RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <geven>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
De weergave van het Japans van de resultaten hieronder is gespeld in een vorm van
waapuro-spelling. De spelling komt overeen met de originele spelling in
hiragana in het Japans. De verschillen met de
Hepburn-spelling van de overige resultaten zijn eenvoudig:
| spelling |
uitspraak |
| uu |
lang aangehouden /oe/ (Hepburn spelling: ū) |
| ou |
lang aangehouden /o/ (Hepburn spelling: ō) |
| (soms, als in 酔う you "dronken zijn") uitspraak: /o/ + /oe/ |
| ei |
lang aangehouden /ee/ (dit is identiek in Hepburn spelling) |
| ha |
/ha/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling) |
| alleen voor het partikel は: uitspraak /wa/ |
| he |
/he/ (identiek aan Nederlands en Hepburn spelling |
| alleen voor het partikel へ: uitspraak /e/ |
[verberg]
お中元 ochuugen midjaarsgeschenk; geschenk dat mensen midden in het jaar (tussen 1 en 15 juli) geven
一発食らわす ippatsukurawasu iemand slaan met de vuist; iemand een opstopper verkopen; iemand een dreun verkopen; geven; iemand ervanlangs geven; klappen uitdelen
上がる agaru (1) [段を] opgaan; oplopen; opkomen; [坂を] opklimmen; beklimmen; [二階に] naar boven gaan; komen; (2) [幕が] opgaan; [遮断機が] omhooggaan; [狼煙;花火が] opstijgen; omhoogstijgen; de lucht in gaan; omhoogvliegen; [煙が] optrekken; [火の手が] oplaaien; [旗が] in top gaan; gehesen worden; [表彰の額が] opgehangen worden; [馬が] steigeren; [髪が] recht overeind gaan staan; te berge rijzen; [神が] opvaren; verrijzen; ten hemel klimmen; [声が] zich verheffen; geslaakt worden; [歓声が] weerklinken; [名が] beroemd worden; (3) [草が] uit de grond komen; uitkomen; opgroeien; opschieten; oprijzen; omhoogrijzen; opwassen; kiemen; (4) [水から] uit het water komen; [風呂;湯から] uit (het) bad komen; [陸に] op het droge komen; aan land gaan; landen; (5) [事実が] aan het licht komen; aan de dag komen; aan de oppervlakte komen; bovenkomen; gevonden worden; blijken; zich voordoen; zich manifesteren; optreden; [証拠が] voorhanden komen; [成果が] resultaat opleveren; [効果が] effect sorteren; uitwerking hebben; (6) [物価;血圧;気温が] stijgen; oplopen; opslaan; klimmen; toenemen; hoger worden; [econ.] aantrekken; [程度が] aan kracht winnen; verhevigen; groter worden; groeien; aangroeien; vermeerderen; [右肩が] hoger uitkomen; (7) [初舞台で] flippen; panikeren; de kluts kwijtraken; van de wijs raken; [Belg.N.] de trac in z'n lijf krijgen; (8) [利益が] opbrengen; opleveren; afwerpen; geven; afkomen; voortkomen; (9) [地位が] promotie maken; promoveren; klimmen; opklimmen; bevorderd worden; zich opwerken; (10) [成績;腕前が] verbeteren; vooruitgang boeken; [男ぶりが] er knapper op worden; opknappen; [意気が] opleven; opkikkeren; opgemonterd raken; opfleuren; [調子が] op dreef komen; op gang komen; in de stemming raken; (11) [大学に] aan de universiteit komen; [学校に] voor het eerst naar school gaan; beginnen; overgaan; (12) [座敷に] binnengaan; binnenkomen; binnentreden; ingaan; [舞台に] op het toneel komen; ten tonele komen; op het toneel verschijnen; opgaan; optreden; [妓楼に] bezoeken; naar de hoeren gaan; [お屋敷に] in dienst gaan; (13) [京都で] naar het noorden gaan; noordwaarts reizen; noordelijk trekken; [田舎から] naar het stedelijk gebied gaan; naar de grote stad; hoofdstad overkomen; [大阪で] naar het kasteel gaan; (14) teruggaan in tijd; opklimmen; dateren van; uit; (15) [仕事が] ten einde komen; afkomen; klaarkomen; gereedkomen; voltooid worden; afraken; (16) [双六;とらんぷ;まーじゃんで] winnen; uit