日蘭辭典+

59 resultaten voor ‘passend’
日蘭辭典 (trefwoord)
atarimae當前
(當たり前・當り前) bn. (1) [當然の] redelijk; billijk; passend; behoorlijk. (2) [勿論の] vanzelf sprekend. (3) [通常の] gewoon; gebruikelijk; normaal. ¶ 當前の natuurlijk; noodzakelijk.
atehameru當嵌める
(当て嵌める・当てはめる) t.w. toepassen; geschikt maken voor; passend maken.
atsuraemuki no誂向きの
(誂え向き) bn. juist geschikt; juist passend; gemaakt voor; geknipt voor; het ware voor.
jitekisuru自適する
i.w. tevreden zijn met het lot; een passend bestaan leiden.
tadashii正しい
bn. (1) [正當な] rechtvaardig; billijk. (2) [正直な] eerlijk. (3) [眞實な] waar. (4) [適當] juist. ¶ 正しい eerlijk man. ¶ 正しき語法 juist gebruik van woorden. ¶ 正しい方法 de goede manier; de ware weg. ¶ 血統の正しい van zuiver bloed.
SUPPLEMENT (trefwoord)
yoroshikuよろしく、宜しく
bw. (1) goed; behoorlijk; geschikt; passend (2) [groeten overbrengen] ¶ ご家族によろしくお伝え下さいGokazoku ni yoroshiku otsutae kudasai. Doe alsjeblieft de groeten aan je gezin [familie]. ¶ お父さんによろしく。Otōsan ni yoroshiku. Doe de groeten aan je Pa. (3) [introducties, zorgen voor] ¶ こんにちは。は田中一郎です。よろしくお願いします。♂ Konnichi wa. Boku wa Tanaka Ichirō desu. Yoroshiku onegaishimasu. Hallo! Ik ben Ichiro Tanaka. Leuk jullie te ontmoeten (lett. [behandel] mij behoorlijk). ¶ 息子をよろしくお願いします。 Musuko wo yoroshiku onegaishimasu. Zorg alstublieft goed voor mijn zoon.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <passend>
いみじく imijiku (1) [~] uitstekend; voortreffelijk; prachtig; geweldig; (2) [~] passend; treffend
ちゃんとした chantoshita keurig; ordelijk; geordend; net; gepast; passend; juist; fatsoenlijk; welvoeglijk; betamelijk; [~職業] vast; [~妻] wettig
ぴったりした pittarishita (1) juist; gepast; geschikt; geëigend; passend; (2) dicht; spannend; strak; nauw; nauwsluitend; strakgespannen; krap; hermetisch; [veroud.] streng
ぴったりの pittarino juist; gepast; geschikt; geëigend; passend
不調和な fuchōwana onharmonisch; disharmonisch; disharmoniërend; niet overeenstemmend; dissonant; dissonerend; detonerend; uit de toon vallend; misstaand; incongruent; slecht (bij elkaar) passend; [muz.] onwelluidend; wanluidend
似合い niai (goed bij elkaar) passend; (op elkaar) afgestemd; geschikt
ri (1) winst; opbrengst; profijt; (2) geschiktheid; opportuniteit; (3) voordeel; nut; (4) rente; interest; intrest; (a) scherp; snedig; scherpzinnig; schrander; (b) geschikt; passend; nuttig; voordelig; (c) winst; baat; buit; (d) rente; interest
好い加減 īkagen (1) gematigd; matig; (2) juist; gepast; geschikt; passend; adequaat; aangewezen; geëigend; (3) lukraak; willekeurig; ongegrond; ongefundeerd; gratuit; boud; (4) niet erg overtuigend; twijfelachtig; onvolkomen; halfslachtig; half; halfbakken; met de Franse slag gedaan; lauw; mat; lauwhartig; niet erg enthousiast; halfhartig; vrijblijvend; vaag; onbestemd; een slag om de arm houdend; onzorgvuldig; zozo; maar net aan; (5) enigszins; tamelijk; redelijk; nogal; vrij
好い加減な īkagenna (1) gematigd; matig; (2) juist; gepast; geschikt; passend; adequaat; aangewezen; geëigend; (3) lukraak; willekeurig; ongegrond; ongefundeerd; gratuit; boud; (4) niet erg overtuigend; twijfelachtig; onvolkomen; halfslachtig; half; halfbakken; met de Franse slag (gedaan); lauw; mat; lauwhartig; niet erg enthousiast; halfhartig; vrijblijvend; vaag; onbestemd; een slag om de arm houdend; onzorgvuldig
好い加減に īkagenni (1) gematigd; matig; met mate; met matigheid; (2) juist; gepast; passend; adequaat; behoorlijk; voegzaam; (3) op goed geluk (af); lukraak; er maar op los; in het wilde weg; op de tast; op de gok; op de pof; zomaar wat; willekeurig; ongegrond; ongefundeerd; zonder grond; zonder (enige) basis; (4) niet erg overtuigend; halfslachtig; lauw; niet erg enthousiast; met de Franse slag; halfhartig; vrijblijvend; een slag om de arm houdend; onzorgvuldig; zozo; maar net aan
