日蘭辭典+

78 resultaten voor ‘toestand’
日蘭辭典 (trefwoord)
anbai鹽梅
(塩梅) zn. (1) [調味] smaak m. (2) [狀態] toestand m. (3) [手段] manier v.; wijze v. (4) [配列] orde v. ¶ 鹽梅する (配列) arrangeeren; groepeeren; sorteeren. ¶ 味を附ける kruiden. ¶ の鹽梅 temperatuur van het bad. ¶ 鹽梅は如何ですか hoe gaat het er mee? hoe staat het er mee?
arisama有樣
(有り様・有様) zn. toestand m.; omstandigheiden v.mv.; situatie v.; staat m.; staat van zaken.
jitai事態
zn. staat van zaken; toestand m.; omstandigheiden v.mv.; de tijden m.mv.
jitsu
() zn. (1) [眞實] waarheid v.; werkelijkheid v.; ware toestand m. (2) [誠意] oprechtheid v. (3) [割算] factor m.; getal dat gedeeld kan worden op. ¶ を明かす de waarheid aan het licht brengen. ¶ を盡す oprechtheid toonen; vriendelijkheid bewijzen. ¶ は inderaad; feitelijk. ¶ を言へば om de waarheid te zeggen; ronduit gezegd; openhartig gesproken. ¶ werkelijk; waar; feitelijk. ¶ inderdaad; zeer (甚だ).. ¶ らしい aannemelijk; plausibel.
chōshi調子
zn. (1) [音調] toon m.; klank m. (2) [工合] manier van doen; conditie v.; toestand m.; stemming v. (3) [拍子] maat v. ¶ 調子を合はせる stemmen. ¶ 調子の合はぬ valsch. ¶ 此の調子で行けば年内に終へる op die manier komt het werk in een jaar gereed. ¶ 調子づく goed gestemd. ¶ 調子に乘る opgewonden door succes. ¶ 調子のいゝ人 iemand met tact; iemand, die gemakkelijk is in den omgang.
sama
(様) zn. (1) [有樣] toestand m. (2) [體裁] uiterlijk o.; vorm m. (3) [敬稱] (男) heer m.; mijnheer m.; mevrouw (夫人) v.; jongeheer (十六歳以下の男) m.; (お孃さん) juffrouw v.; mejuffrouw v.; jongejuffrouw (十六歳以下の) v.
kyoku
zn. (1) [官衙] bureau o.; kantoor v. (2) [碁局] schaakspel o. (3) [時局] toestand m.; situatie v. (4) [結局] einde v.; conclusie v. (5) [當局] autoriteit v. ¶ 局に當たる een zaak ter hand nemen. ¶ 局を結ぶ tot een einde komen; afloopen.
shūtai醜態
zn. ergerlijke toestand m.; onbetamelijkheid v.; onfatsoenlijk gedrag o. ¶ 醜態を顯はす zich aanstootelijk vertoonen.
mama
(まま) bw. (1) [其の儘] zooals het is; in den tegenwoordigen toestand. (2) [意の] naar verkiezen; zoals men wil. ¶ で met zijn schoenen aan. ¶ 聞いた話す vertellen zooals men het gehoord heeft. ¶ もとのである hetzelfde gebleven zijn; onveranderd zijn. ¶ 何卒其 derangeer u niet; blijft toch zitten. ¶ 思ふする doen wat men wil; zijn eigen zin doen. ¶ なるなら als ik mijn zin kreeg. ¶ そのにして置く het erbij laten; geen moeite doen het te veranderen.
suitai醉態

(酔態) zn. dronkenschap v.; beschonken toestand m.; kennelijke staat van dronkenschap.

kukyō苦境

zn. droevige omstandigheden v.mv.; treurige toestand m.; tegenspoed m.

kyō

zn. (1)[境界] grens v. (2)[狀態] toestand m.

kyōgū境遇

zn. omstandigheden v.mv.; toestand m.; omgeving v. ¶ 境遇は人を造る de mensch is het product van zijne omgeving. ¶ 境遇に適應する zich aan de gelegenheid passen.

zettaisetsumei絶體絶命

(絶体絶命) zn. wanhopige toestand m.; uiterste o. ¶ 絶體絶命になる geen raad meer weten; ten einde raad zijn; wanhopig zijn.