zijn; (17) [雨が] ophouden; optrekken; [夕立が] wegtrekken; overgaan; [脈;月経;つわりが] stoppen; aflopen; [乳が] minder melk beginnen geven; aflaten; [ばってりーが] het laten afweten; leeglopen; (18) [魚;貝;虫が] sterven; [草木が] afsterven; verdorren; verwelken; [蚕が] zich verpoppen; beginnen te spinnen; (19) [商売が] kwakkelen; sukkelen; (20) [犯人が] gearresteerd worden; gevat worden; aangehouden worden; ingerekend worden; gesnapt worden; opgepakt worden; (21) [領地;役目が] verbeurdverklaard worden; geconfisqueerd worden; (22) [お灯明が] geofferd worden; gebracht worden; geschonken worden; (23) [貴人の膳が] afgeruimd worden; (24) [天ぷらが] gefrituurd worden; gebakken worden; (25) [hum.] gaan; op bezoek gaan; komen; z'n opwachting maken bij; langsgaan; langskomen; (26) [hon.] eten; drinken; nemen; nuttigen; gebruiken; (27) […~] klaar-; af-; gereed-; (28) […~] hevig …; intens …; compleet …; (29) […~] [krachtterm]
上げる ageru (1) heffen; opheffen; omhoogheffen; verheffen; oprichten; tillen; optillen; omhoogtillen; omhoogbrengen; liften; verhogen; eleveren; [凧を] oplaten; opsteken; [棚に] leggen op; opleggen; [帆を] hijsen; ophijsen; omhooghijsen; opbrengen; opvissen; [碇を] lichten; hieuwen; [陸に] landen; aan land zetten; [顔を] opkijken; (2) loven; prijzen; roemen; huldigen; ophemelen; hoog opgeven van; (3) opvoeren; doen toenemen; optrekken; opjagen; opdrijven; [温度を] hoger zetten; [すぴーどを] vergroten; (4) bevorderen; promoveren; (5) overgeven; braken; opgeven; kotsen; vomeren; over z'n nek gaan; [gew.] opbrengen; (6) [客を] binnenlaten; inlaten; brengen; leiden naar; geleiden; (7) [学校へ] op school doen; (8) geven; aanbieden; toedienen; offreren; schenken; voorzetten; [娘を] wegschenken; (9) offeren; ten offer brengen; (10) overhandigen; ter hand stellen; reiken; overreiken; (11) ten einde brengen; afdoen; afwerken; volbrengen; voltooien; (12) klaarspelen; gedaan weten te krijgen; (13) [式を] houden; vieren; celebreren; fêteren; (14) [例を] geven; vermelden; noemen; aanhalen; citeren; aanvoeren; leveren; opnoemen; opsommen; opgeven; opvissen; (15) [子を] krijgen; [母が] het leven schenken; baren; [父が] verwekken; (16) verbeteren; ontwikkelen; ontplooien; (17) [髪を] doen; opmaken; opsteken; kappen; (18) aanhouden; pakken; oppakken; vatten; inrekenen; snappen; in hechtenis nemen; in de kraag grijpen; arresteren; (19) [芸者を] bestellen; laten komen; erbij halen; uitnodigen; ontbieden; engageren; (20) frituren; in kokend vet bakken; braden; [gew.] fritten; (21) [結果を] behalen; bereiken; verkrijgen; verwerven; realiseren
下さる kudasaru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben om ~
下される kudasareru (1) geven; schenken; (2) eten; drinken; (3) zo goed zijn te ~; zo vriendelijk zijn te ~; de welwillendheid hebben te ~
下す;降す kudasu (1) neerlaten; laten zakken; strijken; (2) geven; schenken; verlenen; toekennen; (3) [命令を] uitvaardigen; [判決を] uitspreken; vellen; strijken; [結論を] trekken; (4) [自ら手を] doen; uitvoeren; verrichten; (5) [おなかを] buikloop; diarree hebben; [虫を] wormen hebben; (6) [敵を] verslaan; winnen van; overwinnen; kloppen
与える ataeru (1) geven; verlenen; toekennen; begiftigen; verstrekken; aandoen; bedelen; [影響を〜] uitoefenen; invloed hebben op
与 yo (a) partner worden; zich aansluiten bij; (b) betrokken raken; (c) geven; verlenen
予 yo (1) ik; (2) mezelf; mijzelf; (3) yo ☳☷ [Ch.: yù (verheugenis);één van de 64 hexagrammen;samengesteld uit de trigrammen donder (bovenaan) en aarde (onderaan)]; (a) geven; (b) vooraf; op voorhand; van tevoren; (c) vrolijker worden; zich verheugen; (d) talmen; treuzelen; (e) ik; (f) [afk.] provincie Iyo 伊予
