RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <vallen>
うとうとする utōtosuru (1) indutten; indommelen; insluimeren; in slaap sukkelen; vallen; slaperig zijn; (2) sluimeren; dommelen; suffen; soezen; dutten; een dutje doen; een uiltje knappen
下がる sagaru (1) dalen; zakken; naar beneden komen; [ズボン;靴下が] afzakken; zinken; (2) neerhangen; omlaag hangen; afhangen; [カーテンが] vallen; (3) achteruitgaan; achterwaarts gaan; naar achteren wijken; achteruitwijken; (4) [段階;程度;数値が] dalen; naar beneden gaan; afnemen; zakken; minder worden; teruglopen; minderen
下りる oriru (1) afdalen; neerdalen; naar beneden komen; afgaan; zich naar beneden begeven; afklimmen; afklauteren; [馬から] van een paard stijgen; afkomen; afstijgen; afstappen; [幕が] vallen; (2) uit een voertuig stappen; uitstappen; uitstijgen; (3) [鳥が] na een vlucht zich neerzetten; neerstrijken; landen; (4) zich vormen; zich vertonen; [霜が] rijpen; [gew.] rijmen; [露が] dauwen; (5) een miskraam hebben; een abortus hebben; een expulsie hebben; (6) (uit het lichaam) afgescheiden worden; uitgescheiden worden; als excretie het lichaam verlaten; (7) (in het midden van iets) opgeven; ophouden; uitvallen; (8) [許可証が] verleend worden; uitgereikt worden; afgegeven worden; verstrekt worden; [Belg.N.] afgeleverd worden; [年金が] toegekend worden; toegestaan worden
下る kudaru (1) afdalen; naar beneden gaan; afkomen; (2) vallen; neerkomen; neerdalen; (3) [川を〜] afvaren; afdrijven; stroomafwaarts varen; gaan; afgaan; (4) [都から地方へ〜] gaan; het land op gaan; naar het platteland gaan; (5) [命令が〜] afkomen; gegeven worden; afgekondigd worden; uitgevaardigd worden; (6) diarree hebben; buikloop hebben; (7) zich terugtrekken; ontslag nemen; (8) achterstaan bij …; minder zijn dan …; (9) zich overgeven; zich gewonnen geven; de strijd opgeven; (10) nederig zijn; deemoedig zijn; ootmoedig zijn; (11) achteruitgaan; vervallen; aftakelen
下降する kakōsuru achteruitgaan; zinken; vallen; ondergaan; afdalen
倒れる taoreru (1) vallen; omvallen; onderuitgaan; omgaan; omslaan; [後ろに] achteroverslaan; neervallen; [あおむけに] achterovervallen; neertuimelen; kiepen; neergaan; neerkomen; omvergaan; neerzijgen; omtuimelen; omvertuimelen; tuimelen; omkantelen; omverkantelen; kantelen; omwippen; omduikelen; duikelen; [inform.] omkiepen; omkieperen; [inform.;scherts.] omkukelen; [建物が] omstorten; instorten; ineenstorten; tegen de vlakte gaan; [船が] kapseizen; kenteren; [稲が] gaan legeren; (2) erbij neervallen; instorten; inklappen; ineenzakken; inzakken; in elkaar zakken; in elkaar klappen; afknappen; het begeven; een instorting; inzinking krijgen; plat gaan; [病に] ziek worden; (3) [fig.] vallen; ten val komen; te gronde gaan; ten onder gaan; tenietgaan; [sportt.] verliezen; het afleggen tegen; een nederlaag lijden; in het stof; zand bijten; (5) failliet gaan; failleren; bankroet gaan; buitelen; over de kop gaan; eronderdoor gaan; op de fles; flacon gaan; springen; een sprong door de ton doen; zich ruïneren; de boeken neerleggen; [veroud.] naar Vianen gaan
