日蘭辭典+

36 resultaten voor ‘aandoen’
日蘭辭典 (trefwoord)
kikō寄港
zn. aandoen van een haven. ¶ 寄港する een haven aanloopen.
kōshoku公職

zn. openbaar ambt o. ¶ 公職を汚す zijn ambt schande aandoen; zich laten omkoopen.

kudasaru下さる

t.w. (1) [與へる] geven; schenken. (2) [依賴の意] zoo goed zijn om; zoo vriendelijk zijn; de welwillendheid hebben. (3) [敬意として] u verwaardigen; mij de eer aandoen; als het u belieft; geliefen. ¶ 何か下さい geef mij iets. ¶ 此金は私に下さるのですか is dit geld voor mij bestemd? ¶ 聞いて下さい luister eens. ¶ 今少しお待ち下さい wees zoo goed nog even te wachten.

yorimichi suru寄道する
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aandoen>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
おむつをする omutsuwosuru een luier omdoen; aandoen
おむつを当てる omutsuwoateru een luier omdoen; aandoen
おむつを替える omutsuwokaeru een baby een schone luier omdoen; aandoen
与える ataeru (1) geven; verlenen; toekennen; begiftigen; verstrekken; aandoen; bedelen; [影響を〜] uitoefenen; invloed hebben op
停車する teishasuru (1) [m.b.t. wagen;spoorwagen] tot stilstand brengen; (doen) stoppen; halt doen houden; (2) [m.b.t. wagen;spoorwagen] stoppen; tot stilstand komen; een stop maken; halt houden; maken; aandoen; (3) [m.b.t. verkeersreglement] stilstaan
入れる ireru (1) plaatsen in; indoen; inzetten in; inbrengen in; (2) inschenken; ingieten; bijgieten; (3) toevoegen; bijvoegen; invoegen; (4) binnenlaten; laten binnenkomen; (5) [iemand;bv. patiënt;student;gast etc.] toelaten; onder zijn hoede nemen; (6) kunnen bevatten; plaats hebben voor; groot genoeg zijn voor; ruim genoeg zijn voor [een bepaald aantal personen]; (7) aanwerven; aanbrengen; in dienst nemen; ronselen; rekruteren; (8) luisteren naar [een advies;verzoek;visie van iemand anders etc.]; gehoor geven aan; (9) tolereren; dulden; aanvaarden; begrip hebben voor; begrijpen; pikken; (10) samengaan; kunnen samengaan; verenigbaar zijn; compatibel zijn; consistent zijn; (11) meerekenen; meetellen; incalculeren; inbegrepen zijn; (12) [茶;こーひーを] maken; zetten; (13) [すいっちを] aanswitchen; aansteken; aandraaien; aanzetten; aandoen; aanknippen; in werking stellen; zetten; inschakelen
動かす ugokasu (1) in beweging brengen; doen bewegen; bewegen; aandrijven; drijven; (2) verplaatsen; verzetten; de positie van iets veranderen; elders; anders zetten; (3) doen schommelen; schommelen; schudden; (4) rijden; [een voertuig] besturen; [een machine;toestel] doen functioneren; bedienen; laten draaien; laten werken; aan de gang brengen; aan de praat brengen; (5) [een leger;troepen;mankracht] mobiliseren; inzetbaar maken; voor actie klaarmaken; (6) veranderen; wijzigen; [binnen een bedrijf personeel] herschikken; (7) ontkennen; (8) [心を] roeren; ontroeren; treffen; in beroering brengen; in het gemoed treffen; aangrijpen; aanpakken; tot het gemoed spreken; invloed hebben op; aandoen; beïnvloeden; prikkelen
