日蘭辭典+

72 resultaten voor ‘slecht’
日蘭辭典 (trefwoord)
akurei惡例
(悪例) zn. slecht voorbeeld o.; bedenkelijk precedent o.
akushin惡心
akuyū惡友
(悪友) zn. slecht gezelschap o.
ashiki惡しき
(悪しき) bn. (1) [不正] slecht; boos; kwaad; euvel. (2) [慘な] ellendig; miserabel. ¶ 惡しくなる degenereeren; slechter worden; achteruitgaan;
akugyō惡行
(悪行) zn. slecht gedrag o.
akuhitsu惡筆
(悪筆) zn. slecht schrift o.; hanepooten m.mv.
furyō不良
bn. (1) [劣等] slecht; inferieur. (2) [罪悪] misdadig; slecht; demoraliseerd. ¶ 不良品 minderwaardige artikelen. ¶ 不良の健康 slechte gezondheid. ¶ 不良少年 misdadige jeugd.
yo
zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 厭ふ levensmoede zijn. ¶ に知られぬ onbekend. ¶ に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ を早くする jong sterven. ¶ 惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川のに onder de regeering der Tokugawa’s ¶ を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 合ふ in de smaak vallen van het publiek.
soakuna粗惡な
bn. grof; inferieur; van slechte kwaliteit
shina
zn. artikel o.; waar v.; kwaliteit (品質) v. ¶ 落ちる de kwaliteit is minderwaardig. ¶ を落す de kwaliteit verminderen; slechtere waar leveren. ¶ 見本違ふ de geleverde waar stemt niet overeen met het monster.
jakusotsu弱卒
daikon大根

zn. knolraap v.; raap v.; slecht acteur (へぼ役者) m. ¶ 大根漬 gezouten knollen.

kōzai功罪

zn. verdiensten en wandaden; goede en slechte daden.

kuchiomoi口重い
kuse

zn. (1) [習慣] gewoonte v. (2) [特性] eigenaardigheid v.; karaktertrek m. ¶ 癖を直す slechte gewoonte afwennen. ¶ 癖がつく zich aanwennen; de gewoonte krijgen. ¶ 癖がある gewoon zijn; gewend zijn; de gewoonte hebben. ¶ 癖直しをする zijn haar recht strijken. ¶ 癖髮 weerbarstig haar.

kyōchō凶兆
kyōhō凶報

zn. slecht nieuws o.

zonzainaぞんざいな

bn. ruw; slordig; onverzorgd; onnauwkeurig. ¶ ぞんざいな譯 slechte vertaling. ¶ ぞんざいな言葉 onbeleefde woorden.

zatsu

(雑) bn. grof; ruw; gemeen. (雜多). ¶ 雜物 allerlei. ¶ 雜に拵へてある slecht afgewerkt zijn; grof gemaakt zijn. ¶ 雜に書く slordig schrijven; krabbelen.

yokaranu善からぬ

bn. slecht; verkeerd. ¶ 善からぬ家 bordeel.

yokare-ashikare善かれ惡しかれ

(善かれ悪しかれ) bw. goed of slecht; of het goed is of niet.

yo

zn. (1) [世間] wereld v. (2) [時代] tijdperk o.; tijd m.; eeuw v. (3) [生涯] leven o. (4) [公衆] het publiek o. ¶ 此世 deze aardsche wereld. ¶ あの世 het hiernamaals. ¶ 世を渡る vooruitkomen in de wereld. ¶ 世に厭ふ levensmoede zijn. ¶ 世に知られぬ onbekend. ¶ 世に後れる bij zijn tijd ten achter zijn; niet met den tijd meegaan. ¶ 世を早くする jong sterven. ¶ 世が惡い de tijden zijn slecht. ¶ 德川の世に onder de regeering der Tokugawa's. ¶ 世を驚かす de wereld verstomd doen staan. ¶ 世に合ふ in de smaak vallen van het publiek.

yaki

(焼) zn. (1) [パン等の] bakken o.; roosteren (焙り) o. (2) [刃物の] harden o. (3) [陶器] kwaliteit van porselein o.; aardewerk (燒物) o. ¶ 燒が惡い slecht gebakken.

wazuka

zn. kleine hoeveelheid v.; weinig o.; beetje o.; geringe graad m. ¶ 僅の weinig; onbeduidend; gering. ¶ 僅に slechts; alleen maar; niet meer dan. ¶ 僅な傷 lichte wond. ¶ 僅な事 onbeduidende zaak. ¶ 僅三年の內に in den korten tijd van drie jaar; in slechts drie jaren tijds. ¶ 僅に免る ternauwernood ontsnappen. ¶ 僅十箇しかない er zijn er maar tien. ¶ 僅だが君に上げよう hier is een kleinigheid voor je.