付与する;附与する fuyosuru geven; schenken; toekennen; verlenen; bekleden met; begiftigen met; uitreiken
付 fu (a) overhandigen; geven; schenken; (b) hechten; bevestigen; zich vastzetten; (c) sturen; zenden; bezorgen; (d) aan een ander overlaten; toevertrouwen
休める;息める yasumeru (1) laten rusten; rust gunnen; geven; laten uitrusten; ontspannen; (2) terzijde leggen; er even mee ophouden; [inform.] nokken met; onderbreken; staken; op een laag; klein pitje zetten; aan de spijker hangen; (3) [畑を] braak; woest laten liggen; braken; onbebouwd laten; [gew.] vagen; [gew.] laten vogelweide liggen
供与する kyouyosuru geven; verschaffen; leveren; bezorgen; toekennen; voorzien van; schenken; verlenen
催す moyoosu (1) aandrang hebben tot; [眠気が] een aanvechting hebben van; tot; zich manifesteren; (2) teweegbrengen; opwekken; wekken; prikkelen; zich … voelen; [便意を] aandrang hebben; voelen; (3) [会を] houden; geven; organiseren; beleggen; bijeenroepen; samenroepen; convoceren
出す dasu (1) te voorschijn halen; uithalen; eruit halen; [gew.;お酒を〜] ophalen; naar buiten brengen; uitnemen; [とらんぷの札を〜] uitspelen; opspelen; zetten; [外に] uitlaten; buitenlaten; [水を〜] openzetten; laten lopen; lozen; (2) uitsteken; [旗を〜] uithangen; (3) uiten; slaken; [音;さいんを〜] geven; maken; produceren; (4) publiceren; uitgeven; uitbrengen; op de markt brengen; uitvaardigen; openbaren; tonen; [i.h.b.] onthullen; ontbloten; laten blijken; aan de dag leggen; tentoonspreiden; uitstallen; etaleren; (5) serveren; [料理を〜] opdienen; voorschotelen; te berde brengen; aankomen met; komen aanzetten met; leveren; afleveren; verschaffen; opgeven; verstrekken; aanbieden; presenteren; uitreiken; [証を〜] aanvoeren; (6) insturen; inzenden; inleveren; indienen; [新人選手を〜] inzetten; (7) sturen; zenden; afvaardigen; verzenden; opsturen; versturen; (8) uitsturen; uitzenden; [がすを〜] uitstoten; emitteren; [熱を〜] ontwikkelen; (9) doen vertrekken; [船を〜] uitzetten; [列車を〜] inleggen; (10) betalen; opbrengen; (11) veroorzaken; opleveren; voortbrengen; geven; [すぴーどを〜] halen; opdrijven; (12) [店;支店を〜] openen; beginnen; (13) […~] naar buiten …; uit-; (14) […~] beginnen te …; het op een … zetten
割愛 katsuai (1) verbreking van de genegenheid; gehechtheid; (2) het met spijt achterwege laten; weglaten; overslaan; het met tegenzin afstand doen van; het ongaarna laten varen; het met tegenzin opgeven; (3) het met spijt cadeau doen; het met moeite schenken; geven; afstaan; (4) [sericultuur] het scheiden van parende zijdevlinders
割愛する katsuaisuru (1) met spijt achterwege laten; weglaten; overslaan; met tegenzin afstand doen van; ongaarna laten varen; met tegenzin opgeven; (2) met spijt cadeau doen; met moeite schenken; geven; afstaan
参らせる mairaseru (1) vellen; afmaken; overwinnen; verslaan; kloppen; eronder krijgen; aan het kortste eind doen trekken; (2) [hum.] schenken; aanbieden; geven; aanreiken; (3) [hum.] […参らせる] doen; verrichten
反論する hanronsuru repliceren; van repliek dienen; weerwoord geven; weerwerk leveren; tegenspel leveren; geven; bieden; terugslaan op; een tegenpunt maken; een tegenargument stellen; aanvoeren; weerleggen; refuteren; tegenspreken; ontzenuwen
号令する goureisuru (het) bevel; commando geven; bevelen; commanderen; gebieden; instructie(s) geven; instrueren; gelasten; dicteren; een order geven; [w.g.] orderen