斃れる;殪れる;仆れる taoreru bezwijken; vallen; omkomen; overlijden; sterven; doodvallen; eraan gaan; de dood vinden; aan zijn einde komen; om het leven komen; [form.;w.g.] succumberen; [i.h.b.] sneuvelen; in het stof; zand bijten
墜落する tsuirakusuru vallen; neerstorten; crashen; [Belg.N.;niet alg.] stuiken
外れる hazureru (1) loskomen; losraken; losgaan; [onoverg.] loslaten; uit [het lid;de hengsels;de rails enz.] raken; afkomen; afraken (van); afvallen; verlaten; [de stad enz.] uitgaan; (2) erbuiten vallen; ernaast zitten; het mis hebben; niet in [het bestek;de prijzen enz.] vallen; missen; in [zijn verwachting enz.] bedrogen uitkomen; teleurgesteld worden; (3) afwijken van; afdwalen van; afdrijven; ingaan tegen; in strijd zijn met
失敗する shippaisuru mislukken; falen; mislopen; misgaan; afketsen; geen succes hebben; niet slagen; het er slecht afbrengen; er slecht afkomen; [試験に] niet halen; zakken voor; afgaan; echec lijden; floppen; [劇が] vallen; fiasco lijden; er niets van terecht brengen; miskleunen; blunderen; een stommiteit begaan; zich lelijk vergissen; een stomme fout begaan; maken; in de fout gaan; een misstap doen; [uitdr.] een bok schieten; maken; [uitdr.] een flater slaan; begaan; [fig.] zich vergalopperen; [uitdr.;Barg.] een zeperd halen
就く tsuku (1) [werk enz.] vinden; [een functie;ambt;leeropdracht enz.] aanvaarden; [aan het bewind;op de troon enz.] komen; [de troon] bestijgen; beklimmen; [in een nieuwe baan enz.] beginnen; [bij het leger enz.] dienst nemen; [aan het werk enz.] tijgen; (2) [m.b.t. reis] aanvaarden; aanvangen; [in slaap] vallen; [m.b.t. de wacht] betrekken; [in de verdediging enz.] gaan; (3) les; college lopen (bij); studeren (bij); [de weg van de minste weerstand enz.] volgen
居眠り運転する inemuriuntensuru achter het stuur in slaap sukkelen; vallen
引っ繰り返る;ひっくり返る hikkurikaeru (1) kantelen; keren; omkantelen; omvallen; [inform.] omkukelen; omvervallen; kapseizen; omslaan; omdraaien; kenteren; omklappen; tuimelen; omtuimelen; culbuteren; [inform.] omkiepen; [inform.] omkieperen; (2) vallen; ten val komen; mislukken; in duigen vallen; overhoop raken; [i.h.b.] op zijn rug gaan liggen; [i.h.b.] achterovervallen
抜ける;脱ける nukeru (1) doorsteken; [de doelman enz.] passeren; [een tunnel enz.] doorgaan; doortrekken; lopen door; [i.h.b.] doorboren; (2) [van haar;tanden] uitvallen; losgaan; losraken; loslaten; (3) aflaten; wijken; [m.n. van kracht;fut;pit] eruit gaan; het laten afweten; begeven; [fig.] verschalen; kwijtraken; (4) [ergens] uitraken; ertussenuit komen; ontkomen; wegkomen; ontlopen; ontsnappen; ontschieten; ontgaan; ontglippen; [m.n. een genootschap;wedstrijd;computerprogramma enz.] verlaten; zich terugtrekken; eruit gaan; ervandoor gaan; er tussenuit kletsen; (5) missen; ontbreken; wegvallen; mankeren; (6) wat mankeren; niet goed wijs zijn; niet goed bij zijn verstand zijn; (7) [van vesting;stad enz.] vallen
抱き合う dakiau elkaar omhelzen; elkaar omarmen; elkaar in de armen sluiten; drukken; klemmen; vallen; elkaar omvatten; elkaar omstrengelen; zich tegen elkaar aandrukken; de armen om elkaar slaan
拓 taku (a) openen; openleggen; baan breken; (b) een rubbing maken; (c) vallen; ten onder gaan
