日蘭辭典+

19 resultaten voor ‘schande’
日蘭辭典 (trefwoord)
haji
zn. schande v. ¶ 恥を雪ぐ schande uitwisschen. ¶ 恥を知らぬ geen schaamte kennen; schaamteloos. ¶ に恥をかかす iemand beschaamd maken. ¶ 此の恥かきめ foei!; schandelijk!. ¶ 恩惠を乞ふを恥とする ik schaam mij om een gunst te vragen. ¶ 恥をかく schaamte op zich laden. ¶ 恥ぢる zich schamen; beschaamd zijn.
akahaji赤恥
zn. schande v.
hazukashime辱め
zn. (1) [恥辱] schande v. (2) [侮辱] beleediging v. ¶ 自ら辱めを招く schande over zichzelf brengen. ¶ 辱めを忍ぶ beleediging dulden.
kōshoku公職

zn. openbaar ambt o. ¶ 公職を汚す zijn ambt schande aandoen; zich laten omkoopen.

kuimono食物

zn. (1) [食料品] voedsel o.; eten o.; spijs v. (2) [餌食] slachtoffer o.; prooi v. ¶ 娘を食物にして居る leven van de schande van zijn dochter.

kutsujoku屈辱

zn. schande v.; vernedering v. ¶ 屈辱を受ける vernedering ondergaan. ¶ 屈辱を忍ぶ schande dulden. ¶ 屈辱的 beschamend; vernederend.

uwanuri上塗

zn. laatste laag verf (of pleister); verergering (惡しき事の) v. ¶ 上塗する bovenlaag aanbrengen; deklaag verven; glazuur aanbrengen (陶器に); de zaak verergeren (惡い事の). ¶ 恥の上塗をする de schande nog vergrooten.

ushiroyubi o sasu後指を指す

i.w. met den vinger nawijzen; schande spreken over.

tsurayogoshi面汚し

zn. schande v.; beschaming v.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <schande>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
スキャンダル sukyandaru schandaal; schande
不名誉 fumeiyo oneer; schande; diskrediet; eerloosheid; schandelijkheid; infamie
恥辱 chijoku schande; oneer; schandvlek
恥部 chibu (1) schaamstreek; schaamdeel; schaamdelen; geslachtsdeel; geslachtsdelen; edele delen; genitaliën; pudenda; teeldeel; teeldelen; schaamlid; geslacht; [veroud.] schaamte; (2) gênante plaats; plek; aspect waarvoor men zich moet schamen; schande; schandvlek
恥;辱 haji schande; oneer; infamie; vernedering; blamage; beschaming; diskrediet; schandelijkheid; smadelijkheid
汚名 omei slechte naam; slechte reputatie; slechte; kwade reuk; beruchtheid; slechte faam; schandnaam; brandmerk; schandteken; schandmerk; schandvlek; stigma; kwaad gerucht; smet op een (goede) naam; oneer; schande; odium; blaam
汚辱 ojoku schande; oneer; schandelijkheid; eerverlies; smet; schandvlek
破廉恥 harenchi schaamteloosheid; onbeschaamdheid; schande; schandelijkheid; impudentie; infamie
辱め hazukashime (1) belediging; affront; insult; krenking; smaad; vernedering; kwetsing; (2) schande; oneer; (3) ontering; schending; schennis; aanranding; verkrachting
醜名 shuumei slechte naam; slechte faam; slechte reputatie; kwaad gerucht; beruchtheid; negatieve bekendheid; schande
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.69 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 10 treffers (zoekopdracht: 'schande'). 
2005-2026