日蘭辭典+

63 resultaten voor ‘gemeen’
日蘭辭典 (trefwoord)
iyashii卑しい
bn. laag; gering; verachtelijk; vulgair. ¶ 卑しいからぬ fatsoenlijk.
shunga春畫
(春画) zn. pornografische prent v.; gemeene plaatjes o.mv.
kōyakusū公約數

(公約数) zn. gemeene deeler m.

kuchigitanai口穢い

bn. ruw; gemeen; onbeschoft. ¶ 口汚く罵る met gemeene woorden uitschelden.

zōgon雜言

(雑言) zn. scheldwoorden o.mv.; gemeene taal v.

zōhyō雜兵

(雑兵) zn. gemeene soldaten m.mv.; minderen m.mv.

zassotsu雜卒

(雑卒) zn. gemeene soldaten m.mv.; minderen m.mv.

zatsu

(雑) bn. grof; ruw; gemeen. (雜多). ¶ 雜物 allerlei. ¶ 雜に拵へてある slecht afgewerkt zijn; grof gemaakt zijn. ¶ 雜に書く slordig schrijven; krabbelen.

yahi野鄙

zn. ruwheid v.; lompheid v. ¶ 野鄙な vulgair; onbeschaafd; ruw; lomp. ¶ 野鄙な言葉 gemeene taal; ruwe woorden.