waruku惡く

(悪く) bw. slecht; verkeerd. ¶ 惡く言ふ kwaad spreken van. ¶ 惡く取る kwalijk nemen; euvel duiden. ¶ 惡くなる bederven; erger worden. ¶ 惡くする bederven. ¶ 惡く甘い te zoet; erg zoet. ¶ 病氣が益々惡くなる de ziekte wordt hoe langer hoe erger.

waruzure惡擦

(悪擦) zn. verderfelijke omgang m.; verdorvenheid v. ¶ 惡擦れる door slecht gezelschap bedorven worden; verdorven zijn.

warui惡い

(悪い) bn. (1) [惡い] slecht; verkeerd. (2) [非道な] zondig. (3) [不法な] onwettig. (4) [邪惡な] boos; boosaardig. (5) [いたづらな] baldadig; ondeugend. (6) [不吉な] kwaad; onheilspellend. (7) [不運な] ongelukkig; (8) [有害な] schadelijk. (9) [不健全な] ongezond. (10) [醜惡な] leelijk. (11) [粗末な] grof; inferieur. (12) [腐敗せる] rot. ¶ 口が惡い schelden; kwaad spreken. ¶ 更に惡い nog erger. ¶ 最も惡い allerergst. ¶ 耳が惡い hardhoorig. ¶ 胸が惡い zich niet lekker voelen; misselijk zijn. ¶ 香が惡い stinken. ¶ 體に惡い ongezond. ¶ 惡い事 zonde; verkeerdheid; misdaad; wangedrag. ¶ 價も安いが品も惡い goedkoop en slecht. ¶ 君の方が惡い jij hebt ongelijk; het is jouw schuld. ¶ 私が惡かつた het is mijn schuld; ik heb ongelijk.

uwaki浮氣

(浮気) zn. luchthartigheid v.; lichtzinnigheid v.; zedeloosheid v.; ontrouw v. ¶ 浮氣をする zich misdragen; echtgenoot bedriegen. ¶ 浮氣つぽい lichtzinnig; zedeloos; ontrouw; onkuisch. ¶ 浮氣者 lichtmis (男); (女) vrouw van slechte zeden; scharreltje; snol.

usui薄い

bn. dun; licht; flauw. ¶ 薄い茶 slappe thee. ¶ 情の薄い onverschillig; koel. ¶ 客の薄い slecht bezochte voorstelling.

ukki鬱氣
tsuriai釣合

(釣り合い) zn. evenwicht o.; balans v. ¶ 釣合のよい evenwichtig; goed gebalanceerd. ¶ 安定釣合 stabiel evenwicht. ¶ 不安定釣合 labiel evenwicht. ¶ 釣合惡しき onevenwichtig; slecht geproportionneerd. ¶ 釣合ふ tegen elkaar opwegen (平均する); in evenwicht zijn (均等を保つ); (恰好よし) in goede verhouding staan; overeenstemmen; goed passen bij elkaar; (對當する) zich met elkaar kunnen meten; aan elkaar gewaagd zijn.