名乗る nanoru (1) zich identificeren; zich voorstellen; [名を] z'n naam zeggen; geven; opgeven; (2) zich legitimeren; z'n identiteit bewijzen; zich bekendmaken; (3) zich noemen; zich uitroepen tot; een naam aannemen; een titel voeren; (4) [虫;鳥が] geluid maken; (5) bij uitroep venten; roepend aankondigen; uitroepen
呈す teisu (1) aanbieden; bieden; presenteren; geven; [書を] sturen; (2) tonen; tentoonspreiden; vertonen; laten zien; bieden; opleveren; tentoonspreiden; [色を] aannemen
呈する teisuru (1) aanbieden; bieden; presenteren; geven; [書を] sturen; (2) tonen; tentoonspreiden; vertonen; laten zien; bieden; opleveren; tentoonspreiden; [色を] aannemen
呉れる kureru (1) geven; schenken; aanbieden; cadeau doen; verlenen [aan een persoon die met de spreker samenvalt;tot de groep van de spreker behoort;of waarmee de spreker zich identificeert]; (2) zo vriendelijk zijn te ~; de moeite doen te ~ [na de て-form van een werkwoord;voor een persoon die met de spreker samenvalt;tot de groep van de spreker behoort;of waarmee de spreker zich identificeert]
宛てがう ategau (1) aanbrengen; aanleggen; zetten; leggen; houden aan; (2) toewijzen; aanwijzen; toekennen; toebedelen; bestemmen; reserveren; (3) geven; voorzien van; leveren; verschaffen; verlenen; aanreiken; bezorgen; aan de hand doen; [仕事を] gunnen; (4) voor iem. uitkiezen
寄贈する kizousuru aanbieden; schenken; ten geschenke geven; geven; bijdragen; contribueren; doneren; beschenken; begiftigen; doteren
寄越す;遣す yokosu (1) sturen; zenden; afzenden; oversturen; overzenden; toesturen; toezenden; doen toekomen; overbrengen; overhandigen; geven; overgeven; (2) [aangehecht aan de ren'yōkei + て]
寄進する kishinsuru [rel.] schenken; bijdragen; geven; doneren; offeren
差し上げる sashiageru (1) opheffen; opsteken; omhoogbrengen; omhoog heffen; omhoog steken; omhoog houden; omhoog doen; ten hemel heffen; verheffen; (2) geven; aanbieden; schenken; [w.g.] reiken
御呉れる okureru (1) geven; verlenen; (2) […ておくれ] [drukt een verzoek uit]
手渡す tewatasu overhandigen; overdragen; overleveren; overgeven; overreiken; aanreiken; [w.g.] reiken; ter hand stellen; geven; aangeven; afgeven
投与する touyosuru (1) [薬を] toedienen; geven; (2) toewerpen
持たせる motaseru (1) doen hebben; laten hebben; doen beschikken over; geven; (2) doen brengen; laten bezorgen; (3) laten meegaan; doen duren; laten voortduren; aanhouden; (4) voor zijn rekening doen nemen; laten betalen; [de kosten] doen dragen
授 ju overhandigen; geven
授ける sazukeru (1) geven; verlenen; toekennen; uitreiken; bekleden met; begiftigen; bedelen; gunnen; toedienen; [終油の秘蹟を] van de laatste sacramenten voorzien; bedienen; [Belg.N.] berechten; [洗礼を] dopen; (2) onderrichten; onderwijzen; geven; doceren; instrueren
掻い遣る kaiyaru (1) wegduwen; wegvegen; wegwissen; wegstrijken; (2) geven; (3) laten gaan; doen gaan; sturen; zenden; laten vertrekken; wegsturen
施す hodokosu (1) geven; verlenen; [恩恵を] bewijzen; [注釈を] voorzien van; [面目を] aandoen; (2) uitvoeren; doen; [手段を] aanwenden; [策を] (onder)nemen; treffen; [洗礼を] toedienen
検疫する kenekisuru in quarantaine houden; plaatsen; geven
物する monosuru (1) zijn; zich bevinden; (2) gaan; komen; (3) [euf.] het doen; seks hebben; (4) zeggen; (5) schrijven; (6) eten; (7) geven; (8) [傑作を] maken; [ー句;歌を] plegen; (9) verduisteren; stelen; achteroverdrukken
献金する kenkinsuru geld contribueren; schenken; geven; bijdragen; doneren; geldelijk steunen; een bijdrage leveren
生じる shoujiru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); uitgaan van; resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; dragen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