SUPPLEMENT (trefwoord)
saitei最低
(na-adj,no-adj,znw,bw) (1) het minste; ten minste; allerminste; het laagste; het allerlaagste. ¶ 最低限 saiteigen het minimum. ¶ 最低気温 saitei kion minimum temperatuur; laagste temperatuur. ¶ 私たちは1日に最低7時間は寝なければならないWatachitachi wa ichinichi ni saitei shichi jikan wa nenakereba naranai. We moeten op een dag minstens zeven uur slapen. (2) [naar een maatstaf of rangorde] het slechtst; de laagste rang. ¶ これまで読んだで最低のだ。 Kore wa ima made yonda naka de saitei no hon da. Dit is het slechtste boek dat ik tot nu toe heb gelezen. (3) [van iemands karakter] walgelijk; verdorven; verwerpelijk; gemeen. ¶ そんなつくなんては最低だ。 Sonna uso wo tsuku nan te kare wa saitei da. Hij is verwerpelijk dat hij dat soort leugens vertelt. (TTC) (4) [uitroep van walging of afkeer] Walgelijk!; Getver!; Gatver!.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <gemeen>
あくどい akudoi (1) gemeen; hatelijk; venijnig; boosaardig; kwaadaardig; (2) opzichtig; schel; bont; protserig; opvallend; schreeuwend; fel; hel; schreeuwerig; [pej.] hoerig; [化粧;食物が] zwaar; [文体が] gezwollen; overladen; overdreven; overdadig; buitensporig; onmatig
いけず ikezu (1) [Kansai-dialect] gemeen mens; gemenerd; gemenerik; kwaaie; valsaard; judas; (2) [Kansai-dialect] booswicht; boosdoener; slechterik; schurk; bandiet; (3) [Kansai-dialect] gemeen; vals; boosaardig; kwaadaardig; venijnig; hatelijk; verraderlijk
けち kechi (1) tegenspoed; ongeluk; pech; ongelukkig toeval; ongelukkige gebeurtenis; slecht voorteken; domper; koude douche; (2) vitterij; muggenzifterij; haarkloverij; kleingeestige kritiek; (3) gierigheid; vrekkigheid; schraperigheid; inhaligheid; karigheid; krenterigheid; overdreven zuinigheid; (4) kleinzieligheid; bekrompenheid; benepenheid; kleingeestigheid; pietluttigheid; krenterigheid; (5) gemeenheid; laagheid; vunzigheid; vuilheid; smerigheid; valsheid; (6) gierig; vrekkig; schraperig; knieperig; inhalig; karig; krenterig; overdreven zuinig; (7) kleinzielig; bekrompen; benepen; kleingeestig; pietluttig; krenterig; (8) gemeen; laag; vuns; vuil; smerig; vals
けちな kechina (1) gierig; vrekkig; schraperig; inhalig; karig; krenterig; overdreven zuinig; (2) kleinzielig; bekrompen; benepen; kleingeestig; pietluttig; krenterig; (3) gemeen; laag; vuns; vuil; smerig; vals
さもしい samoshii (1) schamel; sjofel; pover; haveloos; armzalig; (2) gemeen; laag; min; minderwaardig; (3) vulgair; plat; grof; schunnig
とっても tottemo (1) heel; erg; zeer; zwaar; sterk; uiterst; aller-; dood-; oer-; bloed-; in-; hartstikke; vreselijk; uitermate; ontzettend; enorm; verschrikkelijk; afschuwelijk; ijzig; bar; stom-; criant; gruwelijk; bitter; crimineel; gruwzaam; fantastisch; geweldig; ontiegelijk; gemeen; drommels; verdomd; machtig; duivels; verbazend; ijselijk; verduiveld; mirakels; allemachtig; formidabel; ellendig; moorddadig; reusachtig; reuze-; ontzaglijk; vervaarlijk; kolossaal; onwijs; schreeuwend; stinkend; danig; volslagen; faliekant; [inform.;veroud.] verhipt; (2) [~ない] geenszins; volstrekt niet; hoegenaamd niet; bepaald niet; helemaal niet; lang niet; absoluut niet; ten enenmale niet; om de drommel niet; in het geheel niet; niet in het minst; in geen geval; in geen enkel opzicht; in genen dele; op geen stukken na; bijlange (na) niet
下品 gehin (1) vulgariteit; grofheid; platheid; laagheid; gemeenheid; ruwheid; vunzigheid; wansmakelijkheid; onsmakelijkheid; (2) vulgair; ordinair; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; beneden alle peil; wansmakelijk; onsmakelijk
下品な gehinna vulgair; ordinair; onverfijnd; grof; plat; laag; gemeen; ruw; vuns; wansmakelijk; onsmakelijk
下等な katōna inferieur; minderwaardig; laag; ordinair; gemeen; ~ van mindere kwaliteit
下等 katō inferieur; minderwaardig; laag; ordinair; gemeen; van mindere kwaliteit
下衆;下種;下主;下司 gesu (1) gemene; minne kerel; boer; kinkel; boerenkinkel; lomperd; lomperik; lummel; pummel; vlegel; [min.] proleet; [volkst.] hufter; [inform.] vlerk; [scheldw.] heikneuter; [veroud.] kleinhans; [gew.] kalf; [gew.] kneukel; (2) [verzameln.] lieden van laag allooi; lagere volksklassen; slecht volk; klootjesvolk; tuig; gemeen; plebs; gepeupel; gespuis; grauw; schorem; canaille; gajes; gebroed; janhagel; racaille; rapaille; tinnef; [Belg.N.] crapuul; [inform.] falderappes; (3) gemeen; laag; ordinair; min; plat; vulgair; grof; onbehouwen; boers; lomp; plebejisch
