RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <uiterlijk>
アスペクト asupekuto (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; aspect; (2) [spraakk.] aspect; vorm
マスク masuku (1) masker; gezichtsmasker; mombakkes; mom; (2) mondkapje; mondmasker; (3) [m.b.t. boksen;lassen e.d.] hoofdbeschermer; (4) gezicht; gelaat; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (5) [elektronica] tekening van een geïntegreerde schakeling
ルック rukku uiterlijk; voorkomen; aanzien; look
一見 ikken (1) kijkje; blik; oogopslag; (2) ogenschijnlijk; schijnbaar; uiterlijk; kennelijk; naar het zich laat aanzien
上辺 uwabe voorkomen; schijn; uitzicht; uiterlijk; aanzien
上辺の uwabeno uitwendig; uiterlijk; schijnbaar; ogenschijnlijk; oppervlakkig; superficieel; schoonschijnend; cosmetisch
上辺は uwabeha op het eerste gezicht; aan de buitenkant; aan de oppervlakte; oppervlakkig; uiterlijk; ogenschijnlijk; schijnbaar
人体 nintei voorkomen; allure; look; uiterlijk
体裁 teisai (1) schijn; voorkomen; uitzicht; uiterlijk; uiterlijkheid; (2) vorm; format; stijl; wijze; (3) (schone) schijn; fatsoen; (4) omhaal; woordenkraam; woordenkramerij
器量 kiryō (1) talent; vermogen; capaciteit; gave; bekwaamheid; kaliber; formaat; (2) [女性の] uiterlijk; voorkomen; looks; trekken; gelaatstrekken; gezicht; (3) [男性の] reputatie; verdienste; eer; goede naam
外見 gaiken uiterlijk; uitwendig voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外見 sotomi uiterlijk; voorkomen; schijn; uiterlijke gedaante; uiterlijkheden; uitwendigheid; buitenaanzicht; aanzien; [geneesk.] faciës; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外観 gaikan uiterlijk; voorkomen; schijn; aanschijn; uiterlijke gedaante; uitwendigheid; uiterlijkheid; buitenaanzicht; aanzien; [Belg.N.] buitenzicht; [veroud.] aanzicht; [gew.] uitzicht
外観上 gaikanjō uiterlijk; uitwendig; op het oog; schijnbaar; ogenschijnlijk; naar alle schijn; in schijn; zo te zien; op de uiterlijke schijn af; naar het schijnt
外部の gaibuno buitenste; buiten-; uitwendig; aan de buitenzijde; buitenkant; uiterlijk
外 soto (1) buiten; buitenkant; buitenzijde; [attr.] buiten-; [loc.] eruit; [loc.] naar buiten; [loc.] buitenwaarts; [loc.] uiterlijk; (2) buitenwereld; [attr.] openlucht-; [attr.] outdoor ~; [loc.] buitenshuis
容姿 yōshi figuur; lichaamsvorm; bouw; lichaam; lijf; uiterlijk; voorkomen; aanschijn; verschijning
容貌 yōbō uiterlijk; voorkomen; gelaatstrekken; trekken
容 yō (a) inbrengen; (b) inhoud; (c) vorm; uiterlijk; (d) verhoren; aanvaarden; vergeven; (e) innerlijke rust; (f) eenvoudig
形容 keiyō (1) beschrijving; kenmerking; afschildering; (2) vorm; toestand; uiterlijk; voorkomen; figuur
形式 keishiki (1) vorm; (2) uiterlijk; uiterlijke gedaante; uiterlijke vorm; uiterlijke verschijning; schijn; (3) formaliteit; conventie; omgangsvorm; procedure; (4) (in de kunst) formalisme; (in de kunst) het nadruk leggen op de uiterlijke vorm; (5) (in de filosofie) een idee; (in de filosofie) een vorm
形相 gyōsō blik; gelaatsuitdrukking; gezicht; uiterlijk; voorkomen
形相 keisō (1) vorm; gedaante; uiterlijk; voorkomen; (2) [fil.] eidos
形 katachi (1) vorm; voorkomen; gedaante; uiterlijk; (2) vorm; verschijningsvorm; formaliteit
形 kei vorm; gedaante; uiterlijk
恰好;格好 kakkō (1) vorm; voorkomen; presence; houding; uiterlijk; (2) postuur; een pose; een figuur; gedaante; gestalte; positie; (3) manier [van doen]; houding; (4) passend bij; redelijk; billijk; matig
様子 yōsu (1) toestand; situatie; staat; omstandigheden; stand van zaken; gesteldheid; het hoe; (2) schijn; voorkomen; uiterlijk; aanblik; aanzien; karakter; air; uitzicht; indruk; habitus; (3) reden; grond; (4) teken; blijk; aanwijzing; symptomen
様相 yōsō (1) aanblik; voorkomen; aanzien; uiterlijk; plaatje; aspect; (2) [fil.] modaliteit
気色 kishoku (1) gezichtsuitdrukking; gezicht; gelaatsuitdrukking; gelaat; gelaatstrekken; trekken; uitdrukking; expressie; blik; uiterlijk; mimiek; (2) gevoel; gemoedstoestand; geestestoestand; stemming; mood; bui; humeur; luim; (3) conditie; staat van gezondheid; gezondheidstoestand; (4) intentie; voornemen; (5) omstandigheden; situatie; (6) vormelijkheid
