RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <zien>
付き合う tsukiau (1) omgaan met; optrekken met; zich ophouden met; in gezelschap verkeren van; [bep. mensen enz.] zien; betrekkingen onderhouden met; omgang hebben met; contacten hebben met; [slecht;goed enz.] kunnen opschieten met; [goed;nauwelijks enz.] bevriend zijn met; [i.h.b.] verkering hebben met; een relatie hebben (met); met elkaar gaan; uitgaan met; daten; vrijen; (2) gezelschap houden; het gezelschap zoeken van; vergezellen; meedoen met
会う au ontmoeten; zien; treffen; [突然~] aantreffen; stoten op; tegen het lijf lopen
分かる wakaru (1) begrijpen; verstaan; snappen; vatten; zien; inzien; beseffen; te weten komen; beetkrijgen; er achter komen; hoogte krijgen van; er wijs uit kunnen (worden); herkennen; onderkennen; kunnen volgen; begrijpelijk zijn; zich een begrip vormen van; (2) begrip kunnen opbrengen voor; begip tonen; begripvol zijn; redelijk zijn; (3) blijken (te zijn); duidelijk worden; aan het licht komen; vinden; weten; kennen; geïdentificeerd zijn; (4) waarderen; appreciëren; gevoel hebben voor; verstand hebben van; smaken
御覧 goran (1) [hon.] kijkje; bezichtiging; bekijken; kijken; lezen; doornemen; zien; (2) kijk!; zie!; (3) [hon.] […て御覧] probeer eens …
御覧になる;ご覧になる goranninaru (1) zien; aankijken [Dit werkwoord is de honorifieke vorm (sonkeigo 尊敬語) van miru 見る.]; (2) bekijken; aanschouwen [Dit werkwoord is de honorifieke vorm (sonkeigo 尊敬語) van miru 見る.]
感付く kanzuku merken; gewaar worden; bespeuren; bemerken; in de gaten hebben; opmerken; beseffen; zich realiseren; zien
拝見する haikensuru een kijkje nemen; in ogenschouw nemen; bekijken; bezichtigen; kijken naar; zien; inzien; beschouwen; [i.h.b.] lezen; [i.h.b.] onderzoeken; [i.h.b.] inspecteren
捕らえる toraeru (1) vatten; pakken; grijpen; vangen; snappen; klissen; (2) te pakken krijgen; weten te vangen; [de kans] krijgen; [een idee] aangrijpen; bemachtigen; de hand leggen op; beetpakken; beetkrijgen; beetnemen; weten vast te leggen; [fig.] captiveren; (3) gevangennemen; arresteren; aanhouden; oppakken; inrekenen; [uitdr.] in de kraag vatten; [m.b.t. een bende] oprollen; [Barg.] schutten; (4) snappen; verstaan; komen achter [de waarheid enz.]; (kunnen) volgen; beethebben; begrijpen; bevatten; inzien; omvatten; (5) opvangen; zien; bemerken; gewaarworden; (6) aangrijpen; aanpakken; aandoen; roeren; ontroeren; treffen; raken; een diepe indruk maken op
望む nozomu (1) een uitzicht hebben; (in de verte) zien; uitzien; overzien; overkijken; [w.g.] afogen; uitkijken; (2) wensen; willen; verlangen; begeren; verkiezen; believen; uit zijn op; staan naar; ambiëren; streven naar; dingen; verhopen; hopen; verwachten; uitkijken naar; vlassen op; talen naar; [Barg.;volkst.] spinzen (op)
気付く kizuku opmerken; bemerken; weten; zien; bespeuren; ontwaren; waarnemen; voelen; beseffen; erg hebben in
目す mokusu (1) zien; bezien; bekijken; (2) beschouwen; aanzien; houden voor; achten; (3) met het oog wenken; een oogwenk geven
目にする menisuru zien; in het oog krijgen; waarnemen; getuige zijn van; bemerken; constateren