下衆な;下種な;下主な;下司な gesuna gemeen; laag; ordinair; min; plat; vulgair; grof; onbehouwen; boers; lomp; plebejisch
世俗 sezoku (1) aardse; wereldse; wereldlijke dingen; (2) wereld; gepeupel; gemeen; gewone volk; massa; vulgus; grauw
人並みの hitonamino gewoon; alledaags; niet bijzonder; gemeen; normaal; net als de anderen
共同の kyōdōno gemeenschappelijk; gemeen
共有の kyōyūno gemeenschappelijk; gemeen; in gemeenschappelijk bezit; in ’t gemeen bezeten
共通の kyōtsūno gemeen; gemeenschappelijk; gelijkgericht
卑しい iyashii (1) begerig; hebzuchtig; hebberig; inhalig; gulzig; gretig; schrokkig; schrokkerig; vrekkig; gierig; schraperig; schraapzuchtig; schriel; (2) ordinair; vulgair; plat; gemeen; grof; laag; min; (3) sjofel; armoedig; verlopen; haveloos; slonzig; goedkoop; (4) laaggeboren; van eenvoudige afkomst; onaanzienlijk van rang of stand; schamel
卑しむべき iyashimubeki verachtelijk; laag; gemeen; min; ellendig; miserabel; abject; fieltig
卑劣 hiretsu gemeen; laag; verachtelijk; min; vuil; smerig; abject; minderwaardig; onedel; ignobel; laaghartig; veil
卑怯 hikyō (1) lafheid; lafhartigheid; (2) gemeenheid; flauwheid; laag-bij-de-grondsheid; laagheid; minheid; valsheid; gluiperigheid; (3) laf; lafhartig; blo; blode; [pej.;inform.] schijterig; [veroud.] blohartig; (4) gemeen; klein; flauw; laag-bij-de-gronds; unfair; laag; min; vals; onsportief; vuil; gluiperig
大方の ōkatano algemeen; gemeen; gemeenschappelijk
嫌みたらしい iyamitarashii gemeen; hatelijk; vals; stekelig; vinnig; spinnig; sarcastisch; bijtend; grievend
嫌らしい yarashii (1) onaangenaam; onplezierig; naar; (2) hatelijk; verfoeilijk; verwerpelijk; (3) vreselijk; verschrikkelijk; (4) wreed; gruwelijk; (5) vies; smerig; (6) gemeen; ordinair; ongepast; (7) gênant; beschamend; (8) ondeugend; ruw
安い;廉い yasui (1) goedkoop; voordelig; schappelijk; laaggeprijsd; redelijk (geprijsd); billijk; profijtig; zacht [prijsje]; laag [b.v. interest]; bon-marché; [inform.] gepikt; (2) onbekommerd; onbezorgd; zonder zorgen; op zijn gemak; zorgeloos; [m.b.t. gemoed] luchtig; (3) kalm; rustig; [m.b.t. verloop] onbewogen; bedaard; (4) nederig; eenvoudig; onaanzienlijk; gering; ondergeschikt; minder(waardig); laag(geboren); inferieur; min [denken over iemand]; (5) grof; gemeen; plat; laag; laag-bij-de-gronds; vulgair; goedkoop; ordinair; onbehoorlijk; obsceen; onbeschaafd; [m.b.t. taal] ongekuist; beneden alle peil; laaghartig; smerig; vuig; platvloers; schunnig; vunzig
小汚い kogitanai (1) vuilig; viezig; groezelig; smoezelig; [~身なり] slonzig; slordig; onverzorgd; (2) [~やり方] gemeen; vunzig; ordinair; smerig; vals
平凡な heibonna (1) gewoon; alledaags; daags; ordinair; gemeen; doordeweeks; banaal; modaal; triviaal; afgezaagd; huisbakken; versleten; (2) middelmatig; mediocre; matig; (3) kleurloos; eentonig; monotoon; vlak; saai; oninteressant; onbeduidend; onbetekenend; onbelangrijk
悪天 akuten slecht weer; bar; belabberd; gemeen; lelijk; smerig; verraderlijk; vies; vuil; zwaar weer; dievenweer; hondenweer; pokkenweer; [gew.] wanweer
悪天候 akutenkō slecht weer; bar; belabberd; gemeen; lelijk; smerig; verraderlijk; vies; vuil; zwaar weer; dievenweer; hondenweer; pokkenweer; [gew.] wanweer
悪意の akuino kwaadwillig; kwaadgezind; kwaadaardig; boosaardig; malicieus; malafide; venijnig; boos; gemeen; hatelijk; haatdragend; vals; wreed; lastig
悪戯 itazura (1) ondeugendheid; kwajongensstreek; (2) ontgroening (bv.studentendoop); (3) plezier; amusement; tijdverdrijf; hobby; (4) nutteloosheid; (5) geilheid; geiligheid; wulpsheid; immoraliteit; wangedrag; gemenigheid; (6) ondeugend; kwajongensachtig; (7) plezierig; leuk; amusant; bij wijze van tijdverdrijf; hobbyistisch; (8) nutteloos; (9) geil; geilig; wulps; los; losbandig; immoreel; gemeen; laag
悪質 akushitsu (1) slecht van kwaliteit; minderwaardig; inferieur; (2) gemeen; kwaadaardig; slecht; veil; kwalijk
悪辣 akuratsu gemeen; smerig; lelijk; geniepig; min; laag; ploertig; ploerterig