生ずる shouzuru (1) gebeuren; zich voordoen; plaatsvinden; plaatshebben; voorvallen; voorkomen; ontstaan; optreden; opduiken; opkomen; zich vormen; zich ontwikkelen; voortkomen; voortspruiten; spruiten (uit); resulteren (uit); (2) uitkomen; kiemen; opschieten; opgroeien; opkomen; ontstaan; ontkiemen; ontspruiten; ontluiken; uitbotten; germineren; [arch.] opwassen; [w.g.] ontgroeien; uitlopen; uitschieten; uit de grond schieten; [i.h.b.] wortel schieten; (3) teweegbrengen; veroorzaken; verwekken; doen ontstaan; scheppen; wekken; geven; creëren; voortbrengen; opleveren; opbrengen; afwerpen; genereren; resulteren (in); [fig.] baren; [i.c.m. 電気を] opwekken; produceren
発する hassuru (1) vertrekken uit; verlaten; (2) verschijnen; zich voordoen; optreden; gebeuren; voortkomen; voortspruiten; ontspringen; voortspringen; komen uit; uitgaan van; voortvloeien uit; emaneren uit; afkomstig zijn van; z'n oorsprong vinden; (3) ontstaan; tot stand komen; (4) teweegbrengen; veroorzaken; doen ontstaan; beginnen; starten; lanceren; (5) voortbrengen; geven; opleveren; afgeven; afscheiden; verspreiden; uitstoten; uitzenden; uitvaardigen; verstrekken; (6) uiten; uitbrengen; van zich doen uitgaan; formuleren; (7) afvuren; afschieten; (8) sturen; afzenden; afvaardigen
立てる tateru (1) rechtop zetten; overeind zetten; opzetten; oprichten; opstellen; opslaan; opsteken; planten; [i.h.b.] stichten; [耳を] spitsen; (2) voordragen; [候補者として] voorstellen; aanstellen als; tot; installeren als; [王位に] plaatsen; benoemen tot; [証人を] oproepen; [代役を] opvoeren; (3) [計画;規則を] maken; opstellen; ontwerpen; uitwerken; [目標を] stellen; [誓いを] afleggen; [意義を] opperen; [記録を] vestigen; (4) veroorzaken; teweegbrengen; [物音を] maken; [声を] verheffen; (een kik) geven; [湯気;煙を] afgeven; [埃を] opjagen; [噂を] de wereld insturen; (5) [門;戸;雨戸;障子を] sluiten; dicht doen; (6) [茶を] zetten; [i.h.b.] een theeceremonie uitvoeren; (7) respecteren; iem. in zijn waarde laten; [i.h.b.] steunen; [i.h.b.] bijstaan; (8) enthousiast …; geestdriftig … [aangesloten op de ren'yōkei]
給 kyuu (a) toebedelen; uitdelen; (b) geven; (c) bezoldiging; (d) zorgen voor
融通する yuuzuusuru geld lenen; een lening verstrekken; geld voorschieten; krediet verlenen; geven
装う yosou opdienen; opscheppen; serveren; opdissen; geven
賦与する fuyosuru begiftigen; schenken; geven; voorzien van; bekleden
贈る okuru (1) schenken; ten geschenke geven; geven; aanbieden; (2) verlenen; [een prijs;onderscheiding;rang etc.] toekennen; uitreiken; uitdelen; decoreren
贈与する zouyosuru schenken; geven; doneren
述べる;宣べる;陳べる noberu verklaren; vermelden; noemen; zeggen; uiten; geven; uiteenzetten; stellen; [z'n gedachten enz.] uitdrukken; [z'n medeleven enz.] betuigen; onder woorden brengen; aangeven; verslag uitbrengen; melden; uitspreken; [de waarheid enz.] spreken; vertellen; [omstandig;in het kort enz.] verhalen; gewagen
配る;賦る kubaru (1) uitdelen; ronddelen; distribueren; (2) toebedelen; geven; als deel toewijzen; (3) bezorgen; leveren; bestellen; afleveren; afgeven; (4) rondkijken; om zich heen kijken; (5) voorzichtig zijn; behoedzaam zijn; (6) aandacht schenken aan; interesse tonen voor
飲ませる nomaseru (1) doen drinken; laten drinken; te drinken geven; drenken; (2) op een drankje trakteren; een drankje aanbieden; op wijn onthalen; (3) [薬を] toedienen; geven; doen innemen; (4) [毒を] vergiftigen; vergeven; vergif toedienen; ingeven; (5) [乳を] zogen; borstvoeding geven; de borst geven