日蘭辭典+

28 resultaten voor ‘koken’
日蘭辭典 (trefwoord)
ryōri料理
zn. (1) [調理] bereiding v.; koken o. (2) [料理品] gerecht o. (3) [處理] behandeling v.; administratie v.; beheer. ¶ 料理法 bereidingswijze; recept. ¶ 料理案内書 receptenboek. ¶ 西洋料理 westersche keuken; Europeesch eten. ¶ 料理屋 restaurant; eethuis. ¶ 料理する bereiden; koken; klaarmaken. ¶ 處理する behandelen; in orde maken; administreeren. ¶ 料理人 kok (男); keukenmeid (女). ¶ 料理通 fijnproever; lekkerbek; gastronoom.
kokoro-e心得
zn. (1) [知識、會得] kennis v.; begrip o. (2) [準則] aanwijzing v. mv. (3) [規則] voorschriften v. mv. (4) [覺悟 ] voorbereid v. (5) [官職の心得] vervanger m. ¶ 局長心得 waarnemend directeur. ¶ 一通り科料を心得て居る zij kan goed koken. ¶ 商人の心得 voorschriften voor kooplieden; wat een koopman behoort te weten.
yusen湯熨

zn. koken au bain-Marie (佛語).

yudaru茹る

i.w. koken.

yuderu茹でる

t.w. koken.

waku沸く

i.w. (1) [沸騰] koken; borrelen; zieden; gisten. (2) [湧出] opspuiten. (3) [發生] ontstaan; krioelen. (4) [起る] uitbreken; gebeuren; voorkomen. ¶ 沸き溢れる overkoken. ¶ 血の沸く樣な話 een opwindend verhaal. ¶ 風呂が沸きました het bad is klaar. ¶ 其處には蚊が涌いて居る die plaats is verpest van muskieten; het krioelt daar van muskieten.

wakitatsu沸立つ

i.w. koken; borrelen; gisten.

wakikaeru沸返る

i.w. opborrelen; koken; gisten.

wakasu沸す

t.w. verhitten; koken. ¶ 湯を沸す water koken. ¶ 血を沸かす bloed aan het koken brengen; hevige opwinding veroorzaken.

SUPPLEMENT (trefwoord)
zus, zuster

[de, zussen; zusters] (1.a.a) [oudere zus(ter); mijn [onze] zus(ter)] ane (beleefheid: geen of nederig; richting: geschikt voor benoemen van de eigen zuster tegen tweede persoon; over een derde persoons oudere zuster (niet erend, niet beleefd); over een oudere zuster in algemene zin). ¶ 回転いいAne wa atama no kaiten ga ii. Mijn zus is vlot van begrip. 料理先生にして習いました。 Ryōri wa ane wo sensei ni shite naraimashita. Mijn zus heeft me koken geleerd. (TTC) (1.a.b.) [oudere zus; jongedame; aanspreekvorm serveerster] 姉さん anesan (algemeen of neutraal beleefd).

(1.b) [oudere zus(ter), uw [hun] zus(ter); aanspreekvorm serveerster] 姉さん neesan; お姉さん oneesan (beleefdheid: erend of algemeen beleefd; richting: over tweede of derde persoons oudere zuster; binnen wij-groep over of naar de eigen oudere zuster; in algemene zin); おちゃん oneechan (idem, maar meer familiair of vertroetelend). NB met name onder en naar kinderen worden deze vormen ook gebruikt om in algemene zin naar oudere zussen te verwijzen. ¶ メアリーは遊園地で一人で泣いている男の子を見つけて、やさしくをかけた。「ねえぼくどうしたの? 迷子になっちゃったの? おちゃんが迷子センターに連れてってあげようか?」 Mearii wa yūenchi de hitori de naite iru otoko no ko wo mitsukete, yasashiku koe wo kaketa. ‘Nee, boku, dōshita no? Meigo ni nattyatta no? Oneechan ga meigo-sentā ni tsurete tte ageyō ka?’ In het pretpark vond Mary een huilend jongetje. Met zachte stem sprak ze: ‘Hee, jongetje, wat is er aan de hand? Ben je je ouders kwijt? Zal ik [lett. de oude zus] je naar de informatiebalie brengen [lett. zoekgeraakte-kinderen-afdeling]?’ (TTC)