tsuku附く

i.w. (1) [附着] kleven; plakken; blijven vastzitten. (2) [味方する] de zijde kiezen van; meegaan met. (3) [價する] waard zijn. t.w. (4) [習癖が] aannemen; i.w. zich aanwennen. i.w. (5) [火が] vlam vatten. t.w. (6) [痕が] achterlaten. (7) [利息が] opbrengen; opleveren. ¶ 惡錢身に附かず gestolen goed gedijt niet. ¶ 肉が附く dik worden. ¶ 敵方に附く overloopen naar den vijand. ¶ 一つが十錢につく ze kosten 10 sen per stuk. ¶ 惡い癖はつき易い slechte gewoonten worden gemakkelijk aangeleerd. ¶ 著物に火がついた zijn kleeren vlogen in brand. ¶ 電氣がついて居る het electrisch licht is aan. ¶ 年七分の利が附く 7% per jaar interest geven. ¶ 床に足跡がつく voetstappen op den vloer achterlaten.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kakikoカキコ
(znw., ww-suru; tevens かきこ) geschreven commentaar of opmerkingen op een bulletin board of een blog. Afkorting van 書き込み kakikomi wat de zelfstandige vorm is van het werkwoord 書き込む kakikomu. ¶ カキコ苦手なんです。 Kakiko nigate nan desu. Ik ben niet goed in het schrijven van comments. (TTC) ¶ 自由にカキコして下さい! Jiyū ni kakiko shite kudasai. Plaats gerust commentaar! (blog)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <slecht>
いけない ikenai (1) niet toegelaten; niet mogen; niet kunnen; ongewenst; onaanvaardbaar; verkeerd; onmogelijk; slecht; (2) slecht; niet goed; boosaardig; stout; ondeugend; (3) nutteloos; zinloos; hopeloos; (4) niet in orde; uit de haak; pijn doen; pijnlijk [bv. m.b.t. maag]; fout; loos
お粗末 osomatsu pover; zwak; slecht; ondermaats; minderwaardig; inferieur
お釈迦になる oshakaninaru (1) slecht; verkeerd uitvallen; op niets uitlopen; misgaan; kapotgaan; stukgaan; (2) verloren gaan; nutteloos; onbruikbaar worden; mislukken; niet meer kunnen dienen
アンラッキー anrakkī ongelukkig; onfortuinlijk; ongunstig; onzalig; slecht
バッド baddo (1) Budd; Bud; (2) slecht
不可 fuka (1) F; onvoldoende; afwijzing; [i.h.b.] stem tegen; (2) slecht; verkeerd; ondeugdelijk; onbehoorlijk; [i.h.b.] ongepermitteerd; niet geoorloofd
不味い mazui (1) onsmakelijk; vies; onappetijtelijk; goor; onfris; niet te eten; slecht smakend; wansmakelijk; (2) slecht; ongelukkig; ongelegen; importuun; ongepast; inopportuun; onverstandig; (3) lelijk; onknap; onooglijk; (4) onbedreven; zwak; krukkig; onhandig; stuntelig; slap
不幸 fukō (1) ongeluk; ongelukkigheid; onzaligheid; [veroud.] wee; ellende; (2) tegenspoed; tegenslag; pech; rampspoed; [fig.] contrecoup; (3) sterfgeval in de familie; overlijden; verlies van een dierbare; (4) ongelukkig; onzalig; treurig; (5) tegenvallend; slecht; onfortuinlijk; jammer
不幸な fukōna (1) ongelukkig; treurig; ellendig; beroerd; miserabel; (2) tegenvallend; onzalig; slecht; onfortuinlijk; kwaad; jammer
不良 furyō (1) het slechte; het kwade; slechtheid; gebrekkigheid; onvolkomenheid; improbiteit; ondeugd; snoodheid; verderfenis; (2) het minderwaardige; het inferieure; minderwaardigheid; minderheid; inferioriteit; (3) criminaliteit; misdadigheid; delinquentie; (4) zware jongen; gewelddadige kerel; vandaal; hooligan; rabauw; misdadiger; agressieveling; bandiet; gangster; crimineel; delinquent; (5) slecht; pover; minderwaardig; onvolkomen; gebrekkig; wan; inferieur; min; ondeugdelijk; [w.g.] kwaad; (6) slecht; verdorven; boos; misdadig; delinquent; crimineel; [veroud.] snood
不良の furyōno (1) slecht; pover; minderwaardig; onvolkomen; gebrekkig; wan; inferieur; min; ondeugdelijk; [w.g.] kwaad; (2) slecht; verdorven; boos; misdadig; delinquent; crimineel; [veroud.] snood
不順な fujunna abnormaal voor het seizoen; slecht; veranderlijk; wisselvallig; ongunstig; grillig; onregelmatig
劣等 rettō (1) minderwaardigheid; minderheid; inferioriteit; (2) minderwaardig; inferieur; slecht; … van slechte; inferieure; geringe kwaliteit
危惧 kigu vrees; ongerustheid; bezorgdheid; beduchtheid; slecht; angstig voorgevoel; angst
口下手 kuchibeta (1) onbespraaktheid; (2) slecht; onhandig spreker; (3) onbespraakt; niet welbespraakt; onwelsprekend; slecht uit zijn woorden komend
失政 shissei slecht; onbehoorlijk bestuur; verkeerd; slecht beleid; wanbestuur; wanbeleid; malgoverno
怠業する taigyōsuru een langzaamaanactie houden; langzaam aan doen; [uit protest;als strijdmiddel] slecht; langzaam werken
shirumashi vreemd voorbeduidsel; slecht; boos voorteken; voorspook
