日蘭辭典+

25 resultaten voor ‘hoek’
日蘭辭典 (trefwoord)
donkaku鈍角
zn. stompe hoek m.
sakkaku錯角
zn. verwisselende hoeken m.mv. ¶ 内錯角 verwisselende binnenhoeken.
gaikaku外角

buitenhoek m.

kuma隈、曲

zn. (1) [すみ] hoek m. (2) [陰の] schaduw v. ¶ 隈なく探す in alle hoeken en gaten zoeken. ¶ 顏の隈をとる grimeeren.

kumaguma隈隈

zn. alle hoeken en gaten.

yosumi四隅

zn. vier hoeken m.mv.

yōsu樣子

(様子) zn. (1) [狀態] toestand m.; conditie v. (2) [姿態] uiterlijk o. (3) [態度] houding v.; manier van doen. ¶ 大體の樣子 de algemeene toestand; de staat van zaken. ¶ 樣子を窺ふ zien, hoe het ermee staat; kijken uit welken hoek de wind waait. ¶ 樣子がよい er goed uitzien. ¶ 樣子をする zich aanstellen; zich voordoen als; voorwenden. ¶ 樣子振る aanstellerig doen; zich aanstellen.

yokaku餘角

(余角) zn. complement o.; complementaire hoek.

SUPPLEMENT (trefwoord)
kataya方屋
zn. (1) de plaatsen links of rechts of oost en west waartussen de tegenstanders bij Sumo (相撲) of een andere wedstrijd zijn verdeeld (2) de arena van een Sumo wedstrijd.
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <hoek>
アングル anguru (1) hoek; (2) [meetk.] hoek; (3) camerastandpunt; standpunt; gezichtshoek; invalshoek
コーナー kōnā (1) hoek; (2) [sportt.] corner; [voetb.] hoekschop; (3) [in warenhuis] afdeling
kei (1) [Chin.gesch.] guī [= jade balkje voor ceremonieel gebruik]; (a) jade; gehoekte jadesteen; hoek
岬;崎;碕 misaki (1) kaap; voorgebergte; klip; (2) landpunt; landtong; hoek; nes; punt; [Mal.] tandjoeng
崎;埼;岬;碕 saki (1) kaap; landtong; hoek; voorgebergte; hoofd; tandjoeng; (2) uitloper
方位 hōi hoek; streek; richting; positie; hemelstreek; windstreek; [羅針盤の] kompasstreek; kompasrichting; [astron.;landmeetk.] azimut
方角 hōgaku (1) windstreek; windrichting; hemelstreek; hoek; (2) ligging; positie; oriëntatie; (3) richting; (4) middel; instrument
片隅 katasumi (1) hoek; hoekje; (2) rustig; verborgen hoekje; schuilhoek
片隅 hengū (1) hoek; hoekje; (2) rustig; verborgen hoekje; schuilhoek
立場 tachiba (1) positie; situatie; plaats; stelling; hoedanigheid; [fig.] iems. schoenen; [対等の] voet; [苦しい~] parket; (2) standpunt; stellingname; houding; opstelling; opvatting; [oneig.] gezichtspunt; [oneig.] oogpunt; [fig.] hoek
hashi (1) uiteinde; einde; tip; staart; (2) rand; kant; boord; zoom; marge; grens; uithoek; hoek; [gew.] uitkant; (3) eindje; fragment; stukje; (4) flard; gedeelte; (5) begin; eerste; (6) [bouwk.] buitenkant; buitenzijde; voor; voorgedeelte; [i.h.b.] straatzijde; straatkant; (7) aanhef; voorwoord; voorbericht; inleiding; (8) aanvang; start; begin; (9) bescheiden positie; status; (10) lagere prostituee; (11) […~に] terwijl; en daarnaast
角度 kakudo (1) hoek; (2) gezichtspunt; oogpunt; kant
kaku (1) hoek; hoekgrootte; (2) vierkant; [cul.] blokje; (3) [shogi] loper; kaku
kado (1) hoek; draai; bocht; (2) hoek [van iets]; (3) uiteinde; uitstekende punten; tanden
隅;角 sumi hoek; binnenhoek
隅っこ sumikko hoek; hoekje
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.58 sec. jiten.nl: 9 treffers, warandict: 16 treffers (zoekopdracht: 'hoek'). 
2005-2026