zenpyō全豹
zenkyoku全局

zn. algemeene toestand m.; staat van zaken. ¶ 全局に亙りて alles bij elkaar; over het algemeen beschouwd. ¶ 全局の algemeen.

zama

(様) zn. toestand m. ¶ それは何という樣だ wat zie je er uit! ¶ 樣見る net goed!; je hebt je verdiende loon.

zaisei財政

zn. financiën v.mv. ¶ 財政政策 financieele toestand. ¶ 財政の financieel; geldelijk. ¶ 財政部 departement van financiën. ¶ 財政監督 financieele inspectie; inspecteur van financiën. ¶ 財政整理 financieele reorganisatie. ¶ 財政政策 financieele politiek.

yumeutsutsu夢現

zn. droom en werkelijkheid; halve droom m.; extase v.; vervoering v.; half-slapende toestand m.

yōsu樣子

(様子) zn. (1) [狀態] toestand m.; conditie v. (2) [姿態] uiterlijk o. (3) [態度] houding v.; manier van doen. ¶ 大體の樣子 de algemeene toestand; de staat van zaken. ¶ 樣子を窺ふ zien, hoe het ermee staat; kijken uit welken hoek de wind waait. ¶ 樣子がよい er goed uitzien. ¶ 樣子をする zich aanstellen; zich voordoen als; voorwenden. ¶ 樣子振る aanstellerig doen; zich aanstellen.

yogara世柄
yōdai容態

zn. (1) [患者の] toestand m. (2) [容儀] houding v.; optreden o. ¶ 容態ぶる gewichtig doen; zich aanstellen. ¶ 容態振り gewichtigdoenerij; dikdoenerij; aanstellerij. ¶ 容態書 bulletin omtrent den toestand van den zieke; geneeskundig certificaat.

uwamuki上向

zn. (1) [外見] uiterlijk o.; voorkomen o.; schijn m. (2) [相場の] neiging tot stijgen. ¶ 上向の naar boven gericht; (外見) uiterlijk; schijnbaar; stijgend (相場). ¶ 上向の鼻 wipneus. ¶ 上向く neiging vertoonen tot stijgen; oploopen. ¶ 景氣が上向きになつて來た de economische toestand begint er hoopvoller uit te zien.

