
日
蘭
蘭
辭
典
典
日蘭辭典+
RESULTATEN japansnederlandswoordenboek.org voor <aangaan>
Info over de soms afwijkende spelling van het Japans hieronder.
乗る noru (1) stappen op; klimmen op; bestijgen; betreden; (2) instappen; instijgen; [de bus;tram enz.] nemen; [i.h.b.] aan boord gaan; [i.h.b.] embarkeren; [een paard enz.] berijden; [i.h.b.] rijden; [op de wind enz.] varen; drijven op; gedragen worden door; [van een stem enz.] dragen; (3) harmoniëren (met); overeenstemmen (met); (4) ergens op ingaan; aangaan; ergens in trappen; vallen voor; bezwijken voor; [fig.] aanbijten; (5) goed blijven zitten; pakken; houden; hechten
係る kakaru te maken hebben met; in verband staan met; betrekking hebben tot; zich bezig houden met; ermee gemoeid zijn; aangaan; betreffen; aanbelangen
借金する shakkinsuru (geld) lenen; een geldlening; lening aangaan; schulden maken; aangaan; zich in de schulden steken
及ぶ oyobu (1) reiken; bereiken; leiden tot; voeren; zich uitstrekken; belopen; oplopen tot; bedragen; (2) treffen; overkomen; betrekking hebben op; raken; aangaan; betreffen; gelden; (3) opwegen tegen; opgewassen zijn tegen; kunnen tippen aan; van hetzelfde kaliber zijn als; niet onderdoen voor; het halen bij; (4) in staat zijn tot; berekend zijn voor; beantwoorden aan
受けて立つ uketetatsu [挑戦を] de uitdaging aannemen; aandurven; accepteren; op zich nemen; aangaan; [fig.] de handschoen opnemen
喚き散らす wamekichirasu tekeergaan; aangaan; razen en tieren
妻帯する saitaisuru een huwelijk sluiten; aangaan; in het huwelijk treden; trouwen; huwen; in de echt treden
根付く nezuku (1) [plantk.] wortel schieten; wortelen; inwortelen; aangaan; aanslaan; (2) [fig.] wortel schieten; post vatten; beklijven; zich vestigen; inburgeren; zich thuis gaan voelen
火が付く higatsuku aangaan; beginnen te branden; vuur; vlam vatten; ontvlammen; in brand raken
点く tsuku (1) [m.b.t. licht;vuur;lucifer] aangaan; gaan branden; ontbranden; [i.c.m. 火が] vuur; vlam vatten; ontvlammen; in brand raken; (2) aangaan; in werking treden
燃え出す moedasu aangaan; beginnen te branden
発火する hakkasuru aangaan; beginnen te branden
知る;識る shiru (1) kennen; weten; bekend zijn met; weet hebben van; [veroud.] kundig zijn van; (2) beseffen; zich realiseren; (zich) bewust zijn (van); erkennen; inzien; begrijpen; gewaarworden; ontdekken; aan de weet komen; snappen; (3) ondervinden; ervaren; leren kennen; (be)merken; bespeuren; voelen; [i.h.b.;bijb.] bekennen; (4) enig idee; vermoeden hebben; eruit opmaken; afleiden; [form.] bevroeden; (5) te maken hebben met; bemoeienis hebben met; aangaan
示談にする jidannisuru [jur.] onderhands afdoen; buiten de rechter om schikken; een dading treffen; aangaan; ± in der minne schikken; ± bij minnelijke schikking regelen
立ち寄る tachiyoru (1) naderen; nabij; dichterbij; naderbij komen; (2) langskomen; aanlopen; aandoen; binnenlopen; binnengaan; binnenwippen; aanwippen; onderweg bezoeken; langsgaan; aangaan
締結する teiketsusuru [条約を] sluiten; aangaan
纏わる matsuwaru (1) in verband staan met; gerelateerd zijn aan; betrekking hebben op; verband houden met; draaien om; aangaan; betreffen; (2) vastzitten aan; vastgehecht zitten aan; vasthangen aan; (3) zich wikkelen om; zich kronkelen om; zich slingeren om; zich wikkelen om
連なる;列なる tsuranaru (1) [山脈が] zich uitstrekken; zich voortzetten; op rijen staan; [veroud.;lit.t.] (zich) rijen; [車が] een file vormen; (2) bijwonen; aanwezig zijn; (3) [会に] lid zijn van; (4) invloed hebben op; aanbelangen; aangaan; van doen hebben met
関する kansuru (1) te maken hebben met; betreffen; aangaan; (2) aantasten; beïnvloeden; raken aan
関係する kankeisuru (1) te maken hebben met; in verband staan met; betrekking hebben tot; zich bezig houden met; zich afgeven met; aangaan; betreffen; (2) deelnemen in; een deel; aandeel hebben in; participeren in; een hand hebben in; een rol spelen bij; een vinger in de pap hebben; (3) invloed hebben op; (4) een (seksuele) relatie hebben; (seksuele) omgang hebben met
関連する kanrensuru verband houden met; samenhangen met; betreffen; aangaan
騒ぐ sawagu (1) lawaai maken; kabaal maken; lawaaischoppen; lawaaien; donderjagen; kabaal schoppen; rumoer maken; leven maken; poeha maken; tamtam maken; luidruchtig zijn; rumoerig zijn; roezemoezig zijn; tumultueus zijn; lawaaierig zijn; aangaan; luid tekeergaan; opspelen; [uitdr.] op zijn poot spelen; [uitdr.] de brandklok luiden; razen; roezen; [Barg.;volkst.] rauzen; [gew.] tamboeren; [gew.] reren; (2) drukte maken; beweging maken; druk in de weer zijn; erg bezig zijn; jachten; gejaagd heen en weer lopen; jachtig in de weer zijn; [gew.] heisteren; [gew.] zich opjagen; [Barg.] begijne maken; (3) een rel schoppen; een rel trappen; commotie maken; commotie geven; opschudding teweegbrengen; gerucht maken; deining maken; heisa maken; stennis maken; herrie maken; keet schoppen; keet trappen; [uitdr.] de boel op stelten zetten; [schoolt.] keten; ophef maken; spats maken; spektakel maken; omhaal maken; stof doen opwaaien; stampij maken; bombarie maken; bombarie schoppen; [inform.] zooien; (4) misbaar maken; heibel maken; luidkeels protesteren; krakelen; geprikkeld raken; in rep en roer raken; zich opwinden; zich druk maken; zich dik maken; in beroering raken; geagiteerd raken; geënerveerd raken; [fig.] moord en brand schreeuwen; [fig.] in alle staten raken; zijn stem verheffen; [fig.] roepen (om); [fig.] schreeuwen (om); het uitschreeuwen; exclameren; [gew.] heisteren; (5) uitgelaten raken; opgewonden raken; geëxalteerd raken; uitbundig worden; joelen; jolen; pret maken; het ervan nemen; zich amuseren; zich vermaken; feestvieren; fuiven; aan de haal gaan; boemelen; de bloemetjes buiten zetten; aan de haal gaan; zich uitleven; uitspatten; uit de band springen; pierewaaien; zwierbollen; [gew.] heisteren; (6) [m.b.t. gebladerte;papier;zijde] ruisen; ritselen; knisteren; suizen; suizelen; [lit.t.] zwatelen; een ruisend; ritselend geluid maken
Tijd: 1.76 sec. jiten.nl: 5 treffers, warandict: 22 treffers (zoekopdracht: 'aangaan').
2005-2026