(2.a) [jongere zusje/zuster, mijn [onze] zuster/zusje] imōto (beleefheid: geen of nederig; richting: geschikt voor benoemen van de eigen zuster tegen tweede persoon; over een derde persoons jongere zuster (niet erend, niet beleefd); over een jongere zuster in algemene zin). ¶ の咲子ですと年子で、受験生ですImōto no Sakiko desu. Boku to toshigo de, ima jukensei desu. Dit is mijn zusje Sakiko. Ze minder dan een jaar jonger dan ik en studeert nu voor haar toelatingsexamens. ¶ をパーティーに連れて行きます。 Imōto wo paatii ni tsurete ikimasu. Ik neem mijn zus mee naar het feestje. (TTC) NB in een wij-groep noemen oudere broers en zussen hun jongere zuster alleen bij naam (dit vloeit voort uit de hiërarchie), omgekeerd spreken jongere broers en zussen hun oudere zussen normaal gesproken als姉さん oneesan aan. (Miura)

(2.b) [jongere zusje/zus(ter), uw [hun] zusje/zus(ter)] さん imōtosan (beleefdheid: erend of algemeen beleefd; richting: over tweede of derde persoons jongere zuster, of in algemene zin). ¶ 今度さんを連れていらっしゃい。 Kondo wa imōtosan wo tsurete irasshai. Neem de volgende keer je zus mee. ¶ さんによろしくね。 Imōtosan ni yoroshiku ne. Doe de groetjes aan je zus. (TTC)

(3) [zusters, zussen, zusjes] shimai; [oudere zus en jongere broer] 姉弟 kyōdai;[oudere broer en jongere zus] 兄妹 kyōdai; [broer en zus] 兄姉 kyōdai; [broers of broer en zus] 兄弟 kyōdai.

(4) [verpleegster] 看護婦 kangofu; [verpleger m/v] 看護士 kangoshi.

(5) [non] 修道女 shūdōjo; 修道尼 shūdōni; 尼僧 nisō.

RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <koken>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
ボイルする boirusuru [cul.] koken; aan de kook brengen
hou koken
料理する ryourisuru (1) koken; eten bereiden; eten klaarmaken; (2) koken; bereiden; klaarmaken; (3) afhandelen; verwerken; afdoen
沸かす wakasu (1) zieden; laten koken; koken; (2) prikkelen; opwinden; stimuleren; exciteren; in vervoering brengen; enthousiasmeren
沸く waku (1) koken; zieden; heet worden; (2) opgewonden zijn; geëxalteerd zijn; uitbundig zijn
沽券 koken waardigheid; goede naam; achting; aanzien; prestige
炊く taku koken; klaarmaken; gaar maken
炊事する suijisuru koken; kokkerellen; [w.g.] kokerellen
煮える nieru (1) gaar worden; (2) koken; zieden; (3) [fig.] zieden (van woede); [fig.] koken (van toorn); razend worden
煮る niru koken; zieden
煮炊きする nitakisuru koken; kokkerellen; [w.g.] kokerellen
煽る aoru (1) [風が] doen wapperen; doen flapperen; doen klapperen; doen zwaaien; doen wuiven; (2) [団扇を] waaieren; wuiven met; (3) aanblazen; aanwakkeren; aanvuren; aanstoken; aanzetten; aanjagen; aanhitsen; ophitsen; opstoken; oppoken; opsteken; ontsteken; instigeren; opzwepen; opwekken; prikkelen; voedsel geven aan; (4) [cul.] aan de kook brengen; koken; (5) [beurst.] aanzwengelen; opjagen; opdrijven; opvoeren; krachtig stimuleren; (6) [foto.] tillen; met een tilt fotograferen; (7) wapperen; flapperen; klapperen; zwaaien; wuiven; (8) bumperkleven; geen afstand houden; op iemands bumper zitten; op iemands lip rijden; te dicht achter een ander voertuig rijden
juku (a) koken; garen; (b) rijpen; volgroeien; (c) gewennen; gewoon worden; (d) voldoende; grondig; intensief
茹だる udaru (1) [卵が] koken; broeien; zieden; (2) afgemat zijn door de hitte; het benauwd hebben door de hitte; last ondervinden van de hitte; stikken van de hitte
茹だる yudaru (1) [卵が] koken; broeien; zieden; (2) afgemat zijn door de hitte; het benauwd hebben door de hitte; last ondervinden van de hitte; stikken van de hitte
茹でる uderu koken; zieden
茹でる;煠でる yuderu (1) koken; zieden; (2) badend of stomend helen; met een warm- of heetwaterbehandeling genezen
調理する chourisuru koken; bereiden; kokkerellen
Resultaten van japansnederlandswoordenboek.org   
Tijd: 1.65 sec. jiten.nl: 10 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'koken'). 
2005-2026