tsune

zn. normale toestand m.; gewone omstandigheden v.mv. ¶ 常ならぬ ongewoon; abnormaal. ¶ 常とする er een gewoonte van maken; gewoon zijn om. ¶ 常の gewoon; normaal; gebruikelijk. ¶ 常の如く als gewoonlijk. ¶ 常に gewoonlijk; in den regel; meestal. ¶ 世の常 de menschelijke natuur. ¶ 常ならぬ身になる in gezegende omstandigheden zijn; kind verwachten.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <toestand>
シチュエーション shichuēshon (1) situatie; toestand; omstandigheden; positie; (2) [ton.] kritieke samenloop van omstandigheden
ステイタス suteitasu (1) status; standing; sociale; maatschappelijke positie; (2) stand; toestand; (3) [ホテル;レストランの] aantal reserveringen
ステート sutēto (1) staat; natie; rijk; (2) deelstaat; (3) toestand; staat; (4) stand; rang
ミント minto (1) [plantk.] munt; Mentha; (2) [stofnaam] munt; (3) pepermunt; pepermuntje; mint; pepermunttabletje; [Belg.N.] muntje; (4) puntgaaf; perfecte staat; toestand; [m.b.t. munten] fleur du coin; [afk.] FDC
事情 jijō omstandigheden; toestand; situatie; stand van zaken; zaken; [i.h.b.] redenen
事態 jitai situatie; toestand; de dingen; de zaak; de (stand van) zaken; omstandigheden
koto (1) ding; voorwerp; zaak; (2) zaak; aangelegenheid; affaire; omstandigheid; belang; (3) probleem; vraagstuk; kwestie; vraag; (4) feit; feitelijkheid; (5) omstandigheid; omstandigheden; toestand van een zaak; staat van zaken; toestand; situatie; (6) geval; (7) voorval; incident; onverwachte gebeurtenis; ongewone gebeurtenis; (8) ongeluk; ongeval; tegenspoed; pech; onheil; moeilijkheid; verwikkeling; (9) werk; werkzaamheid; ambtelijke werkzaamheid; functie; taak; opdracht; plicht; wat van iemand geëist wordt; (10) oorzaak; motief; reden; beweeggrond; (11) ervaring; ondervinding
体調 taichō lichamelijke gesteldheid; conditie; toestand; fysieke conditie; lichaamsconditie; lichaamsgesteldheid
体;躰 tai (1) lichaam; lijf; (2) staat; toestand; gesteldheid; (3) vorm; voorkomen; gedaante; stijl; (4) wezen; essentie; substantie; aard; natuur; (5) [taalk.] substantief; substantivum; (6) sterkte; kloekheid; ruggengraat; (7) [ikebana] bovenste leidtak; (8) [wisk.] lichaam; (9) [maatwoord voor goden- en boeddhabeelden;lijken e.d.]; (a) lichaam; ledematen; (b) gedaante; vorm; (c) figuur; voorwerp; (d) wezen; essentie; substantie; (e) orgaan; organisatie; (f) lichamelijke opvoeding
光景 kōkei (1) zicht; gezicht; schouwspel; tafereel; aanblik; (2) toestand; conditie; situatie; (3) landschap; uitzicht; zicht
(a) schijnen; beschijnen; (b) licht; schittering; luister; (c) tijd; (d) toestand; uitzicht; (e) eer; roem
具合 guai (1) staat; toestand; situatie; (2) gezondheidstoestand; (3) gelegenheid; goede gelegenheid; gepastheid; geschiktheid; (4) fatsoen; goede manieren; (5) manier; methode; wijze van doen; wijze van handelen
内情 naijō interne aangelegenheden; toestand; situatie; inside informatie; fijne van de zaak
bun (1) deel; part; portie; (2) gedeelte; segment; (3) status; positie; plaats; stand; standing; hoedanigheid; capaciteit; (4) plicht; taak; (5) staat; omstandigheden; (6) veronderstelling; (7) soort; allooi; (8) enkel dat; (9) portie; dosis; hoeveelheid; (10) hoedanigheid; (11) -gehalte; (12) -tijd; (13) tiende; tiende deel; gedeelte; tien procent; (14) [oude lengtemaat] 0,1 sun 寸 [= ca. 3,03 mm]; (a) verdeling; opdeling; scheiding; (b) verduidelijking; (c) aftakking; apart deel; (d) bestanddeel; element; (e) tijdsgewricht; (f) attributie; plicht; (g) kwalificatie; hoedanigheid; positie; (h) staat; toestand; mate
sei (a) kracht; macht; energie; vitaliteit; (b) natuurkracht; (c) situatie; staat; toestand; (d) teelbal; (e) [mil.] troepensterkte; (f) [Jap.gesch.] provincie Ise 伊勢
原生 gensei (1) oervorm; oorspronkelijke vorm; toestand; oerstaat; oertoestand; ongereptheid; (2) proto-; oer-
在り方 arikata zijnswijze; vorm; toestand; hoedanigheid; conditie
