
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
日蘭辭典 (trefwoord)
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <naderen>
切迫する seppakusuru (1) naderen; dichterbij komen; dringen; urgent zijn; dreigen; ophanden zijn; op komst zijn; voor de deur staan; (2) gespannen worden; nijpen; hachelijk worden; acuut worden; kritiek worden
向かう mukau (1) staan tegenover; uitzien op; uitkijken op; het gezicht toekeren; aanzitten aan [de dis enz.]; (2) gaan in de richting van; trekken naar; vertrekken naar; zich begeven naar; op weg gaan naar; weggaan naar; aanlopen op; afgaan op; afkomen op; aangaan op; afstevenen op; aanhouden op; aansturen op; tegemoet gaan; zich keren tot; (3) worden; naderen; nabij zijn; (4) tegen [de wind enz.] in gaan; trotseren; zich keren tegen; er op losgaan; aanvallen; oprukken naar
寄せる yoseru (1) naderen; genaken; naken; (2) naderbij halen; dichterbij brengen; bijhalen; nader brengen tot; dichterbij laten komen; plaatsen (nabij ~); leggen (dichtbij ~); (3) verzamelen; bijeenbrengen; samenbrengen; vergaren; (4) zich toevertrouwen aan; gaan inwonen bij; zijn intrek nemen bij; (5) toesturen; toezenden; (6) optellen; bij elkaar tellen; (7) [m.b.t. gevoelens] toedragen; (8) in zekere vorm uitdrukken
寄る;凭る;倚る yoru (1) naderen; dichterbij komen; opschuiven; toekomen (op iem.); (2) samenkomen; bijeenkomen; zich verzamelen; elkaar ontmoeten; vergaderen; elkaar treffen; (3) (even) langskomen (bij iem.); langsgaan; even aanlopen; (terloops) kort bezoeken; aandoen; aankomen bij; (4) zich aan één kant verzamelen; uitwijken; opzij gaan; neigen naar; (5) leunen op; leunen tegen; rusten op; (6) worstelend voortduwen; (7) zich opstapelen; zich opeenhopen; (8) [m.b.t. markt;beurshandel] beginnen
差し掛かる;射し掛かる sashikakaru naderen; naderbij; dichterbij komen; tegemoet treden
性交する seikōsuru geslachtsgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele gemeenschap hebben; lijfsgemeenschap hebben; huwelijksgemeenschap hebben; geslachtelijke; echtelijke; [arch.] vleselijke; seksuele; intieme omgang hebben; geslachtsverkeer hebben; seksueel verkeer hebben; seks hebben; bedrijven; seksen; seksueel contact hebben; copuleren; de liefde bedrijven; paren; de geslachtsdaad verrichten; bedrijven; de liefdesdaad verrichten; bedrijven; de paringsdaad verrichten; bedrijven; de huwelijksdaad verrichten; bedrijven; de echtelijke; huwelijkse plicht(en) vervullen; vrijen; coïteren; cohabiteren; naar bed gaan; kroelen; krollen; uitwonen; [euf.] slapen; [euf.] de daad verrichten; bedrijven; [euf.;scherts.] voetjes warmen (met); [euf.] trouwen; [euf.;veroud.] naderen; [pregn.] aanraken; [pregn.] aanliggen; [form.] coïre; [form.] zonam solvere; [form.] samenkomen; [bijb.] bekennen; [bijb.;♂] (in)komen tot; [w.g.] bijslapen; [w.g.] bijwonen; [veroud.] zich te vleze begeven; [veroud.] elkaar gerieven; [arch.] (zich) verenigen; [arch.] zich vleselijk vermengen; [inform.] neuken; [inform.] rampetampen; [inform.] bonken; [inform.] vozen; [inform.] pezen; [inform.] platgaan; [inform.;♂] punten; [inform.;♂] rammen; [inform.] pielen; [inform.] afschroeven; [inform.] krikken; [inform.] wielen; [inform.] strijken; [inform.;Ind.N.] fieken; [inform.] doppen; [inform.] een dopje; doppie maken; [inform.] de koffer in duiken; kruipen; [inform.] voor Kaap Kont liggen; [inform.] een kind maken; [inform.] binnenbeens spelen; [inform.] een kransje breien; [inform.] de hongersnood verdrijven; [inform.;Belg.N.] het beest met de twee ruggen maken; [inform.;scherts.] het plafond witten; [inform.;scherts.;niet alg.] de koffie opschenken; [volkst.] een kunstje; wip(je); wippertje; nummertje maken; [volkst.;♂] een punt zetten; [volkst.;♂] op de veter nemen; [volkst.] wippen; [volkst.] van Wippenstein gaan; [volkst.] nummeren; [volkst.] pompen; [volkst.] schroeven; [volkst.] palen; [volkst.] palen laaien; [volkst.] potloden; [volkst.] tampen; [volkst.;♂] z'n platte tampie