bestaan te ~; zo brutaal zijn te ~; het lef hebben te ~; erdoorheen sukkelen; met vallen en opstaan het einde halen; het klaarspelen; het gedaan krijgen; het voor elkaar boksen; het bolwerken; het fiksen; stellen; flikken; opknappen; schiemannen; lappen; het 'm leveren; het presteren om ~; het rooien; weten te ~; (5) vreten; zuipen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.78 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 35 treffers (zoekopdracht: 'afdoen'). 
2005-2026