塩梅 anbai (1) [cul.] smaak; kruiding; (2) toestand; mate; manier; wijze; (3) conditie; gezondheidstoestand; vorm; (4) regeling; schikking; arrangement; ordening
境地 kyōchi (1) staat; fase; stadium; toestand; (2) [fig.] terrein; paden
境遇 kyōgū (1) milieu; omgeving; leefwereld; (2) (materiële) positie; situatie; staat; conditie; omstandigheden; toestand; lot; (3) maatschappelijke positie; rang; stand
kyō (1) plaats; streek; gebied; (2) gemoedstoestand; stemming; staat; (3) omgeving; situatie; (4) [boeddh.] viṣaya [= cognitief object]; vastu [= ding]; (a) grens; (b) gebied; terrein; domein; (c) situatie; toestand; (d) [boeddh.] viṣaya; gebied van de zintuigen
姿 sugata (1) figuur; gedaante; gestalte; vorm; [arch.] gestaltenis; (2) voorkomen; verschijning; aanzicht; (3) toestand; staat; gesteldheid; (4) gekleed als …; gestoken in …
実際 jissai (1) [boeddh.] bhūtakoṭi [= ultieme realiteit]; (2) realiteit; werkelijkheid; (bestaande) situatie; toestand; ware toedracht; feitelijkheid; (3) praktijk; praktische kant; (4) echt; inderdaad; werkelijk; waarlijk; (5) eigenlijk; feitelijk; in wezen; in feite; in werkelijkheid; in praktijk; daadwerkelijk
対局 taikyoku (1) partijtje go; shogi; (2) confrontatie met de situatie; toestand
局面 kyokumen (1) [m.b.t. go;shogi] spelfase; spelstadium; (2) situatie; toestand; stand van zaken
形勢 keisei toestand; situatie; omstandigheden; constellatie; stand van zaken
形容 keiyō (1) beschrijving; kenmerking; afschildering; (2) vorm; toestand; uiterlijk; voorkomen; figuur
情事 jōji (1) hartszaak; (2) staat; omstandigheden; toestand; situatie; (3) hartsaangelegenheid; liefdesaangelegenheid; liefdesaffaire; liefdesbetrekking; liefdesverhouding; (4) liefdesavontuur; buitenechtelijke verhouding; relatie; affaire; liaison; avontuurtje; galanterie; amourette; romance; idylle; intimiteiten; [veroud.] minnarij
情勢;状勢 jōsei toestand; stand van zaken; situatie; omstandigheden; constellatie
情景 jōkei (1) stemming en natuurschoon; gemoeds- en natuurgesteldheid; (2) tafereel; schouwspel; gezicht; toestand; omstandigheid; situatie
(1) gevoel; emotie; (2) menselijkheid; inleving; betrokkenheid; attentheid; mededogen; medeleven; (3) liefde; gehechtheid; affectie; genegenheid; hart; (4) lust; begeerte; (5) smaak; charme; karakter; (6) toestand; gesteldheid; situatie; (7) reden; grond
tai (1) vorm; gedaante; gestalte; voorkomen; (2) [taalk.] vorm; (a) staat; gesteldheid; toestand; conditie; situatie
所在 shozai (1) plaats waar iemand; iets zich bevindt; verblijfplaats; whereabouts; het ergens zijn; locatie; ligging; situering; (2) daad; handeling; (3) positie; status; omstandigheden; toestand
日和 hiyori (1) weer; (2) mooi weer; lekker weertje; (3) gunstig; ideaal weer voor …; (4) lage houten sandalen voor droog weer; (5) het weer op zee; (6) zeeweer; goed weer om op zee te varen; (7) [fig.] situatie; toestand
時局 jikyoku situatie; toestand; stand van zaken
kei (1) uitzicht; gezicht; landschap; tafereel; schouwspel; (2) [ton.] deel van een bedrijf; scène; toneel; episode; (3) [maatwoord voor scènes]; (a) uitzicht; schouwspel; (b) toestand; situatie; (c) groot; fortuinlijk; (d) iets extra's geven; (e) bewonderen; respecteren
景気 keiki (1) wereld; dingen; zaken; tijden; (2) conjunctuur; toestand; gesteldheid van de economie; omstandigheden van de handel; marktsituatie; (3) welvaart; bloei; voorspoed
有り様 ariyō (1) waarheid; ware toedracht; (2) toestand; staat; gesteldheid; conditie; (3) ideaal; ideale toestand; staat; (4) bestaanbaarheid; mogelijkheid
有様 arisama (1) toestand; staat; gesteldheid; conditie; situatie; omstandigheden; (2) aanblik; gezicht; uitzicht; schouwspel; spektakel
概況 gaikyō algemene situatie; toestand; gesteldheid; omstandigheden; situatie in grote lijnen; algemene vooruitzichten