掛かる kakaru (1) ergens aanhangen; (2) gevangen worden; [手に] vallen; (3) gebouwd worden; aangelegd worden; gelegd worden; (4) kosten; nodig zijn; benodigd zijn; [時間が] duren; aanlopen
散る chiru (1) ruien; ruzelen; bloesems verliezen; bladeren afstrooien; [花;葉が] vallen; uiteenvallen; [i.h.b.] uiteendwarrelen; afdwarrelen; verdwarrelen; [lit.t.;w.g.] afzijgen; [gew.] ruiven; [gew.] rijzen; (2) her en der verspreid raken; (allerwegen) uiteengaan; uiteenstuiven; verstuiven; [波;花火が] uiteenspatten; uit elkaar gaan; verstrooid raken; zich verspreiden (over); zich verstrooien; (3) [インキ;墨が] uitvloeien; uitlopen; (4) [雲が] vervliegen; oplossen; [霧が] optrekken; [霧;痛みが] wegtrekken; [geneesk.;腫物が] slinken; vanzelf verdwijnen; (5) heldhaftig sneuvelen; vallen (op het veld van eer)
暴落する bōrakusuru snel; sterk; plotseling; scherp dalen; ineenstorten; kelderen; vallen; snel zakken; (naar beneden) duiken; (naar beneden) duikelen; in een vrije val raken; terechtkomen
殉国 junkoku z'n leven opofferen voor z'n vaderland; vallen; dood voor het vaderland
没落する botsurakusuru ineenstorten; vallen; ten onder gaan; ondergaan; instorten; te gronde gaan; in verval raken; naar de bliksem gaan; [uitdr.] naar Kapitein Jas gaan; [fig.] schipbreuk lijden
減少する genshōsuru afnemen; teruglopen; dalen; verminderen; zakken; slinken; minderen; krimpen; achteruitgaan; vallen
滅びる horobiru (1) vallen; ten onder gaan; het afleggen; ten val komen; vernietigd worden; vergaan; (2) uitsterven; uitgeroeid worden; het erbij inschieten; ophouden te bestaan
滅ぶ horobu (1) vallen; ten onder gaan; te gronde gaan; ondergaan; ten val komen; tenietgaan; verwoest; vernietigd worden; vergaan; vervallen; het afleggen; verloren gaan; teloorgaan; (2) uitsterven; uitgeroeid worden; het erbij inschieten; ophouden te bestaan; verdwijnen
滅亡する metsubōsuru (1) uitsterven; (2) ten onder gaan; te gronde gaan; ophouden te bestaan; vallen; vergaan; ondergaan
異彩を放つ isaiohanatsu opvallen; in het oog lopen; vallen; opmerkelijk zijn; uitmunten; uitblinken; schitteren; opzien baren; een wervelende; briljante indruk maken; een schitterend figuur slaan
直下する chokkasuru loodrecht naar beneden komen; vallen; neerstorten; vertikaal omlaag vallen
落ちる ochiru (1) vallen; ten val komen; neerstorten; neerdonderen; in het stof bijten; tuimelen; duiken; een duik nemen; (2) omvallen; invallen; instorten; neerstorten; in elkaar vallen; in elkaar storten; (3) [m.b.t. zon;maan etc.] ondergaan; achter de horizon verdwijnen; zakken; (4) niet slagen (bij een examen); struikelen; zakken; stralen; bakken; buizen; falen; sjezen; afgaan; (5) weglaten; uitvallen; achterwege laten; ontbreken; niet gebruiken; (6) verkleuren; verschieten; verbleken; bleek worden; vervalen; valer worden; (7) in de handen van de vijand vallen; ingenomen worden; vallen; raken bij; verloren gaan; te gronde gaan; (8) [m.b.t. een druppel) druppen;druppelen;in druppels neervallen;druipen;(9) vluchten;ontvluchten;de vlucht nemen;het hazenpad kiezen;de plaat poetsen;de benen nemen;er vandoor gaan;op de loop