召す;見す mesu (1) ontbieden; roepen; willen zien; (2) [こーとを] aantrekken; dragen; aandoen; (3) [お風呂を] een bad nemen; baden; (4) [お風邪を] kou vatten; (5) [お年を] in jaren vorderen; (6) [乗り物を] een vervoermiddel nemen; (7) kopen; (8) [お気に] gelukkig; blij zijn met; aanstaan; bevallen; bekoren
寄る;凭る;倚る yoru (1) naderen; dichterbij komen; opschuiven; toekomen (op iem.); (2) samenkomen; bijeenkomen; zich verzamelen; elkaar ontmoeten; vergaderen; elkaar treffen; (3) (even) langskomen (bij iem.); langsgaan; even aanlopen; (terloops) kort bezoeken; aandoen; aankomen bij; (4) zich aan één kant verzamelen; uitwijken; opzij gaan; neigen naar; (5) leunen op; leunen tegen; rusten op; (6) worstelend voortduwen; (7) zich opstapelen; zich opeenhopen; (8) [m.b.t. markt;beurshandel] beginnen
寄港する kikousuru [scheepv.] aanlopen; aandoen; aanleggen; binnenlopen; binnenvallen
履く;穿く;佩く haku (1) [een broek;schoenen;kousen enz.] aantrekken; aandoen; [i.h.b.] zich schoeien; (2) [het zwaard enz.] aangorden; omgorden; omdoen; om het middel binden
差す sasu (1) schijnen; lichten; gloeien; stralen; (2) [m.b.t. blos enz.] te voorschijn komen; over zich krijgen; zich manifesteren; (3) [m.b.t. boze macht enz.] varen in; [form.] vaardig worden over; (4) gieten; schenken; uitschenken; inschenken; serveren; vullen; [m.b.t. oogdruppels e.d.] toedienen; (5) aanbrengen; opdoen; [m.b.t. olie] smeren; (6) toevoegen; bijvoegen; erbij doen; (7) [m.b.t. paraplu e.d.] opsteken; omhoogbrengen; omhoogsteken; omhoog houden; (8) [m.b.t. zwaard] aangorden; aandoen; (9) [scheepv.] voortbomen; doen varen; doen voortbewegen; [w.g.;lit.t.] doen reilen; (10) [m.b.t. borrel] aanbieden; bieden; schenken; offreren
帯びる;佩びる obiru (1) [刀を] dragen; aangorden; aandoen; om het middel (vast)binden; (2) belast zijn met; als toegewezen taak hebben; verantwoordelijk zijn voor; (3) een zweem hebben van; over zich hebben; dragen; [形状を] aannemen
引き起こす hikiokosu (1) veroorzaken; doen ontstaan; aanrichten; uitlokken; aanleiding geven tot; aanleiding zijn tot; tot gevolg hebben; ten gevolge hebben; teweegbrengen; berokkenen; aandoen; aanstichten; op gang brengen; voortbrengen; verwekken; leiden tot; [fig.] het startschot geven voor; [onheil] aanbrengen; [vragen] opwerpen; oproepen; in het leven roepen; (2) [iets dat gevallen is] omhoogtrekken; helpen opstaan; [luchtv.] optrekken; (3) opnieuw doen herleven; nieuw leven geven aan; nieuw leven inblazen; weer op gang helpen; tot nieuwe bloei brengen
思える;想える omoeru (1) dunken; voorkomen; toelijken; toeschijnen; aandoen; lijken; (2) kunnen denken; (3) kunnen geloven; kunnen overtuigd zijn; vast kunnen vertrouwen op; (4) geneigd kunnen zijn; de neiging kunnen hebben tot; (5) kunnen beschouwen als; kunnen bezien als; kunnen vinden dat; kunnen houden voor; kunnen menen; kunnen veronderstellen ~ te zijn; (6) kunnen verwachten; kunnen hopen; kunnen rekenen op; kunnen voorzien; (7) kunnen vrezen dat; kunnen bang zijn dat; kunnen bevreesd zijn dat; (8) zich kunnen verbeelden; zich kunnen voorstellen; zich kunnen indenken; zich een beeld kunnen vormen van; (9) kunnen