好都合 kōtsugō gunstig; geschikt; passend; gelegen komend; handig; van pas komend; opportuun; conveniënt; favorabel
妥当 datō (1) terechtheid; gepastheid; juistheid; passendheid; billijkheid; gerechtvaardigdheid; adequatie; toepasselijkheid; passendheid; geëigendheid; geschiktheid; gegrondheid; steekhoudendheid; [veroud.] validiteit; (2) terecht; gepast; aangewezen; juist; billijk; gerechtvaardigd; adequaat; toepasselijk; passend; geëigend; geschikt; gegrond; steekhoudend; valabel; [veroud.] valide
妥当な datōna terecht; gepast; aangewezen; juist; billijk; gerechtvaardigd; adequaat; toepasselijk; passend; geëigend; geschikt; gegrond; steekhoudend; valabel; [veroud.] valide
宜しい yoroshii (1) passend; gelegen (komend); goed te keuren; geoorloofd; geschikt; (2) goed; (3) akkoord; nou goed; (4) neen; bedankt
宜しく;宜敷 yoroshiku (1) goed; zoals het hoort; gepast; op de juiste manier; geschikt; in orde; passend; naar eigen goedvinden; (2) de groeten aan ~; (3) als ware ~; alsof ~; (4) aangenaam (met u kennis te maken); (5) laten we goed met elkaar opschieten
gi (1) het passend-zijn; het geschikt-zijn; passendheid; geschiktheid; (a) geschikt; passend; gepast; goed; juist
当たり前の atarimaeno (1) passend; juist; gepast; fair; billijk; behoorlijk; [~罰] verdiend; (2) gegrond; terecht; gerechtvaardigd; verantwoord; logisch; redelijk; rechtmatig; vanzelfsprekend; (3) normaal; natuurlijk; gewoon; gebruikelijk
当然の tōzenno rechtvaardig; fair; eerlijk; billijk; verdiend; passend; juist; gepast; terecht; rechtmatig; gerechtvaardigd; natuurlijk; logisch; vanzelfsprekend
応分 ōbun (1) [~の] passend; geschikt; aangewezen; gepast; billijk; schappelijk; (2) [~の] behapbaar; haalbaar; (3) [~の] behoorlijk; fatsoenlijk; redelijk; [Belg.N.] treffelijk
思わしい omowashii (1) tevredenstellend; bevredigend; voldoening schenkend; (2) wenselijk; gewenst; geschikt; passend; (3) gunstig
手頃 tegoro (1) handig; praktisch; gerieflijk; handzaam; (2) geschikt; gepast; passend; voegzaam; schappelijk; redelijk; billijk
手頃な tegorona (1) handig; praktisch; gerieflijk; handzaam; (2) geschikt; gepast; passend; voegzaam; schappelijk; redelijk; billijk
方便 hōben (1) [boeddh.] upāya [= hulpmiddel om tot de ware leer te komen]; (2) [esoterisch boeddh.] upāya [= volmaakte toepassing van zelfbegunstiging en altruïsme]; (3) hulpmiddel; redmiddel; expediënt; middeltje; ressource; (4) gelegen komend; opportuun; passend; geschikt; handig
旨い umai (1) lekker; smakelijk; heerlijk; delicieus; (2) passend; gelegen komend; handig; conveniënt; gunstig; geschikt
正しい tadashii (1) correct; juist; goed; zuiver; waar; recht; [m.b.t. antwoord e.d.] kloppend; (2) correct; juist; gepast; aangewezen; terecht; passend; gerecht; billijk; gerechtvaardigd; rechtmatig; (3) braaf; goed; deugdzaam; rechtschapen
正当な seitōna (1) eerlijk; fatsoenlijk; fair; billijk; schappelijk; rechtvaardig; redelijk; (2) gepast; aangewezen; passend; juist; gerechtvaardigd; gewettigd; adequaat; geëigend; geschikt; geijkt; gegrond; steekhoudend; valabel; legitiem; verantwoord; [veroud.] valide
正当 seitō (1) eerlijk; billijk; fair; schappelijk; redelijk; rechtvaardig; fatsoenlijk; (2) gepast; aangewezen; passend; juist; gerechtvaardigd; gewettigd; adequaat; geëigend; geschikt; geijkt; gegrond; steekhoudend; valabel; legitiem; verantwoord; [veroud.] valide
然るべき shikarubeki (1) geëigend; aangewezen; passend; gepast; toepasselijk; juist; geschikt; bekwaam; behoorlijk; (2) […て~] voordehandliggend; terecht; logisch; billijk; vanzelfsprekend; [Belg.N.] evident; (3) voorbestemd; gedoodverfd; te verwachten; (4) mogelijk; aannemelijk; plausibel; (5) voortreffelijk; uitstekend; prima; degelijk
然る saru (1) een of andere; een zekere; een bepaalde; ene; (2) gepast; passend; aangewezen; (3) zo'n; zulk; zo een