uitgooien; [volkst.] pennen; [volkst.] prikken; [volkst.] stiften; [volkst.] hompiekurken; [volkst.] sodemieteren; [volkst.] raggen; [volkst.] afraggen; [volkst.] kezen; [volkst.] kienen; [volkst.] jenzen; [volkst.] votsen; [volkst.] joekelen; joekeren; [volkst.] dreutelen; [volkst.] flensen; [volkst.] fleppen; [volkst.] piepjanknor gaan; [volkst.] de pijp uitkloppen; [gew.;inform.] strietsen; [gew.;inform.] vossen; [gew.;inform.] ketsen; [gew.;inform.;♂] vogelen; [gew.;inform.;♂] bedvogelen; [gew.;volkst.] kleunen; [gew.] meteen gaan; [gew.] vazelen; [gew.] haspelen; [vulg.] naaien; [vulg.;Belg.N.] poepen; [vulg.] emmeren; [vulg.] geilpompen; [vulg.] soppen; [vulg.] poken; [vulg.] kieren; [vulg.] afhakken; [vulg.] eiers in de pan slaan; [vulg.] op de muts; dot; stoffer; schroef gaan; [vulg.] van preut trekken; [vulg.;♂] een veeg geven; [vulg.;♂] vegen; [vulg.;♂] eroverheen gaan; [vulg.;♂] op z'n staart gaan staan; [Barg.] van bil gaan; [Barg.] op de kruk gaan; [Barg.] stoten; [Barg.] fikken; [Barg.] fietsen; [Barg.] piepelen; [Barg.] bibberen; [Barg.] latten; [Barg.] fluiten; [Barg.;volkst.] peunen; [Barg.;volkst.] pandoeren; [Barg.;volkst.] tokkelen
押し迫る oshisemaru ophanden zijn; naderen; op komst zijn; in aantocht zijn; aanstaande zijn; dichterbij; naderbij komen
接近する sekkinsuru (1) aanliggen tegen; kunnen tippen aan; dicht bij elkaar staan; liggen; in de buurt komen; gewaagd zijn aan; (2) naderen; nader komen tot; benaderen; naderbij; dichterbij komen; nabij; dichtbij komen; [form.] genaken; niet ver af zijn van; dicht passeren; (3) avances maken; toenadering zoeken; de eerste stappen doen; dichter aankruipen (tegen); aansluiting; anschluss zoeken bij; het aanleggen met; aanpappen met; intiem worden met; familiair worden met
擦り寄る;摺り寄る suriyoru (1) zich dichterbij schuiven; zich aanvlijen tegen; aan gaan liggen tegen; aankruipen tegen; (2) naderbij komen; dichterbij komen; naderen; [veroud.] toenaderen
来る kuru (1) komen; verschijnen; opdagen; naderen; niet achterwege blijven; (2) aankomen; arriveren; (zijn bestemming) bereiken; (3) bezoeken; een visite brengen; op bezoek gaan bij; te gast zijn bij; (4) aanbreken; beginnen; voor de deur staan; (5) worden; in een bepaalde toestand raken; in een bepaalde hoedanigheid raken; (6) (een houding) aannemen; (7) invoeren; introduceren; in gebruik laten komen; in zwang brengen; (8) zijn oorzaak vinden in; toe te schrijven zijn aan; te wijten zijn aan; veroorzaakt zijn door; (9) ontsproten zijn uit
来 rai (a) komen; naderen; (b) voorafgaan; gebeuren; (c) tot op heden; sinds; sedert; (d) toekomstig; (e) volgend; aanstaand
立ち寄る tachiyoru (1) naderen; nabij; dichterbij; naderbij komen; (2) langskomen; aanlopen; aandoen; binnenlopen; binnengaan; binnenwippen; aanwippen; onderweg bezoeken; langsgaan; aangaan
襲来する shūraisuru (1) komen aanstormen; binnenvallen; toestromen; overrompelen; in groten getale neerstrijken; (2) naderen; eraan komen; nabij; dichterbij komen
近付く chikazuku (1) naderen; benaderen; naderbij; dichterbij komen; afkomen op; eraan komen; in aantocht zijn; ophanden zijn; [arch.] naken; [arch.] genaken; (2) toenadering vinden; zoeken (tot); vertrouwd; close raken (met); [veroud.] toenaderen; [i.h.b.] leren kennen; (nader) kennis maken (met)
近寄る chikayoru (1) naderen; naderbij; dichterbij komen; benaderen; [arch.] naken; [arch.] genaken; (2) toenadering vinden; zoeken (tot); vertrouwd; close raken (met); [veroud.] toenaderen
近接する kinsetsusuru naderen; in de buurt komen van; nabij; dichterbij komen
近 kin (a) dichtbij; naderen; nabijheid; (b) recent; (c) close; meest verwant; naast; (d) gelijkend
迫る;逼る semaru (1) naderen; naderbij; dichterbij komen; nabij; dichtbij komen; in de buurt komen (van); [m.b.t. gevaar enz.] dreigen; op handen zijn; aanstaande zijn; voor de deur staan; imminent zijn; [veroud.] aanstaan; (2) [van pijn;verdriet enz.] zich verkrimpen; (3) nopen; pressen; onder druk zetten; pressie uitoefenen; aansporen; pushen; aandringen (op); trachten te bewegen (tot); aanzetten (tot); drijven (tot); persen (tot)
Tijd: 1.3 sec. jiten.nl: 6 treffers, warandict: 18 treffers (zoekopdracht: 'naderen').
2005-2026