気配 kehai (1) teken (dat een persoon gewaarwordt in zijn omgeving); indicatie; symptoom; (2) blijk; schijn; uiterlijk; (3) voorteken; omen; (4) gedrag; optreden; houding
相 sō (1) voorkomen; aanblik; aspect; uiterlijk; (2) kenmerk; kentrek; eigenschap; wichelteken; [boeddh.] lakṣaṇa [= onderscheidend kenmerk]; nimitta [= teken;merkteken]; (3) [spraakk.] aspect; vorm; (4) [chem.] fase; [natuurk.] aggregatietoestand; aggregaatstoestand; (5) [geol.] faciës; (1) voorkomen; vorm; (2) wichelarij; -mantie; (3) onderling; wederzijds; (4) opvolging; opeenvolging; (5) provincie Sagami
締め切る;閉め切る shimekiru (1) sluiten; dichtdoen; toedoen; (2) afsluiten; beëindigen; besluiten; [meton.] uiterlijk; niet later dan; op zijn laatst ~ aanvaarden
色目 irome (1) tint; schakering; kleurschakering; toon; coloriet; (2) [襲の] kleurencombinatie; (3) verliefde; smachtende blik; gelonk; (4) gelaatsuitdrukking; expressie; gezicht; voorkomen; uiterlijk; air
色 iro (1) kleur; (2) verf; kleur; kleurstof; pigment; (3) gelaatskleur; gelaatsuitdrukking; voorkomen; uiterlijk; look; houding; (4) liefde; liefdesaffaire; romance; liefdesavontuur; idylle; (5) wellust; lust; vleselijk verlangen; seksuele begeerte; sexuele passie; zinnelijk plezier; sensueel genot; (6) liefje; vrijer; meisje; jongen; liefste; geliefde; minnaar; minnares; maîtresse; (7) schoonheid; beminnelijkheid; schattigheid; vrouwelijke charmes; aantrekkelijkheid; (8) verfraaiing; versiering; decoratie; ornament; opschik; tooi; (9) soort; aard; type; klasse; (10) [maatwoord voor kleuren]
色 shiki (1) [boeddh.] rūpa [= uiterlijk;vorm (één van de vijf skandha's)]; (2) [boeddh.] rūpa [= het zichtbare;schijnbare (één van de vijf viṣaya's)]; (a) kleur; kleuring; (b) gelaatskleur; teint; (c) wellust; passie; (d) voorkomen; uiterlijk; (e) [boeddh.] rūpa
見せ掛け misekake (1) voorkomen; uiterlijk; aanschijn; aanzien; [Belg.N.;niet alg.] uitzicht; (2) schijn; show; het voordoen; komedie; veinzerij; huichelarij; geveins; gehuichel; schijnvertoning; het doen alsof
見た目 mitame aanblik; gezicht; schijn; uiterlijk
見掛け mikake schijn; uiterlijk; het eruitzien; aanzicht; aanzien; gezicht; voorkomen; aanschijn; het voordoen; show; schijnvertoning; façade
見栄 mie vertoon; show; schijn; uiterlijk; sier; ostentatie; ijdelheid
見 mie voorkomen; aanblik; uitzicht; gezicht; verschijning; uiterlijk; gedaante
観 kan (1) voorkomen; uitzicht; uiterlijk; schijn; aanzien; aanblik; blik; gezicht; spektakel; schouwspel; (2) zienswijze; opvatting; kijk; visie
趣 omomuki (1) algemene betekenis; globale inhoud; grote lijnen; teneur; strekking; tendentie; (2) omstandigheden; (3) voorkomen; schijn; uiterlijk; sfeer; (4) charme; aantrekkelijkheid; smaak; karakter
身形 minari (1) kleding; kledij; tenue; toilet; dos; tooi; dracht; (2) voorkomen; uiterlijk
遅くとも osokutomo uiterlijk; op zijn laatst; [Belg.N.] ten laatste
遅くも osokumo uiterlijk; op zijn laatst; niet later dan
面目 menboku (1) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam; (2) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk
面目 menmoku (1) gezicht; gelaatstrekken; voorkomen; uiterlijk; (2) basisprincipes; geboden; regel; voorschrift; (3) reputatie; eer; prestige; aanzien; krediet; goede naam
風体 fūtei (1) voorkomen; uiterlijk; look; verschijning; uiterlijke gestalte; (2) artistieke uitwerking (van een gedicht; nō-stuk enz.)
風貌 fūbō uiterlijk; uitwendige gedaante; fysieke verschijning; voorkomen; aanzien
風 fū (1) gewoonte; gebruik; neiging; (2) manier; wijze; voege; trant; stijl; type; soort; (3) air; allure; voorkomen; uiterlijk; houding; aanzicht; (4) zoals ~; op de manier van ~; in de stijl van ~; à la ~; naar ~
骨相 kossō (1) lichaamsbouw; lichaamsgestel; fysiek; (2) fysionomie; uiterlijk; gezicht; gelaatstrek; trek; schedelbouw; schedelstructuur