惨い;酷い mugoi (1) wreed; hard; gemeen; sadistisch; barbaars; onmenselijk; (2) verschrikkelijk; afschuwelijk; vreselijk; gruwelijk; akelig; tragisch; (3) meedogenloos; onbarmhartig; hardvochtig; genadeloos; ongenadig; onmeedogend; harteloos
意地の悪い ijinowarui onaardig; onvriendelijk; vals; venijnig; gemeen; boosaardig; hatelijk; krengerig; nijdig; nijdasserig; kwaadwillig; malicieus
意地悪 ijiwaru (1) boosaardigheid; gemeenheid; laagheid; (2) slecht humeur; onwelwillendheid; (3) boosaardig persoon; venijnig persoon; venijnigaard; adder; stuk chagrijn; (4) persoon met een slecht humeur; zuurpruim; oorworm; brompot; nijdas; (5) boosaardig; kwaadaardig; hatelijk; gemeen; vals; laag; venijnig; malicieus; (6) slecht gehumeurd; onwelwillend; ontstemd
意地悪い ijiwarui gemeen; vals; onaardig; onvriendelijk; kwaadaardig; boosaardig; kwaadwillig; venijnig; malicieus; nijdig; chagrijnig; sikkeneurig
意地悪く ijiwaruku kwalijk; gemeen; onvriendelijk; kwaadwillend; boosaardig; malicieus; kribbig
普段 fudan (1) gewoon; normaal; alledaags; gebruikelijk; vertrouwd; usueel; habitueel; [arch.] gemeen; (2) gewoonlijk; normaliter; normaal gesproken; door de band; in de regel; in usu; gebruikelijk; [arch.] gemeenlijk; steeds; altijd
殺生 sesshō (1) moord; doodslag; doding; (2) zelfbeheersing; zelfbedwang; lijdzaamheid; driftbeheersing; (3) [boeddh.] doodslag [één der vijf hoofdzonden]; (4) wreed; gemeen; hardvochtig
毒々しい dokudokushii (1) giftig uitziend; (2) [fig.] hatelijk; gemeen; venijnig; kwaadaardig; kwaadwillig; scherp; bits; bitter; (3) [~色] schreeuwend; opzichtig; opvallend; schel
毒性 dokushō venijnig; gemeen; kwaadaardig; boosaardig
汚い kitanai (1) vuil; vies; besmeurd; smerig; onrein; (2) onfatsoenlijk; obsceen; goor; (3) gemeen; laag-bij-de-gronds; slecht; (4) vrekkig; zuinig; krenterig
浅ましい asamashii (1) gemeen; laag; vuig; min; verachtelijk; laag-bij-de-gronds; laaghartig; eerloos; onwaardig; schaamteloos; schandelijk; veil; waardeloos; (2) ellendig; wreed; naar; miserabel; erbarmelijk; jammerlijk; betreurenswaardig; beklagenswaardig; (3) schamel; pover; onaanzienlijk; armzalig; (4) onverwacht; onvoorzien; verrassend; (5) teleurstellend; ontluisterend; spijtig; sneu; (6) erg; enorm; ontzettend; (7) [~なる] aan zijn eind komen; sterven
狡い zurui (1) sluw; geslepen; listig; leep; loos; glad; gewiekst; doortrapt; uitgekookt; uitgerekend; geraffineerd; gehaaid; goochem; uitgeslapen; link; tricky; (2) achterbaks; slinks; getruukt; geniepig; gluiperig; gemeen; vals; unfair; smerig
tsumi (1) wandaad; vergrijp; misdrijf; delict; [i.h.a.] misdaad; crime; [Lat.] crimen; (2) zonde; (3) schuld; verantwoordelijkheid; (4) sanctie; straf; strafmaatregel; veroordeling; (5) verschrikkelijk; wreed; afschuwelijk; schandalig; onheus; gemeen
薄汚い usugitanai (1) smerig; vuil; vies; groezelig; (2) gemeen; smerig; achterbaks; geniepig
邪悪 jāku slecht; kwaad; snood; boos; verdorven; zondig; boosaardig; kwaadaardig; gemeen; malicieus
酷い hidoi (1) wreed; hard; verschrikkelijk; gruwelijk; enorm; ontzettend; vreselijk; onmenselijk; slecht; gemeen; duivels; donders; heidens; verduiveld; verduveld; verdomd; deksels; drommels; [気分が] bedonderd; beroerd; belabberd; (2) erg; guur; [~寒さ] bitter; bar; zwaar; flink; hevig; geweldig; [~発言] straf; van je welste; [~批評] scherp
醜い;見悪い minikui (1) lelijk; onooglijk; onknap; onfraai; onaantrekkelijk; (2) beschamend; smadelijk; schandelijk; schandalig; schandaleus; onbehoorlijk; infaam; verachtelijk; oneervol; grof; laag; gemeen
阿漕 akogi (1) schaamteloos; onbeschaamd; brutaal; (2) begerig; gulzig; hebzuchtig; hebberig; (3) wreed; hard; hardvochtig; meedogenloos; ongevoelig; cru; gemeen; onbarmhartig; harteloos; (4) gemeen; venijnig; boosaardig; slecht
阿漕な akogina (1) schaamteloos; onbeschaamd; brutaal; (2) begerig; gulzig; hebzuchtig; hebberig; (3) wreed; hard; hardvochtig; meedogenloos; ongevoelig; cru; gemeen; onbarmhartig; harteloos; (4) gemeen; venijnig; boosaardig; slecht
雑人 zōnin (1) persoon van lage komaf; mens van nederige afkomst; de gemene man; (2) [Heian-gesch.] horige; (3) [Kamakura-gesch.] gemeen; lagere volksklassen; geringe lieden; gepeupel
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.69 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 53 treffers (zoekopdracht: 'gemeen'). 
2005-2026