様子 yōsu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
様態 yōtai (1) wijze; modus; (2) [fil.] modaliteit; (3) toestand; conditie; staat; gesteldheid
様;状 sama (1) voorkomen; aanblik; uitzicht; aanzien; schijn; gezicht; air; toestand; staat; gesteldheid; situatie; omstandigheden; (2) -elings; -waarts [drukt een richting;oriëntatie uit]; (3) meneer; mijnheer; [afk.] m.; de heer; [afk.] dhr.; mevrouw; [afk.] Mw.; [afk.] Mevr.; madame; [afk.] Mme.; [afk.] Mad.; juffrouw; mejuffrouw; [afk.] Mej. [eerbetonend suffix;voorafgegaan door een naam;titel;status e.d.]; (4) [vaak i.c.m. het prefix o お of go ご een kwalificatie inklemmend]; (5) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de handeling die iem. net op het punt staat te doen]; (6) [voorafgegaan door de ren'yōkei van een dōshi noemt het de wijze of manier waarop een handeling zich voltrekt]
模様 moyō (1) patroon; dessin; tekening; motief; (2) aanzicht; voorkomen; aanblik; indruk; teken; toestand; gesteldheid; omstandigheden; stand van zaken
気色 keshiki (1) uitdrukking; humeur; (2) teken; indicatie; aanwijzing; (3) toestand; aanblik; uitzicht; (4) allusie; zinspeling; suggestie; voorafschaduwing; (5) zweem; vage aankondiging; (6) gunst; begunstiging; gratie
消息 shōsoku (1) nieuws; informatie; tijding; bericht; brief; contact; (2) toestand; staat; situatie; conditie; omstandigheden; (3) wederwaardigheden; lotgevallen; gebeurtenissen; ups en downs; wisselvalligheden; (4) aankondiging van de reden van z'n bezoek
液状 ekijō (1) vloeibare staat; toestand; (2) [~の] vloeibaar; liquide; vloeistofachtig; fluïde; vloeiend
状態;情態 jōtai toestand; gesteldheid; staat; stand (van zaken); status; omstandigheden; gebeuren; situatie; gelegenheid; conditie; constellatie; [inform.] bedoening
状況;情況 jōkyō omstandigheden; situatie; toestand; staat; stand van zaken; gebeuren
(1) omstandigheden; situatie; toestand; staat; gesteldheid; (2) voorkomen; uitzicht; schijn; (3) brief; schrijven; [scherts.] epistel; [i.h.b.] verslag; bericht; kennisgeving; rapport; (4) -brief; (5) -achtig; -ig; -(ge)lijk; als (van) een ~; gelijkend op ~; -vormig; in de vorm van ~
経緯 ikisatsu situatie; omstandigheden; toestand; details; bijzonderheden; ontwikkelingen; loop van de gebeurtenissen
調子 chōshi (1) toon; toonhoogte; (2) tempo; ritme; (op) dreef; (op) gang; (3) stijl; [stelk.] register; manier; wijze; stemming; (4) conditie; vorm; staat (van gereedheid); toestand; (in; niet in zijn normale) doen
雲行き kumoyuki (1) [meteo.] wolkenbeweging; weersgesteldheid; weerstoestand; weersituatie; weer; (2) situatie; toestand; stand van zaken; gang van zaken; ontwikkelingen; evolutie; wending; loop der gebeurtenissen
騒ぎ sawagi (1) lawaai; leven; rumoer; kabaal; tumult; gedruis; geraas; misbaar; geroezemoes; [fig.] pandemonium; (2) drukte; gewoel; beweging; [fig.] gewriemel; vertier; omhaal; omslag; [uitdr.;gew.] een hele begankenis; [gew.] beslag; bedoening; bereddering; soesa; [fig.] poespas; spats; [volkst.] gedoe; [fig.] kermis; [fig.] circus; gejaagdheid; jachtigheid; gejakker; gejacht; opwinding; excitatie; agitatie; (3) heisa; herrie; toestand; commotie; rel; onrust; opschudding; alteratie; consternatie; beroering; roering; roerigheid; [oneig.] oproer; [arch. of gew.] laweit; [fig.] fermentatie; deining; alarm; ophef; sensatie; stampij; heibel; gemaal; poeha; stennis; keet; tamtam; [fig.] fanfare; [inform.] bombarie; spektakel; [inform.] beestenboel; gekrakeel; [i.h.b.] ruzie; [i.h.b.] twist; [i.h.b.] gekijf; [i.h.b.] onenigheid; (4) woeling; rustverstoring; ordeverstoring; rel; perturbatie; onrust; opstootje; onlusten; beroering; troebelen; [fig.] gisting; [hist.] beroerten
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.17 sec. jiten.nl: 24 treffers, warandict: 54 treffers (zoekopdracht: 'toestand'). 
2005-2026