gaan;(10) terugvallen;achteruitgaan;een neerwaartse trend vertonen;een dalende trend vertonen;naar een ongunstige positie afzakken;(11) inferieur zijn;achterstaan bij;niet zo goed zijn als;minder zijn dan;niet kunnen tippen aan;(12) [m.b.t. wind) luwen;gaan liggen;bedaren;kalmer worden;verzachten;(13) [m.b.t. rivier;stroom etc.] uitmonden in; instromen in; uitlopen in; (14) [m.b.t. bliksem) inslaan;treffen;(15) [m.b.t. vissen] stroomafwaarts gaan; stroomafwaarts zwemmen; (16) flauwvallen; bewusteloos vallen; het bewustzijn verliezen; van zijn stokje vallen; van zijn stokje gaan; bezwijmen; sterven; doodgaan; overlijden; ontslapen; heengaan
落っこちる okkochiru (1) vallen; storten; tuimelen; (2) [試験に] zakken; struikelen; (3) verliefd worden
落下する rakkasuru vallen; storten; neervallen; neerkomen; neerstorten; naar beneden komen
落城する rakujōsuru (1) [城が] vallen; ingenomen worden; ten onder gaan; zich overgeven; (2) [fig.] zwichten; zich gewonnen geven
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
解ける tokeru (1) losraken; losgaan; loskomen; loslaten; [i.h.b.] tornen; (2) wijken; slinken; verdwijnen; overgaan; opgehelderd raken; uit de wereld raken; (3) opgeheven raken; ontheven raken; komen te vervallen; [束縛が] vallen; bevrijd raken van; (4) zich ontspannen; [警戒が] verslappen; (5) opgelost raken; [数学の問題が] uitkomen; (6) [雪;氷が] smelten; versmelten; dooien; ontdooien
転ける kokeru (1) vallen; omvallen; [会社が] overkop gaan; over de kop gaan; failliet gaan; (2) [女色へ] toegeven aan; zich overgeven aan; te buiten gaan aan; zich bezondigen aan; (3) [女が] zich geven aan; naar bed gaan met; (4) [芝居が] floppen; een flop zijn
転ぶ korobu (1) rollen; zich wentelend voortbewegen; omrollen; (2) vallen; omvallen; struikelen; ten val komen
転落する tenrakusuru vallen; tuimelen; een val; tuimeling maken; ten val komen; neertuimelen; neervallen; [van de trap enz.] rollen; [de trap enz.] afrollen; [Belg.N.] stuiken; [fin.;m.b.t. koers] sterk dalen
重なる kasanaru opstapelen; overlappen; gedeeltelijk samenvallen; [op dezelfde dag] vallen; gebeuren [het ene na het andere]
降る furu (1) [m.b.t. neerslag] uit de hemel neervallen; komen; neerdalen; vallen; (2) [雨が] regenen; [Barg.] majemen; (3) [小雨が] licht; zachtjes regenen; druppelen; motregenen; stofregenen; miezeren; [inform.] piesen; [inform.] pissen; [gew.] afsabberen; [gew.] miezelen; [lit.t.] afzijgen; [w.g.] zijgen; [arch.] neerzijgen; (4) [雪が] sneeuwen; het sneeuwt; er valt sneeuw; er is sneeuwval; (5) [霰;雹が] hagelen
降下する kōkasuru afdalen; dalen; vallen; neergaan; naar beneden gaan; [飛行機が] hoogte verliezen; zakken; [急に] duiken; een duik nemen; duikelen; [inform.] kukelen
降 kō (1) overgave; (a) uit een hoger gelegen punt naar beneden komen; vallen; (b) uit de lucht vallen; (c) in rang verlagen; (d) zich overgeven; (e) sindsdien
陥る ochīru terechtkomen; aanbelanden; vallen
隷属する reizokusuru ondergeschikt zijn; onderhorig zijn; afhankelijk zijn; onderworpen zijn; onder toezicht staan van; vallen; staan onder
零れる;翻れる koboreru (1) overlopen; morsen; vallen; (2) zich verspreiden; verspreid raken; slingeren