veronderstellen; kunnen aannemen; kunnen gissen; kunnen berekenen; ervan uit kunnen gaan dat; (10) zich kunnen herinneren; (11) van plan kunnen zijn te; de intentie kunnen hebben te; (12) kunnen wensen; kunnen verlangen; kunnen willen; kunnen begeren; (13) geïnteresseerd kunnen zijn in; belangstelling kunnen hebben voor; (14) kunnen beminnen; kunnen liefhebben; verliefd kunnen worden op; verliefd kunnen zijn op; kunnen verlangen naar; (15) zich kunnen afvragen of; (16) kunnen verdenken van; kunnen wantrouwen; kunnen mistrouwen; kunnen verdenken te
感動させる kandousaseru aandoen; emotioneren; ontroeren; aangrijpen
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
掛ける kakeru (1) ophangen; hangen; behangen; [鉤に〜] vasthaken; [十字架に〜] slaan; [審議に〜] aanhangig maken; (2) zetten tegen; plaatsen tegen; (3) bedekken; afdekken; spreiden over; overspreiden; overdekken; leggen op; [火に〜] op het vuur zetten; (4) [けーぶるを〜] leggen; [橋を〜] aanleggen; slaan; bouwen; installeren; (5) gaan zitten; plaatsnemen; zich neerzetten; (6) besprenkelen; gieten over; uitgieten over; begieten; bestrooien; [火を〜] in brand steken; [さらだにどれっしんぐを〜] aanmaken; (7) [眼鏡を] opzetten; [しょーるを〜] omdoen; bekleden met; aankleden; (8) [ぼたんを〜] dichtdoen; vastmaken; [錠を〜] sluiten; grendelen; vergrendelen; (9) [電話を〜] telefoneren; bellen; opbellen; een telefoontje plegen; [電報を〜] telegraferen; (10) wegen; het gewicht vaststellen; (11) vermenigvuldigen; (12) [望みを〜] een wens doen; z'n hoop vestigen op; [問いを〜] richten; [思いを〜] verliefd worden op; [人に…の疑いを〜] aankijken op; (13) [税を〜] opleggen; heffen; [面倒を] berokkenen; veroorzaken; bezorgen; aandoen; [心配を〜] met bezorgdheid vervullen; bezorgdheid teweegbrengen; zorgwekkend zijn; zorgen baren; verontrusten; troebleren; (14) [機械を〜] aanzetten; [目覚し時計を〜] zetten; [みしんを〜] met; op de machine naaien; [あいろんを〜] strijken; [れこーど;CDを〜] opzetten; afdraaien; [時計のねじを〜] opwinden; (15) [暇;金を〜] besteden aan; (16) [賞金を〜] uitloven; (17) [診療に〜] onder medische behandeling plaatsen; onderwerpen aan; laten opnemen; [裁判に] voor het gerecht brengen; voor de rechter brengen; voorbrengen; laten voorkomen; consulteren; (18) [雌牛を雄牛に〜] stieren; naar; onder de stier brengen; laten paren; laten bollen; (19) [心に〜] denken aan; in acht nemen; in gedachten houden; voor ogen houden; rekening houden met; zich aantrekken; ter harte nemen; indachtig zijn; gedachtig zijn; onthouden
敬意を表する keiiwohyousuru eer bewijzen; aandoen; hulde doen; brengen; eerbied betonen; een blijk van achting geven; z'n respect betuigen
服す fukusu (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
服する fukusuru (1) volgen; [命令に] opvolgen; gevolg geven aan; luisteren naar; zich voegen naar; zich schikken naar; gehoorzamen; nakomen; naleven; zich onderwerpen aan; buigen voor; zich neerleggen bij; toegeven aan; (2) [兵役に] dienen bij; in dienst zijn van; vervullen; [喪に] aannemen; [刑に] ondergaan; uitzitten; boeten; (3) doen volgen; (4) aantrekken; aandoen; zich kleden; (5) drinken; innemen; slikken