直面する chokumensuru geconfronteerd worden met; oog in oog staan met; zich geplaatst; gesteld zien voor; voor ogen hebben; zien; onder ogen zien; staan tegenover
表明する hyōmeisuru uitdrukken; uiten; betuigen; manifesteren; laten blijken; zien; openbaren; blijk geven; tonen; duidelijk maken; kenbaar maken; te kennen geven; uitspreken; verklaren; aankondigen; bekendmaken; verkondigen; getuigen van; getuigenis afleggen van
見える mieru (1) zichtbaar zijn; gezien kunnende worden; te zien zijn; in zicht zijn; verschijnen; zien; (2) kunnen zien; in staat zijn te zien; (3) vinden; aantreffen; waarnemen; (4) komen; aankomen; opdagen; arriveren [beleefdheidsvorm voor kuru 来る]; (5) eruitzien (als); lijken; toeschijnen; voorkomen; de indruk wekken
見る;看る;視る;観る miru (1) zien; kijken (naar); [inform.] loeken; bekijken; bezien; bekennen; aanzien; aankijken; gadeslaan; bezichtigen; beschouwen; in aanmerking nemen; [arch.] aanschouwen; [lit.t.] blikken; [Barg.] brillen; [Barg.] spannen; afgaande op …; getuige [het feit dat … enz.]; te oordelen naar …; uitgaande van …; (2) lezen; doorkijken; [新聞を] doorlopen; inzage nemen; inzien; naslaan [in een woordenboek e.d.]; raadplegen; consulteren; nazien; nagaan; checken; controleren; (3) ervaren; meemaken; ondervinden; beleven; (4) zorgen voor; verzorgen; passen op; letten op; toezien op; behartigen; waken over; toezien op; verplegen; [面倒を] zich aantrekken; (5) [iets bij wijze van proef doen]; (6) als je zou …; mocht je …; [gew.] moest je … [eindigend op de partikels ば of と]; (7) nu …; nou …; in de zich thans voordoende situatie dat … [eindigend op het partikel ば]; (8) wanneer …; toen … [eindigend op de partikels ば of と]; (9) ware … het geval
見做す;看做す minasu beschouwen; aanzien; bezien; houden voor; achten; zien; opvatten; vinden; aanmerken; (zich) aanrekenen
見初める misomeru (1) verliefd worden op het eerste gezicht; op slag liefde opvatten voor; (2) voor het eerst ontmoeten; zien; (3) voor het eerst naar bed gaan
見受ける miukeru (1) aannemen; veronderstellen; ervan uitgaan; inschatten; (2) aantreffen; zien; tegenkomen; opmerken; in het oog krijgen
見損なう misokonau (1) miskijken; miszien; verkijken; verkeerd kijken; zien; lezen; (2) verzuimen te zien; bezichtigen; bekijken; missen; aan het oog ontsnappen; ontgaan; (3) misschatten; verkeerd beoordelen; verkeerd schatten; miskennen; zich misrekenen in; [Belg.N.] zich mispakken aan
見通す mitōsu (1) uitkijken; ten einde kijken; bekijken; (2) ongehinderd overzien; vrijelijk zicht hebben; (3) erdoor kijken; zien; doorzien; doorgronden; doorvorsen; doordringen; (4) voorzien; vooruitzien
視 shi (1) -visie; -beeld; -beschouwing; -opvatting; (a) zien; (b) observatie; (c) visie; beschouwing
視認する shininsuru waarnemen; observeren; zien
認める mitomeru (1) opmerken; zien; bespeuren; bekennen; waarnemen; in de gaten hebben; getuige zijn van; (2) [schuldig enz.] bevinden; vinden; achten; menen; oordelen; beschouwen; aanzien; houden voor; van mening zijn dat; (3) toegeven; erkennen; inzien; aanvaarden; accepteren; aannemen; honoreren; bekrachtigen; goedkeuren; toelaten; toestaan; sanctioneren; (4) erkennen; waarderen; appreciëren