相当 sōtō (1) passend; geschikt; gepast; evenredig; voegzaam; geëigend; toepasselijk; in aanmerking komend; doelmatig; berekend op; (2) behoorlijk; flink; heel; redelijk; aardig; aanmerkelijk; merkelijk; aanzienlijk; beduidend; considerabel; (3) behoorlijk; flink; heel; redelijk; aardig; tamelijk; aanmerkelijk; merkelijk; aanzienlijk; considerabel; nogal wat; best wel; vrij
相当な sōtōna (1) passend; geschikt; gepast; evenredig; voegzaam; geëigend; toepasselijk; in aanmerking komend; doelmatig; berekend op; (2) behoorlijk; flink; heel; redelijk; aardig; aanmerkelijk; merkelijk; aanzienlijk; considerabel
相応 sōō geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk
相応しい fusawashii geschikt; gepast; passend; behoorlijk; voegzaam; betamelijk
相応した sōōshita geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk; [〃値段] ordentelijk; schappelijk
相応な sōōna geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk; [〃値段] ordentelijk; schappelijk
相応に sōōni geschikt; gepast; passend; voegzaam; betamelijk; behoorlijk; billijk
真面 matomo (1) [~に] pal van voren; vlak in het gezicht; en face; recht; lijnrecht; precies tegenover; (2) keurig; correct; eerlijk; rechtgeaard; ernstig; zichzelf respecterend; normaal; (3) degelijk; fatsoenlijk; passend; netjes; behoorlijk; gepast
確当 kakutō (1) overeenkomst; overeenstemming; correspondentie; (2) passend; gepast; geschikt; adequaat; toepasselijk; toepasbaar
程々に hodohodoni matig; met mate; passend; behoorlijk
程好い hodoyoi (1) juist; passend; geschikt; gunstig; (vrij) goed; (2) matig; gematigd; redelijk
穏当 ontō (1) redelijk; gepast; aanvaardbaar; passend; betamelijk; juist; geschikt; toepasselijk; (2) volgzaam; gedwee
良い;善い;好い;吉い;佳い;快い yoi (1) goed; juist; correct; (2) goed; knap; uitstekend; mooi; welgevallig; (3) geschikt; passend; (4) acceptabel; aanvaardbaar; geoorloofd; (5) makkelijk te ~; eenvoudig
適した tekishita gepast; geschikt; passend; adequaat; geknipt
適任 tekinin (1) aangewezen persoon; juiste man; vrouw; (2) geschikt; passend; gepast; geknipt; geëigend; uit het goede hout gesneden; bekwaam; competent; gekwalificeerd
適切 tekisetsu (1) gepastheid; geschiktheid; juistheid; adequatie; aangewezenheid; toepasselijkheid; raakheid; relevantie; pertinentie; (2) gepast; passend; juist; geschikt; behoorlijk; geëigend; adequaat; aangewezen; voegzaam; toepasselijk; treffend; raak; relevant; afdoend; pertinent; naar behoren; naar den eis
適切な tekisetsuna gepast; passend; juist; geschikt; geknipt; geëigend; adequaat; aangewezen; voegzaam; toepasselijk; treffend; raak; ad rem; relevant; afdoend; pertinent
適切に tekisetsuni passend; gepast; behoorlijk; naar behoren; voegzaam
適宜 tekigi geschikt; gepast; passend; toepasselijk; aangewezen; gelegen; juist
適宜な tekigina geschikt; gepast; passend; toepasselijk; aangewezen; gelegen; juist
適宜に tekigini (1) geschikt; gepast; passend; (2) volgens eigen goeddunken; naar eigen believen; naar verkiezing; naar smaak; naar wens; naar eigen oordeel; naar eigen inzicht; naar bevind van zaken
適当 tekitō (1) geschiktheid; gepastheid; toepasselijkheid; (2) gepast; geschikt; doelmatig; bekwaam; passend; voegzaam; toepasselijk; geëigend; aangewezen; adequaat; treffend; juist; billijk; (3) gepast; juist schikkend; niet overdreven; vrijblijvend; neutraal
適当な tekitōna (1) gepast; geschikt; passend; voegzaam; toepasselijk; geëigend; aangewezen; adequaat; treffend; juist; billijk; (2) gepast; juist schikkend; niet overdreven; vrijblijvend; neutraal
適正 tekisei passend; billijk; redelijk; schappelijk; fair; geschikt; juist; correct; terecht
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.17 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 53 treffers (zoekopdracht: 'passend'). 
2005-2026