点ける tsukeru aandoen; aansteken; ontsteken; [火を] aanmaken; maken; [電灯を] doen branden; [たばこに火を] opsteken; [らじおを] aanzetten; laten spelen; [がすを] het gas aansteken; de gaskraan opendraaien
着ける tsukeru (1) aanleggen; [scheepv.] (af)meren; (aan de wal) vastleggen; vastmaken; stilhouden; stoppen; parkeren; [aan de kant enz.] zetten; [i.h.b.] voorrijden (tot aan ~); (2) doen raken; ertegenaan brengen; in aanraking brengen met; [de eerste hand enz.] leggen aan; (3) [iem. in een bep. positie] brengen; plaatsen; zetten; doen zitten; doen plaatsnemen; zitting doen nemen in; (4) aantrekken; aandoen; zich [in het zwart enz.] steken; zich kleden; [een lint in het haar enz.] steken; [een broche enz.] opsteken; [m.b.t. masker] opzetten; aanbrengen; (5) zich eigen maken; zich verwerven; aanleren
着る;著る kiru (1) [服を] aantrekken; aandoen; zich aankleden; [素早く~] aanschieten
立ち寄る tachiyoru (1) naderen; nabij; dichterbij; naderbij komen; (2) langskomen; aanlopen; aandoen; binnenlopen; binnengaan; binnenwippen; aanwippen; onderweg bezoeken; langsgaan; aangaan
纏う matou (1) aantrekken; aandoen; zich hullen in; (2) winden om; slingeren om; (3) zich slingeren om; zich winden om; heendraaien om; rondhangen om; constant vergezellen
羽織る haoru [こーとを] aantrekken; aandoen; [急いで] aanschieten
行く;往く;逝く yuku (1) gaan; zich bewegen naar; zich begeven; stevenen; koersen; koers zetten; aangaan op; tijgen; varen; treden; trekken; [m.b.t. wegen] leiden; voeren; (2) komen; aankomen; arriveren; bereiken; bezoeken; aandoen; langskomen; (3) langsgaan; passeren; voorbijgaan; vlieden; vervlieden; verstrijken; verlopen; langskomen; langstrekken; voorbijlopen; wegstromen; vlieten; overwaaien; verdwijnen; (4) heengaan; sterven; verscheiden; verlaten; vertrekken; weggaan; afreizen; afvaren; (5) [als bruid;schoonzoon;adoptiekind enz.] toetreden tot haar; zijn nieuwe familie; (6) genoegen vinden; tevreden zijn; vergenoegd zijn; (7) vooruitgaan; vorderen; voortgaan; opschieten; gedaan worden; uitgevoerd worden; toegepast worden; vallen; uitvallen; uitpakken; aflopen; (8) ontstaan; opleveren; resulteren in; brengen; (9) komen; klaarkomen; [volkst.] aan zijn gerief komen; een orgasme krijgen; afgaan; [volkst.;m.b.t. mannen] schieten; (10) blijven ~ [drukt voortduring;voortgang van een handeling of toestand uit]
見舞う mimau (1) bezoeken [om te troosten]; er zijn medeleven gaan betuigen; (2) bezoeken; berokkenen; aandoen; [een klap e.d.] verkopen
身に付ける minitsukeru (1) aantrekken; aandoen; aan het lichaam doen; aankrijgen; (2) aanleren; zich eigen maken; machtig worden
食す osu (1) [hon.] regeren; bestieren; besturen; leiden; (2) [hon.] eten; drinken; nuttigen; gebruiken; (3) [hon.] aantrekken; aandoen; zich uitdossen
齎す motarasu brengen; aanbrengen; meebrengen; opleveren; aanrichten; aandoen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.75 sec. jiten.nl: 4 treffers, warandict: 32 treffers (zoekopdracht: 'aandoen'). 
2005-2026