悪い warui (1) slecht; kwaad; verkeerd; euvel; kwalijk; boos; ongunstig; mieges; [調子が] bedonderd; [inform.] beroerd; (2) moreel slecht; onverkwikkelijk; onfris; lelijk; verwerpelijk; (3) sorry; het spijt me; pardon; neem me niet kwalijk
悪し様 ashizama (1) slecht; kwalijk; kwaadwillig; (2) negatief; afbrekend; beledigend; smadelijk; ongeflatteerd
悪人 akunin slecht; gemeen mens; slechte; boosdoener; kwaaddoener; slechterik; slechtaard; booswicht; snoodaard; schurk; boef; schelm; deugniet; schobbejak; ploert; [inform.] fielt; [inform.] patjakker
悪用 akuyō misbruik; verkeerd; slecht; ongeoorloofd gebruik; wangebruik; [euf.] oneigenlijk gebruik
悪筆 akuhitsu (1) slecht penseel; slecht gemaakte pen; (2) slechte hand van schrijven; slecht; onleesbaar handschrift; dokterspootje; keukenmeidenpootje; kattenpoot; hanenpoot; krabbelpoten; gekrabbel; krabbels
悪質 akushitsu (1) slecht van kwaliteit; minderwaardig; inferieur; (2) gemeen; kwaadaardig; slecht; veil; kwalijk
斜め;傾;斜 naname (1) schuin; scheef; naar één kant; hellend; stekend; [arch.] scheluw; dwars; diagonaal; overhoeks; hoeksgewijs; schuins; overdwars; (2) [van humeur;luim enz.] slecht; dwars
曲がった magatta (1) krom; gebogen; scheef; verbogen; gewelfd; bochtig; slingerend; kronkelig; meandrisch; zigzaggend; (2) pervers; verdorven; slecht; [veroud.;bijb.] verkeerd; (3) oneerlijk; onoprecht; onbetrouwbaar; vals; (4) overhangend; overhellend; scheefgetrokken; scheluw
有害 yūgai schadelijk; nadelig; slecht; kwalijk; ongezond; [i.h.b.] giftig; [i.h.b.] gevaarlijk
汚い kitanai (1) vuil; vies; besmeurd; smerig; onrein; (2) onfatsoenlijk; obsceen; goor; (3) gemeen; laag-bij-de-gronds; slecht; (4) vrekkig; zuinig; krenterig
虐待する gyakutaisuru slecht; wreed behandelen; mishandelen; misbruiken; maltraiteren; abuseren
邪悪 jāku slecht; kwaad; snood; boos; verdorven; zondig; boosaardig; kwaadaardig; gemeen; malicieus
ja (1) kwaad; euvel; onrecht; (a) verkeerd; slecht; snood; (b) verwarren; misleiden
yokoshima (1) verkeerd; fout; slecht; kwaad; [veroud.] boos; (2) zijdelings; zijlings; zijwaarts; dwars
酷い hidoi (1) wreed; hard; verschrikkelijk; gruwelijk; enorm; ontzettend; vreselijk; onmenselijk; slecht; gemeen; duivels; donders; heidens; verduiveld; verduveld; verdomd; deksels; drommels; [気分が] bedonderd; beroerd; belabberd; (2) erg; guur; [~寒さ] bitter; bar; zwaar; flink; hevig; geweldig; [~発言] straf; van je welste; [~批評] scherp
阿漕 akogi (1) schaamteloos; onbeschaamd; brutaal; (2) begerig; gulzig; hebzuchtig; hebberig; (3) wreed; hard; hardvochtig; meedogenloos; ongevoelig; cru; gemeen; onbarmhartig; harteloos; (4) gemeen; venijnig; boosaardig; slecht
阿漕な akogina (1) schaamteloos; onbeschaamd; brutaal; (2) begerig; gulzig; hebzuchtig; hebberig; (3) wreed; hard; hardvochtig; meedogenloos; ongevoelig; cru; gemeen; onbarmhartig; harteloos; (4) gemeen; venijnig; boosaardig; slecht
駄目 dame (1) [go-term] neutraal vakje; (2) [ton.] (waarschuwing voor een) slecht punt in de regie; de opvoering; het scenario; script enz.; (3) slecht; niet-deugend; waardeloos; nietswaardig; nep; (4) nutteloos; onbruikbaar; ongeschikt; vergeefs; vruchteloos; zinloos; infructueus; onnut; ~ heeft geen zin; het haalt niets uit; er is niets mee te beginnen; hopeloos; naar de maan; bliksem; verknoeid; mislukt; (5) onmogelijk; tot mislukken gedoemd; incapabel; dat lukt niet; zo gaat het niet; dat wordt niets; (6) dat is verboden; dat past niet; dat mag niet; dat gaat niet aan; dat is niet toegestaan; daar komt niets van in; dat is hier contrabande; nee; laat dat; stop; niet doen
駄目な damena (1) slecht; niet-deugend; waardeloos; nietswaardig; incapabel; onbekwaam; incompetent; (2) nutteloos; onbruikbaar; ongeschikt; vergeefs; vruchteloos; zinloos; infructueus; onnut; hopeloos; verknoeid; mislukt; (3) onmogelijk; tot mislukken gedoemd; (4) verboden; ongeoorloofd; ongepast
黒い kuroi (1) zwart; (2) (van huid of kleur van ogen) donker; (van huid of kleur van ogen) bruin; gebruind; [Belg.N.;niet alg.] gebronzeerd; (3) vuil; vies; smerig; morsig; bevlekt; besmeurd; bevuild; (4) slecht; onrechtvaardig; onbillijk; onwettig; onrechtmatig; clandestien
koku (a) zwart; (b) donker; (c) slecht; zondig
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.29 sec. jiten.nl: 33 treffers, warandict: 39 treffers (zoekopdracht: 'slecht'). 
2005-2026